Wijsheid 5
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
Septuagint (Greek Old Testament), second edition
1Dan staat de rechtvaardige met groot vertrouwen Tegenover hen, die eens hem verdrukten, En verachtelijk neerzagen op zijn zwoegen.
1ΤΟΤΕ στήσεται ἐν παρρησίᾳ πολλῇ ὁ δίκαιος κατὰ πρόσωπον τῶν θλιψάντων αὐτὸν καὶ τῶν ἀθετούντων τοὺς πόνους αὐτοῦ.
2Dezen zullen bij dat gezicht van grote vreze worden bevangen, Geheel ontsteld over dat onverwachte heil;
2ἰδόντες ταραχθήσονται φόβῳ δεινῷ καὶ ἐκστήσονται ἐπὶ τῷ παραδόξῳ τῆς σωτηρίας.
3Ze zullen tegen elkander zeggen, met rouw in het hart, En in hun zielsangst zuchten:
3ἐροῦσιν ἐν ἑαυτοῖς μετανοοῦντες καὶ διὰ στενοχωρίαν πνεύματος στενάξονται καὶ ἐροῦσιν·
4Dit is nu de man, dien wij vroeger bespotten Als een toonbeeld van hoon, wij verdwaasden. Wij hebben zijn leven voor waanzin gehouden, En zijn einde voor eerloos;
4οὗτος ἦν ὃν ἔσχομέν ποτε εἰς γέλωτα καὶ εἰς παραβολὴν ὀνειδισμοῦ οἱ ἄφρονες· τὸν βίον αὐτοῦ ἐλογισάμεθα μανίαν καὶ τὴν τελευτὴν αὐτοῦ ἄτιμον.
5Hoe wordt hij nu onder de kinderen Gods geteld, En deelt hij het lot van de heiligen!
5πῶς κατελογίσθη ἐν υἱοῖς Θεοῦ καὶ ἐν ἁγίοις ὁ κλῆρος αὐτοῦ ἐστιν;
6Wij dwaalden dus af van de weg der waarheid; Het licht van de deugd verlichtte ons niet, En de zon ging niet over ons op.
6ἄρα ἐπλανήθημεν ἀπὸ ὁδοῦ ἀληθείας, καὶ τὸ τῆς δικαιοσύνης φῶς οὐκ ἔλαμψεν ἡμῖν, καὶ ὁ ἥλιος οὐκ ἀνέτειλεν ἡμῖν·
7Wij tobden ons af op de wegen van zonde en verderf, Trokken ongebaande woestijnen door, Maar de weg des Heren kenden wij niet!
7ἀνομίας ἐνεπλήσθημεν τρίβοις καὶ ἀπωλείας καὶ διωδεύσαμεν ἐρήμους ἀβάτους, τὴν δὲ ὁδὸν Κυρίου οὐκ ἔγνωμεν.
8Wat baatte ons dan die overmoed; Wat hebben geld en grootdoen ons gebracht?
8τί ὠφέλησεν ἡμᾶς ἡ ὑπερηφανία; καὶ τί πλοῦτος μετὰ ἀλαζονίας συμβέβληται ἡμῖν;
9Het ging alles voorbij als een schaduw, Voorbij als een loos gerucht;
9παρῆλθεν ἐκεῖναι πάντα ὡς σκιὰ καὶ ὡς ἀγγελία παρατρέχουσα·
10Als een schip, dat de golvende wateren klieft, Zonder dat men een spoor van zijn doortocht kan vinden, Of een pad van zijn kiel in de baren.
10ὡς ναῦς διερχομένη κυμαινόμενον ὕδωρ, ἧς διαβάσης οὐκ ἔστιν ἴχνος εὑρεῖν, οὐδὲ ἀτραπὸν τρόπιος αὐτῆς ἐν κύμασιν·
11Of zoals men bij een vogel, die vliegt door de lucht, Geen enkel teken meer vindt van zijn weg: De ijle lucht wordt gezwiept door het slaan van zijn vleugels En gekliefd door de kracht van zijn vlucht; Met klapperende wieken trekt hij er door, Daarna wordt geen spoor van zijn tocht meer gevonden.
11ἢ ὡς ὀρνέου διαπτάντος ἀέρα οὐθὲν εὑρίσκεται τεκμήριον πορείας, πληγῇ δὲ ταρσῶν μαστιζόμενον πνεῦμα κοῦφον καὶ σχιζόμενον βίᾳ ροίζου, κινουμένων πτερύγων διωδεύθη, καὶ μετὰ τοῦτο οὐχ εὑρέθη σημεῖον ἐπιβάσεως ἐν αὐτῷ·
12Of zoals een pijl, naar het doel geschoten, De lucht doorklieft, die terstond zich weer sluit, Zodat men zijn baan niet kan zien:
12ἢ ὡς βέλους βληθέντος ἐπὶ σκοπόν, τμηθεὶς ὁ ἀὴρ εὐθέως εἰς ἑαυτὸν ἀνελύθη ὡς ἀγνοῆσαι τὴν δίοδον αὐτοῦ.
13Zó zijn wij geboren en ook weer gestorven, Zonder een spoor te kunnen tonen van deugd; Midden in onze boosheid overviel ons het einde.
13οὕτως καὶ ἡμεῖς γεννηθέντες ἐξελίπομεν καὶ ἀρετῆς μὲν σημεῖον οὐδὲν ἔσχομεν δεῖξαι, ἐν δὲ τῇ κακίᾳ ἡμῶν κατεδαπανήθημεν.
14Ja, de hoop van den zondaar is als kaf, meegesleurd door de wind, Als het lichte schuim, voortgedreven door de storm, Als rook, door een windvlaag verspreid; Ze vervliegt als de herinnering aan een gast van één dag.
14ὅτι ἐλπὶς ἀσεβοῦς ὡς φερόμενος χνοῦς ὑπὸ ἀνέμου καὶ ὡς πάχνη ὑπὸ λαίλαπος διωχθεῖσα λεπτὴ καὶ ὡς καπνὸς ὑπό ἀνέμου διεχύθη καὶ ὡς μνεία καταλύτου μονοημέρου παρώδευσε.
15Maar de rechtvaardigen blijven eeuwig leven; Bij den Heer vinden zij hun loon, De Allerhoogste zorgt voor hen.
15Δίκαιοι δὲ εἰς τὸν αἰῶνα ζῶσι, καὶ ἐν Κυρίῳ ὁ μισθὸς αὐτῶν, καὶ ἡ φροντὶς αὐτῶν παρὰ Ὑψίστῳ.
16Daarom zullen zij het rijk der glorie ontvangen, En een heerlijke kroon uit de hand van den Heer; Want Hij beschermt hen met zijn rechterhand, En beschut hen met zijn arm.
16διὰ τοῦτο λήψονται τὸ βασίλειον τῆς εὐπρεπείας καὶ τὸ διάδημα τοῦ κάλλους ἐκ χειρὸς Κυρίου, ὅτι τῇ δεξιᾷ σκεπάσει αὐτοὺς καὶ τῷ βραχίονι ὑπερασπιεῖ αὐτῶν.
17Hij neemt zijn ijverzucht als pantser, En bewapent de schepping om den vijand te straffen;
17λήψεται πανοπλίαν τὸν ζῆλον αὐτοῦ καὶ ὁπλοποιήσει τὴν κτίσιν εἰς ἄμυναν ἐχθρῶν·
18Als harnas gordt Hij zijn rechtvaardigheid aan, En zet zijn onfeilbaar oordeel op als helm;
18ἐνδύσεται θώρακα δικαιοσύνην καὶ περιθήσεται κόρυθα κρίσιν ἀνυπόκριτον·
19Hij neemt zijn onoverwinlijke heiligheid als schild,
19λήψεται ἀσπίδα ἀκαταμάχητον ὁσιότητα,
20Scherpt zijn strenge gramschap tot zwaard, En het heelal strijdt met Hem mee tegen de dwazen.
20ὀξυνεῖ δὲ ἀπότομον ὀργὴν εἰς ρομφαίαν, συνεκπολεμήσει δὲ αὐτῷ ὁ κόσμος ἐπὶ τοὺς παράφρονας.
21De welgemikte pijlen van de bliksem schieten neer, Vliegen van de strakgespannen wolkenboog naar hun doel,
21πορεύσονται εὔστοχοι βολίδες ἀστραπῶν καὶ ὡς ἀπὸ εὐκύκλου τόξου τῶν νεφῶν ἐπί σκοπὸν ἁλοῦνται,
22En grimmige hagelstenen worden uit de slinger geworpen; De wateren der zee storten zich kokend over hen uit, En de stromen bruisen onstuimig aan;
22καὶ ἐκ πετροβόλου θυμοῦ πλήρεις ριφήσονται χάλαζαι. ἀγανακτήσει κατ᾿ αὐτῶν ὕδωρ θαλάσσης, ποταμοὶ δὲ συγκλύσουσιν ἀποτόμως.
23De adem van den Almachtige steekt tegen hen op, En jaagt hen uiteen als een orkaan. Zo maakt boosheid de aarde tot een woestenij, En werpt ongerechtigheid de tronen van vorsten omver!
23ἀντιστήσεται αὐτοῖς πνεῦμα δυνάμεως καὶ ὡς λαῖλαψ ἐκλικμήσει αὐτούς. καὶ ἐρημώσει πᾶσαν τὴν γῆν ἀνομία, καὶ ἡ κακοπραγία περιτρέψει θρόνους δυναστῶν.
Tip: use the ← and → keys to turn chapters.