Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
Septuagint (Greek Old Testament), second edition
1Maar tegen de goddelozen woedde de gramschap Meedogenloos ten einde toe. Want Hij wist reeds tevoren, hoe ze zich zouden gedragen:
1ΤΟΙΣ δὲ ἀσεβέσι μέχρι τέλους ἀνελεήμων θυμὸς ἐπέστη· προῃ£δει γὰρ αὐτῶν καὶ τὰ μέλλοντα,
2Hoe ze hun eerst zouden toestaan, weg te trekken, Zelfs zouden aandringen, heen te gaan, Maar dan, door spijt gedreven, hen zouden vervolgen.
2ὅτι αὐτοὶ ἐπιτρέψαντες τοῦ ἀπιέναι καὶ μετὰ σπουδῆς προπέμψαντες αὐτούς, διώξουσι μεταμεληθέντες.
3Ja, nog waren ze bezig met rouwbetoon, Nog klaagden ze hun leed aan het graf van hun doden, Of ze namen reeds een ander, een dwaas besluit, En gingen als vluchtelingen achtervolgen, Die zij hadden gesmeekt om heen te gaan.
3ἔτι γὰρ ἐν χερσὶν ἔχοντες τὰ πένθη καὶ προσοδυρόμενοι τάφοις νεκρῶν, ἕτερον ἐπεσπάσαντο λογισμὸν ἀνοίας καὶ οὓς ἱκετεύοντες ἐξέβαλον, τούτους ὡς φυγάδες ἐδίωκον.
4Want een welverdiend noodlot dreef hen tot dit uiterste, En deed hen vergeten, wat er gebeurd was: Zij moesten de straf ten volle ondergaan, Die nog aan hun kwelling ontbrak;
4εἷλκε γὰρ αὐτοὺς ἡ ἀξία ἐπὶ τοῦτο τὸ πέρας ἀνάγκη καὶ τῶν συμβεβηκότων ἀμνηστίαν ἐνέβαλεν, ἵνα τὴν λείπουσαν ταῖς βασάνοις προαναπληρώσωσι κόλασιν,
5Maar uw volk moest een wondere doortocht bekomen, Terwijl de anderen een ongewone dood zouden vinden.
5καὶ ὁ μὲν λαός σου παράδοξον ὁδοιπορίαν περάσῃ, ἐκεῖνοι δὲ ξένον εὕρωσι θάνατον.
6Want heel de schepping werd in haar natuur hervormd, Om dienstbaar te zijn aan uw bevelen, Opdat uw kinderen zonder letsel zouden worden behouden.
6ὅλη γὰρ ἡ κτίσις ἐν ἰδίῳ γένει πάλιν ἄνωθεν διετυποῦτο ὑπηρετοῦσα ταῖς σαῖς ἐπιταγαῖς. ἵνα οἱ σοὶ παῖδες φυλαχθῶσιν ἀβλαβεῖς.
7De wolk overschaduwde hun legerplaats, Droog land zag men oprijzen, waar vroeger water was: Een heerbaan zonder hindernis door de Rode Zee, Een groenend veld uit de geweldige vloed!
7ἡ τὴν παρεμβολὴν σκιάζουσα νεφέλη, ἐκ δὲ προϋφεστῶτος ὕδατος ξηρᾶς ἀνάδυσις γῆς ἐθεωρήθη, ἐξ ἐρυθρᾶς θαλάσσης ὁδὸς ἀνεμπόδιστος καὶ χλοηφόρον πεδίον ἐκ κλύδωνος βιαίου·
8Heel het volk trok er doorheen, Beschermd door uw hand, En aanschouwde vol verbazing uw wonderen.
8δι᾿ οὗ πανεθνὶ διῆλθον οἱ τῇ σῇ σκεπαζόμενοι χειρί, θεωρήσαντες θαυμαστὰ τέρατα.
9Want zij waren als paarden, die ter weide gaan, Als huppelende lammeren, En loofden U, Heer, die hen had gered.
9ὡς γὰρ ἵπποι ἐνεμήθησαν καὶ ὡς ἀμνοὶ διεσκίρτησαν αἰνοῦντές σε, Κύριε, τὸν ρυόμενον αὐτούς.
10Zo dachten zij terug aan wat in het vreemde land was gebeurd: Hoe niet uit levende wezens, maar uit de aarde muggen kwamen, Hoe niet de waterdieren, maar de Nijl kikvorsen spuwde.
10ἐμέμνηντο γὰρ ἔτι τῶν ἐν τῇ παροικίᾳ αὐτῶν, πῶς ἀντὶ μὲν γενέσεως ζῴων ἐξήγαγεν ἡ γῆ σκνῖπα, ἀντὶ δὲ ἐνύδρων ἐξηρεύξατο ὁ ποταμὸς πλῆθος βατράχων.
11Later zagen zij ook vogels op nieuwe wijze ontstaan, Toen zij uit zinnelust om lekkere spijzen vroegen;
11ἐφ᾿ ὑστέ ρῳ δὲ εἶδον καὶ νέαν γένεσιν ὀρνέων, ὅτι ἐπιθυμίᾳ προαχθέντες ᾐτήσαντο ἐδέσματα τρυφῆς·
12Want om hun lust te voldoen, stegen er kwakkels op uit de zee.
12εἰς γὰρ παραμυθίαν ἀνέβη αὐτοῖς ἀπὸ θαλάσσης ὀρτυγομήτρα.
13En de straffen kwamen niet over de zondaars Zonder voorafgaande tekenen door felle bliksems. Het was immers billijk, dat ze leden voor hun boze daden, Daar ze de vreemdelingen vreselijk hadden gehaat.
13καὶ αἱ τιμωρίαι τοῖς ἀμαρτωλοῖς ἐπῆλθον οὐκ ἄνευ τῶν προγεγονότων τεκμηρίων τῇ βίᾳ τῶν κεραυνῶν· δικαίως γὰρ ἔπασχον ταῖς ἰδίαις αὐτῶν πονηρίαις, καὶ γὰρ χαλεπωτέραν μισοξενίαν ἐπετήδευσαν.
14Want terwijl anderen slechts onbekenden gastvrijheid weigerden, Hadden zij gasten, die weldoeners waren, tot slaven gemaakt.
14οἱ μὲν γὰρ τοὺς ἀγνοοῦντας οὐκ ἐδέχοντο παρόντας, οὗτοι δὲ εὐεργέτας ξένους ἐδουλοῦντο.
15Bovendien, voor de anderen is er nog een zekere verschoning, Daar zij de vreemdelingen aanstonds vijandig ontvingen;
15καὶ οὐ μόνον, ἀλλ᾿ ἤ τις ἐπισκοπὴ ἔσται αὐτῶν, ἐπεὶ ἀπεχθῶς προσεδέχοντο τοὺς ἀλλοτρίους·
16Maar dezen namen hen eerst met vreugde op, En gaven hun dezelfde rechten, Doch verdrukten hen later met slavenwerk.
16οἱ δὲ μετὰ ἑορτασμάτων εἰσδεξάμενοι τοὺς ἤδη τῶν αὐτῶν μετεσχηκότας δικαίων, δεινοῖς ἐκάκωσαν πόνοις.
17Daarom werden ook zij als met blindheid geslagen, Zoals die anderen aan de deur van den rechtvaardige, Toen ieder, in dichte duisternis gehuld, De toegang zocht naar zijn eigen deur.
17ἐπλήγησαν δὲ καὶ ἀορασίᾳ, ὥσπερ ἐκεῖνοι ἐπὶ ταῖς τοῦ δικαίου θύραις, ὅτε ἀχανεῖ περιβληθέντες σκότει, ἕκαστος τῶν αὐτοῦ θυρῶν τὴν δίοδον ἐζήτει.
18Zo toonden de elementen zich telkens weer anders, Zoals bij een citer de tonen de aard van het rythme veranderen, Al behouden zij altijd dezelfde klank; Uit de feiten kan men dat duidelijk zien.
18δι᾿ ἑαυτῶν γὰρ τὰ στοιχεῖα μεθαρμοζόμενα, ὥσπερ ἐν ψαλτηρίῳ φθόγγοι τοῦ ρυθμοῦ τὸ ὄνομα διαλλάσσουσι, πάντοτε μένοντα ἤχῳ, ὅπερ ἐστὶν εἰκάσαι ἐκ τῆς τῶν γεγονότων ὄψεως ἀκριβῶς.
19Want landdieren werden veranderd in waterdieren, En zwemmende dieren kwamen over het land;
19χερσαῖα γὰρ εἰς ἔνυδρα μετεβάλλετο, καὶ νηκτὰ μετέβαινεν ἐπὶ γῆς·
20Het vuur kreeg in het water nog groter kracht, En het water vergat zijn macht, om te blussen.
20πῦρ ἴσχυεν ἐν ὕδατι τῆς ἰδίας δυνάμεως, καὶ ὕδωρ τῆς σβεστικῆς δυνάμεως ἐπελανθάνετο·
21Daarentegen werd het vlees van tengere dieren Niet verzengd door de vlammen, waarin zij rondliepen, Noch het hemels voedsel gesmolten, Dat makkelijk wegdooit als ijs.
21φλόγες ἀνάπαλιν εὐφθάρτων ζῴων οὐκ ἐμάραναν σάρκας ἐμπεριπατούντων, οὐδὲ τηκτὸν κρυσταλλοειδὲς εὔτηκτον γένος ἀμβροσίας τροφῆς.
22Want Gij, Heer, hebt uw volk In alles groot gemaakt en verheerlijkt; Gij hebt het nimmer verlaten, Maar altijd en overal geholpen!
22Κατὰ πάντα γάρ, Κύριε, ἐμεγάλυνας τὸν λαόν σου καὶ ἐδόξασας καὶ οὐχ ὑπερεῖδες ἐν παντὶ καιρῷ καὶ τόπῳ παριστάμενος.

Tip: use the ← and → keys to turn chapters.