Wijsheid 11
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
Septuagint (Greek Old Testament), second edition
1Zij liet hun ondernemingen slagen Onder leiding van een heilig profeet.
1ΕΥΩΔΩΣΕ τὰ ἔργα αὐτῶν ἐν χειρὶ προφήτου ἁγίου.
2Ze trokken door een onbewoonbare steppe, En richtten hun tenten op in onbegaanbare oorden;
2διώδευσαν ἔρημον ἀοίκητον καὶ ἐν ἀβάτοις ἔπηξαν σκηνάς·
3Ze boden weerstand tegen hun vijanden, En sloegen hun tegenstanders af.
3ἀντέστησαν πολεμίοις καὶ ἠμύναντο ἐχθρούς.
4Als ze dorst hadden, riepen ze tot U; En uit een steile rots ontvingen ze water, En lessing van hun dorst uit harde steen.
4ἐδίψησαν καὶ ἐπεκαλέσαντό σε, καὶ ἐδόθη αὐτοῖς ἐκ πέτρας ἀκροτόμου ὕδωρ καὶ ἴαμα δίψης ἐκ λίθου σκληροῦ.
5Ja, hetzelfde, dat hun vijanden als straf overkwam Werd hùn een zegen in hun nood.
5δι᾿ ὧν γὰρ ἐκολάσθησαν οἱ ἐχθροὶ αὐτῶν, διὰ τούτων αὐτοὶ ἀποροῦντες εὐεργετήθησαν.
6Want terwijl de altijdstromende bron van de Nijl Door walgelijk bloed werd vertroebeld,
6ἀντὶ μὲν πηγῆς ἀεννάου ποταμοῦ αἵματι λυθρώδει ταραχθέντος
7Tot straf voor hun bevel, om de kinderen te doden, Gaaft Gij hùn onverhoopt rijkelijk water.
7εἰς ἔλεγχον νηπιοκτόνου διατάγματος, ἔδωκας αὐτοῖς δαψιλὲς ὕδωρ ἀνελπίστως,
8Maar door hun eigen dorst hebt Gij hun getoond, Hoe Gij hun vijanden eens hadt gestraft;
8δείξας διὰ τοῦ τότε δίψους πῶς τοὺς ὑπεναντίους ἐκόλασας.
9Want door die beproeving, die een liefdevolle terechtwijzing was, Begrepen zij de kwelling der bozen, die in toorn werden gestraft.
9ὅτε γὰρ ἐπειράσθησαν, καί περ ἐν ἐλέει παιδευόμενοι, ἔγνωσαν πῶς ἐν ὀργῇ κρινόμενοι ἀσεβεῖς ἐβασανίζοντο·
10Hen toch hebt Gij als een waarschuwend vader beproefd, Maar de anderen als een streng vorst gericht en gestraft.
10τούτους μὲν γὰρ ὡς πατὴρ νουθετῶν ἐδοκίμασας, ἐκείνους δὲ ὡς ἀπότομος βασιλεὺς καταδικάζων ἐξήτασας.
11Hun kwelling bleef na het vertrek der eersten even groot als tevoren;
11καὶ ἀπόντες δὲ καὶ παρόντες ὁμοίως ἐτρύχοντο·
12Ja, een dubbele smart greep hen aan: Hun zuchten bij de herinnering aan het verleden.
12διπλῆ γὰρ αὐτοὺς ἔλαβε λύπη· καὶ στεναγμὸς μνημῶν τῶν παρελθόντων.
13Toen ze immers vernamen, dat hun eigen plagen Voor de eersten in weldaad verkeerden, erkenden ze de hand des Heren.
13ὅτε γὰρ ἤκουσαν διὰ τῶν ἰδίων κολάσεων εὐεργετουμένους αὐτούς, ᾔσθοντο τοῦ Κυρίου·
14Want dien ze te vondeling hadden gelegd en spottend afgewezen, Moesten ze ten slotte bewondering schenken, Daar ze zelf een heel andere dorst leden dan de rechtvaardigen.
14ὃν γὰρ ἐν ἐκθέσει πάλαι ριφέντα ἀπεῖπον χλευάζοντες, ἐπὶ τέλει τῶν ἐκβάσεων ἐθαύμασαν, οὐχ ὅμοια δικαίοις διψήσαντες.
15Omdat ze, door hun dwaze, goddeloze gedachten misleid, Redeloos gedierte en nietige insecten vereerden, Hebt Gij hun een menigte redeloze dieren gezonden als straf,
15ἀντὶ δὲ λογισμῶν ἀσυνέτων ἀδικίας αὐτῶν, ἐν οἷς πλανηθέντες ἐθρήσκευον ἄλογα ἑρπετὰ καὶ κνώδαλα εὐτελῆ, ἐπαπέστειλας αὐτοῖς πλῆθος ἀλόγων ζώων εἰς ἐκδίκησιν,
16Om hun te leren, dat men gestraft wordt in hetgeen men misdoet.
16ἵνα γνῶσιν ὅτι δι᾿ ὧν τις ἁμαρτάνει, διὰ τούτων κολάζεται.
17Want het was niet moeilijk geweest voor uw almachtige hand, Die toch de aarde gemaakt heeft uit vormloze stof, Hun een menigte beren te zenden of grimmige leeuwen,
17οὐ γὰρ ἠπόρει ἡ παντοδύναμός σου χεὶρ καὶ κτίσασα τὸν κόσμον ἐξ ἀμόρφου ὕλης ἐπιπέμψαι αὐτοῖς πλῆθος ἄρκων ἢ θρασεῖς λέοντας
18Of nieuw-geschapen, ongekende, woedende beesten. Beesten, die gloeiende adem uitsnuiven of sissende wolken rook, Of die vreselijke vonken uit de ogen schieten;
18ἢ νεοκτίστους θυμοῦ πλήρεις θῆρας ἀγνώστους ἤτοι πυρπνόον φυσῶντας ἆσθμα ἢ βρόμους λικμωμένους καπνοῦ ἢ δεινοὺς ἀπ᾿ ὀμμάτων σπινθῆρας ἀστράπτοντας,
19Die niet slechts door hun geweld hen hadden kunnen verdelgen, Maar wier aanblik alleen hen van schrik had doen sterven.
19ὧν οὐ μόνον ἡ βλάβη ἠδύνατο συνεκτρῖψαι αὐτούς, ἀλλὰ καὶ ἡ ὄψις ἐκφοβήσασα διολέσαι.
20Ook zonder dat hadden ze door één windstoot kunnen vallen, Door uw wraakgericht achtervolgd, En voortgejaagd door uw machtige adem; Maar Gij hebt alles geordend naar maat, getal en gewicht.
20καὶ χωρὶς δὲ τούτων, ἑνὶ πνεύματι πεσεῖν ἐδύναντο ὑπὸ τῆς δίκης διωχθέντες καὶ λικμηθέντες ὑπὸ πνεύματος δυνάμεώς σου· ἀλλὰ πάντα μέτρῳ καὶ ἀριθμῷ καὶ σταθμῷ διέταξας.
21Zeker, Gij kunt overal uw grote macht ontplooien; Wie zou er kunnen weerstaan aan de kracht van uw arm?
21τὸ γὰρ μεγάλως ἰσχύειν πάρεστί σοι πάντοτε, καὶ κράτει βραχίονός σου τίς ἀντιστήσεται;
22Want heel de aarde is voor U als een stofje op de weegschaal, Als een dauwdruppel, die 's morgens neervalt op het land.
22ὅτι ὡς ροπὴ ἐκ πλαστίγγων ὅλος ὁ κόσμος ἐναντίον σου καὶ ὡς ρανὶς δρόσου ὀρθρινὴ κατελθοῦσα ἐπὶ γῆν.
23Maar Gij ontfermt U over allen, omdat Gij alles vermoogt; Gij let niet op de zonden der mensen, opdat zij zich bekeren.
23ἐλεεῖς δὲ πάντας, ὅτι πάντα δύνασαι, καὶ παρορᾷς ἁμαρτήματα ἀνθρώπων εἰς μετάνοιαν.
24Want Gij omsluit in uw liefde alles wat er bestaat, En verafschuwt niets van wat Gij gemaakt hebt. Ja, als Gij iets haat, hadt Gij het niet geschapen.
24ἀγαπᾷς γὰρ τὰ ὄντα πάντα καὶ οὐδὲν βδελύσσῃ, ὧν ἐποίησας· οὐδὲ γὰρ ἂν μισῶν τι κατεσκεύασας.
25Hoe zou iets kunnen bestaan, als Gij het niet wilt; Of iets kunnen standhouden, als Gij het niet roept?
25πῶς δὲ ἔμεινεν ἄν τι, εἰ μὴ σὺ ἠθέλησας ἢ τὸ μὴ κληθὲν ὑπὸ σοῦ διετηρήθη;
26Maar Gij spaart alles, omdat het van U is, Gij, minnaar van al wat leeft, o Heer!
26φείδῃ δὲ πάντων, ὅτι σά ἐστι, δέσποτα φιλόψυχε.
Tip: use the ← and → keys to turn chapters.