Wijsheid 14
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
Septuagint (Greek Old Testament), second edition
1Weer een ander, die een zeereis begint, En de wilde golven gaat doorklieven, Roept een hout aan, dat veel brozer is Dan het vaartuig, dat hem draagt.
1Πλοῦν τις πάλιν στελλόμενος καὶ ἄγρια μέλλων διοδεύειν κύματα, τοῦ φέροντος αὐτὸν πλοίου σαθρότερον ξύλον ἐπιβοᾶται.
2Want hieraan werd door winzucht de nodige zorg besteed, En met vakkundig inzicht werd het gebouwd.
2ἐκεῖνο μὲν γὰρ ὄρεξις πορισμῶν ἐπενόησε, τεχνῖτις δὲ σοφίᾳ κατεσκεύασεν·
3En het is uw Voorzienigheid, o Vader, die het bestuurt; Want Gij baant ook op zee een weg, Een veilig pad te midden der golven.
3ἡ δὲ σή, πάτερ, διακυβερνᾷ πρόνοια, ὅτι ἔδωκας καὶ ἐν θαλάσσῃ ὁδὸν καὶ ἐν κύμασι τρίβον ἀσφαλῆ,
4Gij toont daardoor, dat Gij in staat zijt, uit alles te redden, Zodat men ook zonder stuurmanskunst zee zou durven kiezen.
4δεικνὺς ὅτι δύνασαι ἐκ παντὸς σώζειν, ἵνα κἂν ἄνευ τέχνης τις ἐπιβῇ.
5Maar daar Gij de werken uwer wijsheid niet onbenut wilt laten, Vertrouwen de mensen hun leven toe aan een klein stuk hout, En varen op een scheepje behouden door de branding.
5θέλεις δὲ μή ἀργὰ εἶναι τὰ τῆς σοφίας σου ἔργα, διὰ τοῦτο καὶ ἐλαχίστῳ ξύλῳ πιστεύουσιν ἄνθρωποι ψυχὰς καὶ διελθόντες κλύδωνα σχεδίᾳ διεσώθησαν.
6Ook in de oude tijd, bij de ondergang der trotse reuzen, Ontkwam de hoop der wereld op een schip; En door uw hand bestuurd, bewaarde hij voor de wereld Het zaad voor een nageslacht.
6καὶ ἀρχῆς γὰρ ἀπολλυμένων ὑπερηφάνων γιγάντων, ἡ ἐλπὶς τοῦ κόσμου ἐπὶ σχεδίας καταφυγοῦσα ἀπέλιπεν αἰῶνι σπέρμα γενέσεως τῇ σῇ κυβερνηθεῖσα χειρί.
7Want gezegend is het hout, dat tot gerechtigheid dient.
7εὐλόγηται γὰρ ξύλον, δι᾿ οὗ γίνεται δικαιοσύνη·
8Maar vervloekt het beeld, door mensenhand gemaakt, tegelijk met zijn maker: Deze, omdat hij het heeft gemaakt; Het vergankelijk beeld, omdat het god wordt genoemd.
8τὸ χειροποίητον δέ, ἐπικατάρατον αὐτὸν καὶ ὁ ποιήσας αὐτό, ὅτι ὁ μὲν εἰργάζετο, τὸ δὲ φθαρτὸν θεὸς ὠνομάσθη.
9Want de goddeloze is bij God gehaat met zijn goddeloos werk;
9ἐν ἴσῳ γὰρ μισητὰ Θεῷ καὶ ὁ ἀσεβῶν καὶ ἡ ἀσέβεια αὐτοῦ·
10En het maaksel wordt gestraft tegelijk met hem, die het maakte.
10καὶ γὰρ τὸ πραχθὲν σὺν τῷ δράσαντι κολασθήσεται.
11Ja, ook over de beelden der heidenen komt het gericht, Omdat zij een gruwel werden onder de schepselen Gods, Een ergernis voor de zielen der mensen, En een valstrik voor de voeten der dwazen.
11διὰ τοῦτο καὶ ἐν εἰδώλοις ἐθνῶν ἐπισκοπὴ ἔσται, ὅτι ἐν κτίσματι Θεοῦ εἰς βδέλυγμα ἐγενήθησαν καὶ εἰς σκάνδαλα ψυχαῖς ἀνθρώπων καὶ εἰς παγίδα ποσὶν ἀφρόνων.
12Want de gedachte aan beelden was het begin van de afval, Het uitvinden ervan werd het bederf des levens.
12Ἀρχὴ γὰρ πορνείας ἐπίνοια εἰδώλων, εὕρεσις δὲ αὐτῶν φθορὰ ζωῆς.
13Ze bestonden niet van de aanvang af, En zullen niet eeuwig blijven;
13οὔτε γὰρ ἦν ἀπ᾿ ἀρχῆς, οὔτε εἰς τὸν αἰῶνα ἔσται·
14Want door de ijdele waan der mensen kwamen ze in de wereld, En daarom is hun een spoedig einde beschoren.
14κενοδοξίᾳ γὰρ ἀνθρώπων εἰσῆλθεν εἰς κόσμον, καὶ διὰ τοῦτο σύντομον αὐτῶν τέλος ἐπενοήθη.
15Een vader toch, verteerd door onverwachte smart, Maakte een beeld van zijn kind, te vroeg hem ontrukt; Die als mens was gestorven, vereerde hij nu als god, En stelde voor zijn ondergeschikten een plechtige eredienst in.
15ἀώρῳ γὰρ πένθει τρυχόμενος πατήρ, τοῦ ταχέως ἀφαιρεθέντος τέκνου εἰκόνα ποιήσας, τὸν τότε νεκρὸν ἄνθρωπον νῦν ὡς Θεὸν ἐτίμησε καὶ παρέδωκε τοῖς ὑποχειρίοις μυστήρια καὶ τελετάς.
16Toen die slechte gewoonte zich mettertijd had verbreid,
16εἶτα ἐν χρόνῳ κρατυνθὲν τὸ ἀσεβὲς ἔθος ὡς νόμος ἐφυλάχθη, καὶ τυράννων ἐπιταγαῖς ἐθρησκεύετο τὰ γλυπτά,
17Gold zij als wet, en vereerde men beelden op bevel der vorsten. Want als men om de verre afstand henzelf niet kon vereren, Maakte men zich uit de verte een voorstelling van hun gestalte. Men vervaardigde een prachtig beeld van den gevierden koning, Om met alle ijver den afwezige te vleien, als was hij er bij;
17οὓς ἐν ὄψει μὴ δυνάμενοι τιμᾶν ἄνθρωποι διὰ τὸ μακρὰν οἰκεῖν, τὴν πόρρωθεν ὄψιν ἀνατυπωσάμενοι, ἐμφανῆ εἰκόνα τοῦ τιμωμένου βασιλέως ἐποίησαν, ἵνα τὸν ἀπόντα ὡς παρόντα κολακεύωσι διὰ τῆς σπουδῆς.
18En de eerzucht van den kunstenaar bewoog zelfs wie den koning niet kenden. Om diens verering nog te vergroten.
18εἰς ἐπίτασιν δὲ θρησκείας καὶ τοὺς ἀγνοοῦντας ἡ τοῦ τεχνίτου προετρέψατο φιλοτιμία·
19Want om den vorst te behagen, gaf hij zich alle moeite, Om door zijn kunst het beeld zo schoon mogelijk te maken;
19ὁ μὲν γὰρ τάχα τῷ κρατοῦντι βουλόμενος ἀρέσαι, ἐξεβιάσατο τῇ τέχνῃ τὴν ὁμοιότητα ἐπὶ τὸ κάλλιον·
20En het volk, misleid door de schoonheid van het werk, Aanbad, dien men te voren als mens eerde, voortaan als god.
20τὸ δὲ πλῆθος ἐφελκόμενον διὰ τὸ εὔχαρι τῆς ἐργασίας, τὸν πρὸ ὀλίγου τιμηθέντα ἄνθρωπον νῦν σέβασμα ἐλογίσαντο.
21En dit is voor de mensen een valstrik geworden: Dat zij door ongeluk gedreven of om vorsten te vleien, Aan hout of steen de Naam gaven, die slechts toekomt aan Eén.
21καὶ τοῦτο ἐγένετο τῷ βίῳ εἰς ἔνεδρον, ὅτι ἢ συμφορᾷ ἢ τυραννίδι δουλεύσαντες ἄνθρωποι τὸ ἀκοινώνητον ὄνομα λίθοις καὶ ξύλοις περιέθεσαν.
22Maar, zij dwalen niet alleen in de kennis van God! Neen, terwijl zij door hun onkunde leven in grote strijd, Begroeten zij zulk een ellende nog als vrede.
22Εἶτ᾿ οὐκ ἤρκεσε τὸ πλανᾶσθαι περὶ τὴν τοῦ Θεοῦ γνῶσιν, ἀλλὰ καὶ μεγάλῳ ζῶντες ἀγνοίας πολέμῳ τὰ τοσαῦτα κακὰ εἰρήνην προσαγορεύουσιν.
23Want zij offeren hun kinderen, vieren verborgen geheimen, Of dolle feestgelagen met vreemde gebruiken,
23ἢ γὰρ τεκνοφόνους τελετὰς ἢ κρύφια μυστήρια ἢ ἐμμανεῖς ἐξ ἄλλων θεσμῶν κώμους ἄγοντες,
24En verwaarlozen de reinheid van leven en huwelijk. De een vermoordt den ander of krenkt hem door echtbreuk;
24οὔτε βίους οὔτε γάμους καθαροὺς ἔτι φυλάσσουσιν, ἕτερος δ᾿ ἕτερον ἢ λοχῶν ἀναιρεῖ ἢ νοθεύων ὀδυνᾷ.
25Overal heerst zonder onderscheid moord en doodslag, Diefstal, bedrog en verleiding, onbetrouwbaarheid, oproer en meineed;
25πάντας δ᾿ ἐπιμὶξ ἔχει αἷμα καὶ φόνος, κλοπὴ καὶ δόλος, φθορά, ἀπιστία, ταραχή, ἐπιορκία, θόρυβος ἀγαθῶν,
26Vervolging der goeden, ondank voor weldaden, Verpesting der zielen, onkuisheid tegen de natuur, Verwording van het huwelijk, echtbreuk en ontucht.
26χάριτος ἀμνησία, ψυχῶν μιασμός, γενέσεως ἐναλλαγή, γάμων ἀταξία, μοιχεία καὶ ἀσέλγεια.
27Want de verering der verfoeilijke afgoden Is het begin, de oorzaak en het einde van alle kwaad.
27ἡ γὰρ τῶν ἀνωνύμων εἰδώλων θρησκεία παντὸς ἀρχὴ κακοῦ καὶ αἰτία καὶ πέρας ἐστίν·
28Ja, zij vieren hun dolle feesten en profeteren leugens, Leven losbandig en doen valse eden zonder wroeging;
28ἢ γὰρ εὐφραινόμενοι μεμήνασιν ἢ προφητεύουσι ψευδῆ ἢ ζῶσιν ἀδίκως ἢ ἐπιορκοῦσι ταχέως·
29Want zij stellen hun vertrouwen op levenloze goden, En verwachten daarom geen straf voor hun meineed.
29ἀψύχοις γὰρ πεποιθότες εἰδώλοις κακῶς ὀμόσαντες, ἀδικηθῆναι οὐ προσδέχονται.
30Maar een rechtvaardige straf treft hen voor dit dubbel vergrijp: Dat zij goden vereren, maar kwaad denken van God; En door meineed en bedrog de deugd vertreden.
30ἀμφότερα δὲ αὐτοὺς μετελεύσεται τὰ δίκαια, ὅτι κακῶς ἐφρόνησαν περὶ Θεοῦ προσχόντες εἰδώλοις καὶ ἀδίκως ὤμοσαν ἐν δόλῳ καταφρονήσαντες ὁσιότητος·
31Ja, al bezitten zij, bij wie men zweert, ook geen macht, Toch volgt de straf der zonde steeds op het misdrijf der bozen.
31οὐ γὰρ ἡ τῶν ὀμνυομένων δύναμις, ἀλλ᾿ ἡ τῶν ἁμαρτανόντων δίκη ἐπεξέρχεται ἀεὶ τὴν τῶν ἀδίκων παράβασιν.
Tip: use the ← and → keys to turn chapters.