Wijsheid 6
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
Septuagint (Greek Old Testament), second edition
1Hoort dan, koningen, en luistert, Geeft acht, gij, die geheel de aarde bestuurt;
1ΑΚΟΥΣΑΤΕ οὖν, βασιλεῖς, καὶ σύνετε· μάθετε, δικασταὶ περάτων γῆς.
2Leent uw oor, gij, die heerst over velen, En groot gaat op het getal uwer onderdanen!
2ἐνωτίσασθε οἱ κρατοῦντες πλήθους καὶ γεγαυρωμένοι ἐπὶ ὄχλοις ἐθνῶν·
3Want uw macht werd u gegeven door den Heer, En uw heerschappij door den Allerhoogste. Hij zal uw daden nagaan en uw plannen doorvorsen;
3ὅτι ἐδόθη παρὰ τοῦ Κυρίου ἡ κράτησις ὑμῖν καὶ ἡ δυναστεία παρὰ Ὑψίστου, ὃς ἐξετάσει ὑμῶν τὰ ἔργα καὶ τὰς βουλὰς διερευνήσει·
4Want ofschoon gij dienaren van zijn koningschap zijt, Hebt gij niet recht geregeerd, niet de wet onderhouden, En niet gewandeld naar Gods wil.
4ὅτι ὑπηρέται ὄντες τῆς αὐτοῦ βασιλείας οὐκ ἐκρίνατε ὀρθῶς, οὐδὲ ἐφυλάξατε νόμον, οὐδὲ κατὰ τὴν βουλὴν τοῦ Θεοῦ ἐπορεύθητε.
5Vol verschrikking treedt Hij weldra tegen u op; Want hooggeplaatsten wacht een zeer streng gericht.
5φρικτῶς καὶ ταχέως ἐπιστήσεται ὑμῖν, ὅτι κρίσις ἀπότομος ἐν τοῖς ὑπερέχουσι γίνεται.
6De mindere toch verdient vergeving en medelijden, Maar de meerdere wordt des te strenger gestraft.
6ὁ γὰρ ἐλάχιστος συγγνωστός ἐστιν ἐλέους, δυνατοὶ δὲ δυνατῶς ἐτασθήσονται·
7Ja, Hij, die de Heer is van allen, vreest niemand, Voor geen grootheid is Hij beducht; Want groot en klein heeft Hij geschapen, Hij zorgt op gelijke wijze voor allen:
7οὐ γὰρ ὑποστελεῖται πρόσωπον ὁ πάντων δεσπότης, οὐδὲ ἐντραπήσεται μέγεθος, ὅτι μικρὸν καὶ μέγαν αὐτὸς ἐποίησεν ὁμοίως τε προνοεῖ περὶ πάντων·
8Maar de machtigen wacht eens een streng onderzoek.
8τοῖς δὲ κραταιοῖς ἰσχυρὰ ἐφίσταται ἔρευνα.
9Tot u dus, vorsten, zijn mijn woorden gericht, Opdat gij wijsheid leert en niet ten val komt.
9πρὸς ὑμᾶς οὖν, ὦ τύραννοι, οἱ λόγοι μου, ἵνα μάθητε σοφίαν καὶ μὴ παραπέσητε·
10Want wie het heilige heilig behandelt, wordt heilig, En wie dit geleerd heeft, kan verantwoording geven.
10οἱ γὰρ φυλάξαντες ὁσίως τὰ ὅσια ὁσιωθήσονται, καὶ οἱ διδαχθέντες αὐτὰ εὑρήσουσιν ἀπολογίαν.
11Luistert dus gretig naar mijn woorden, Hoort ze verlangend aan; dan wordt gij wijs.
11ἐπιθυμήσατε οὖν τῶν λόγων μου, ποθήσατε καὶ παιδευθήσεσθε.
12Schoon is de wijsheid, nimmer verwelkt zij; Wie haar beminnen, krijgen haar gemakkelijk te zien. Wie haar zoeken, zullen haar vinden;
12Λαμπρὰ καὶ ἀμάραντός ἐστιν ἡ σοφία και εὐχερῶς θεωρεῖται ὑπὸ τῶν ἀγαπώντων αὐτὴν καὶ εὑρίσκεται ὑπὸ τῶν ζητούντων αὐτήν,
13Zij voorkomt zelfs die wens, en vertoont zich het eerst.
13φθάνει τοὺς ἐπιθυμοῦντας προγνωσθῆναι.
14Wie vroeg om haar opstaat, behoeft zich niet te vermoeien; Want hij vindt haar zitten voor zijn deur.
14ὁ ὀρθρίσας πρὸς αὐτὴν οὐ κοπιάσει, πάρεδρον γὰρ εὑρήσει τῶν πυλῶν αὐτοῦ.
15Naar haar te verlangen is het toppunt van doorzicht, En wie zich geen slaap om haar gunt, is dra zonder zorgen;
15τὸ γὰρ ἐνθυμηθῆναι περὶ αὐτῆς φρονήσεως τελειότης, καὶ ὁ ἀγρυπνήσας δι᾿ αὐτὴν ταχέως ἀμέριμνος ἔσται·
16Want zelf gaat zij rond en zoekt, wie haar waard zijn, Vertoont zich vriendelijk aan hen op hun wegen, En treedt hun tegemoet bij iedere gedachte.
16ὅτι τοὺς ἀξίους αὐτῆς αὕτη περιέρχεται ζητοῦσα καὶ ἐν ταῖς τρίβοις φαντάζεται αὐτοῖς εὐμενῶς καὶ ἐν πάσῃ ἐπινοίᾳ ὑπαντᾷ αὐτοῖς.
17Want haar aanvang is oprecht verlangen naar tucht,
17ἀρχὴ γὰρ αὐτῆς ἡ ἀληθεστάτη παιδείας ἐπιθυμία, φροντὶς δὲ παιδείας ἀγάπη,
18En verlangen naar tucht is liefde; Liefde is het onderhouden van haar geboden, Het onderhouden der geboden onderpand van onsterfelijkheid,
18ἀγάπη δέ τήρησις νόμων αὐτῆς, προσοχὴ δὲ νόμων βεβαίωσις ἀφθαρσίας,
19En onsterfelijkheid brengt in de nabijheid van God:
19ἀφθαρσία δὲ ἐγγὺς εἶναι ποιεῖ Θεοῦ.
20Zo voert het verlangen naar wijsheid tot het koningschap!
20ἐπιθυμία ἄρα σοφίας ἀνάγει ἐπὶ βασιλείαν.
21Als dus tronen en schepters u behagen, vorsten der volken, Eert dan de wijsheid, om voor eeuwig koning te zijn.
21εἰ οὖν ἥδεσθε ἐπὶ θρόνοις καὶ σκήπτροις, τύραννοι λαῶν, τιμήσατε σοφίαν, ἵνα εἰς τὸν αἰῶνα βασιλεύσητε.
22Ik wil u verkonden, wat wijsheid is, en hoe zij ontstond; Ik wil u niet haar geheimen verbergen, Maar haar spoor volgen sinds het begin van haar wording; Ik wil haar kennis aan het licht doen treden, En in geen enkel opzicht de waarheid voorbijgaan.
22τί δέ ἐστι σοφία καὶ πῶς ἐγένετο, ἀπαγγελῶ καὶ οὐκ ἀποκρύψω ὑμῖν μυστήρια, ἀλλὰ ἀπ᾿ ἀρχῆς γενέσεως ἐξιχνιάσω καὶ θήσω εἰς τὸ ἐμφανὲς τὴν γνῶσιν αὐτῆς καὶ οὐ μὴ παροδεύσω τὴν ἀλήθειαν.
23Ik wil mij ook niet laten leiden door verterende afgunst, Want die gaat met wijsheid niet samen;
23οὔτε μὴν φθόνῳ τετηκότι συνοδεύσω, ὅτι οὗτος οὐ κοινωνήσει σοφίᾳ.
24Maar een groot getal wijzen is de redding der wereld, En een verstandig vorst de welvaart van zijn volk.
24πλῆθος δὲ σοφῶν σωτηρία κόσμου, καὶ βασιλεὺς φρόνιμος εὐστάθεια δήμου.
25Laat u dus door mijn woorden onderrichten, En gij zult er uw voordeel bij vinden.
25ὥστε παιδεύσθε τοῖς ρήμασί μου, καὶ ὠφεληθήσεσθε.
Tip: use the ← and → keys to turn chapters.