Wijsheid 3
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
Septuagint (Greek Old Testament), second edition
1Maar de zielen der rechtvaardigen zijn in Gods hand; Geen kwelling kan hen deren.
1ΔΙΚΑΙΩΝ δὲ ψυχαὶ ἐν χειρὶ Θεοῦ, καὶ οὐ μὴ ἅψηται αὐτῶν βάσανος.
2In het oog der dwazen was het, of zij stierven; Men beschouwde hun einde wel als een ramp,
2ἔδοξαν ἐν ὀφθαλμοῖς ἀφρόνων τεθνάναι, καὶ ἐλογίσθη κάκωσις ἡ ἔξοδος αὐτῶν
3En hun heengaan van ons als het einde van alles: Maar toch zijn zij in vrede.
3καί ἡ ἀφ᾿ ἡμῶν πορεία σύντριμμα, οἱ δέ εἰσιν ἐν εἰρήνῃ.
4Want al scheen het voor de mensen, dat ze werden gestraft, Toch is het de onsterfelijkheid, die hen wacht,
4καὶ γὰρ ἐν ὄψει ἀνθρώπων ἐὰν καλασθῶσιν, ἡ ἐλπὶς αὐτῶν ἀθανασίας πλήρης·
5En na die korte kastijding worden ze rijkelijk beloond. Want God was het, die hen beproefde En hen Zijner waardig bevond;
5καὶ ὀλίγα παιδευθέντες μεγάλα εὐεργετηθήσονται, ὅτι ὁ Θεὸς ἐπείρασεν αὐτοὺς καὶ εὗρεν αὐτοὺς ἀξίους ἑαυτοῦ·
6Als goud in de smeltoven heeft Hij hen beproefd, Maar als een aangenaam brandoffer hen aanvaard.
6ὡς χρυσὸν ἐν χωνευτηρίῳ ἐδοκίμασεν αὐτοὺς καὶ ὡς ὁλοκάρπωμα θυσίας προσεδέξατο αὐτούς.
7Als de tijd van hun vergelding komt zullen zij schitteren Als sprankelende vonken in een stoppelveld;
7καὶ ἐν καιρῷ ἐπισκοπῆς αὐτῶν ἀναλάμψουσι καὶ ὡς σπινθῆρες ἐν καλάμῃ διαδραμοῦνται·
8Zij zullen de volkeren richten en de naties beheersen, En de Heer zal hun koning zijn voor eeuwig.
8κρινοῦσιν ἔθνη καὶ κρατήσουσι λαῶν, καὶ βασιλεύσει αὐτῶν Κύριος εἰς τοὺς αἰῶνας.
9Die op Hem hopen, zullen zijn trouw ondervinden, En die Hem trouw zijn, in zijn liefde verblijven; Want genade en erbarming vallen zijn uitverkorenen ten deel.
9οἱ πεποιθότες ἐπ᾿ αὐτῷ συνήσουσιν ἀλήθειαν, καὶ οἱ πιστοὶ ἐν ἀγάπῃ προσμενοῦσιν αὐτῷ, ὅτι χάρις καὶ ἔλεος ἐν τοῖς ὁσίοις αὐτοῦ, καὶ ἐπισκοπὴ ἐν τοῖς ἐκλεκτοῖς αὐτοῦ.
10Maar de zondaars worden naar hun gezindheid bestraft, Omdat ze den vrome verachten en den Heer verlaten.
10Οἱ δὲ ἀσεβεῖς καθὰ ἐλογίσαντο ἕξουσιν ἐπιτιμίαν, οἱ ἀμελήσαντες τοῦ δικαίου καὶ τοῦ Κυρίου ἀποστάντες.
11Want ongelukkig, wie wijsheid en tucht versmaden! Ijdel is hun hoop en hun zwoegen vergeefs, Nutteloos zijn hun werken;
11σοφίαν γὰρ καὶ παιδείαν ὁ ἐξουθενῶν ταλαίπωρος, καὶ κενὴ ἡ ἐλπὶς αὐτῶν, καὶ οἱ κόποι ἀνόνητοι καὶ ἄχρηστα τὰ ἔργα αὐτῶν·
12Hun vrouwen zijn onbezonnen, Hun kinderen slecht;
12αἱ γυναῖκες αὐτῶν ἄφρονες, καί πονηρὰ τὰ τέκνα αὐτῶν, ἐπικατάρατος ἡ γένεσις αὐτῶν.
13Vervloekt is hun geslacht! Maar gelukkig de kinderloze, die haar reinheid bewaart, En haar sponde zondeloos weet: Bij de vergelding der zielen oogst zij haar vrucht!
13ὅτι μακαρία στεῖρα ἡ ἀμίαντος, ἥτις οὐκ ἔγνω κοίτην ἐν παραπτώματι, ἕξει καρπόν ἐν ἐπισκοπῇ ψυχῶν,
14Zo ook de eunuch, die geen boosheid bedrijft, En geen kwaad begeert tegen den Heer; Want een heerlijk loon ontvangt hij voor zijn trouw, Een kostelijk aandeel in de tempel des Heren.
14καὶ εὐνοῦχος ὁ μὴ ἐργασάμενος ἐν χειρὶ ἀνόμημα, μηδὲ ἐνθυμηθεὶς κατὰ τοῦ Κυρίου πονηρά, δοθήσεται γὰρ αὐτῷ τῆς πίστεως χάρις ἐκλεκτὴ καὶ κλῆρος ἐν ναῷ Κυρίου θυμηρέστερος.
15Overheerlijk toch is de vrucht der goede werken, En de wortel der wijsheid blijft onvergankelijk.
15ἀγαθῶν γὰρ πόνων καρπὸς εὐκλεής, καὶ ἀδιάπτωτος ἡ ρίζα τῆς φρονήσεως.
16Maar de kinderen van echtbrekers gedijen niet; Kroost, dat in zonde verwekt is, gaat te gronde.
16τέκνα δὲ μοιχῶν ἀτέλεστα ἔσται, καὶ ἐκ παρανόμου κοίτης σπέρμα ἀφανισθήσεται.
17Al leven ze ook lang, ze zijn niet in tel, En eerloos is ten slotte hun ouderdom;
17ἐάν τε γὰρ μακρόβιοι γένωνται, εἰς οὐθὲν λογισθήσονται, καὶ ἄτιμον ἐπ᾿ ἐσχάτων τὸ γῆρας αὐτῶν·
18En sterven ze jong, ze hebben geen hoop, Geen vertroosting op de dag van het oordeel.
18ἐάν τε ὀξέως τελευτήσωσιν, οὐχ ἕξουσιν ἐλπίδα, οὐδὲ ἐν ἡμέρᾳ διαγνώσεως παραμύθιον·
19Want rampzalig is het einde van een boos geslacht!
19γενεᾶς γὰρ ἀδίκου χαλεπὰ τὰ τέλη.
Tip: use the ← and → keys to turn chapters.