Wijsheid 11
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
Clementine Vulgate, 1598
1Zij liet hun ondernemingen slagen Onder leiding van een heilig profeet.
1[Direxit opera eorum in manibus prophetæ sancti.
2Ze trokken door een onbewoonbare steppe, En richtten hun tenten op in onbegaanbare oorden;
2Iter fecerunt per deserta quæ non habitabantur, et in locis desertis fixerunt casas.
3Ze boden weerstand tegen hun vijanden, En sloegen hun tegenstanders af.
3Steterunt contra hostes, et de inimicis se vindicaverunt.
4Als ze dorst hadden, riepen ze tot U; En uit een steile rots ontvingen ze water, En lessing van hun dorst uit harde steen.
4Sitierunt, et invocaverunt te, et data est illis aqua de petra altissima, et requies sitis de lapide duro.]
5Ja, hetzelfde, dat hun vijanden als straf overkwam Werd hùn een zegen in hun nood.
5[Per quæ enim pœnas passi sunt inimici illorum a defectione potus sui, et in eis cum abundarent filii Israël lætati sunt:
6Want terwijl de altijdstromende bron van de Nijl Door walgelijk bloed werd vertroebeld,
6per hæc, cum illis deessent, bene cum illis actum est.
7Tot straf voor hun bevel, om de kinderen te doden, Gaaft Gij hùn onverhoopt rijkelijk water.
7Nam pro fonte quidem sempiterni fluminis, humanum sanguinem dedisti injustis.
8Maar door hun eigen dorst hebt Gij hun getoond, Hoe Gij hun vijanden eens hadt gestraft;
8Qui cum minuerentur in traductione infantium occisorum, dedisti illis abundantem aquam insperate,
9Want door die beproeving, die een liefdevolle terechtwijzing was, Begrepen zij de kwelling der bozen, die in toorn werden gestraft.
9ostendens per sitim quæ tunc fuit, quemadmodum tuos exaltares, et adversarios illorum necares.
10Hen toch hebt Gij als een waarschuwend vader beproefd, Maar de anderen als een streng vorst gericht en gestraft.
10Cum enim tentati sunt, et quidem cum misericordia disciplinam accipientes, scierunt quemadmodum cum ira judicati impii tormenta paterentur.
11Hun kwelling bleef na het vertrek der eersten even groot als tevoren;
11Hos quidem tamquam pater monens probasti; illos autem tamquam durus rex interrogans condemnasti.
12Ja, een dubbele smart greep hen aan: Hun zuchten bij de herinnering aan het verleden.
12Absentes enim, et præsentes, similiter torquebantur.
13Toen ze immers vernamen, dat hun eigen plagen Voor de eersten in weldaad verkeerden, erkenden ze de hand des Heren.
13Duplex enim illos acceperat tædium et gemitus, cum memoria præteritorum.
14Want dien ze te vondeling hadden gelegd en spottend afgewezen, Moesten ze ten slotte bewondering schenken, Daar ze zelf een heel andere dorst leden dan de rechtvaardigen.
14Cum enim audirent per sua tormenta bene secum agi, commemorati sunt Dominum, admirantes in finem exitus.
15Omdat ze, door hun dwaze, goddeloze gedachten misleid, Redeloos gedierte en nietige insecten vereerden, Hebt Gij hun een menigte redeloze dieren gezonden als straf,
15Quem enim in expositione prava projectum deriserunt, in finem eventus mirati sunt, non similiter justis sitientes.
16Om hun te leren, dat men gestraft wordt in hetgeen men misdoet.
16Pro cogitationibus autem insensatis iniquitatis illorum, quod quidam errantes colebant mutos serpentes et bestias supervacuas, immisisti illis multitudinem mutorum animalium in vindictam;
17Want het was niet moeilijk geweest voor uw almachtige hand, Die toch de aarde gemaakt heeft uit vormloze stof, Hun een menigte beren te zenden of grimmige leeuwen,
17ut scirent quia per quæ peccat quis, per hæc et torquetur.
18Of nieuw-geschapen, ongekende, woedende beesten. Beesten, die gloeiende adem uitsnuiven of sissende wolken rook, Of die vreselijke vonken uit de ogen schieten;
18Non enim impossibilis erat omnipotens manus tua, quæ creavit orbem terrarum ex materia invisa, immittere illis multitudinem ursorum, aut audaces leones,
19Die niet slechts door hun geweld hen hadden kunnen verdelgen, Maar wier aanblik alleen hen van schrik had doen sterven.
19aut novi generis ira plenas ignotas bestias, aut vaporem ignium spirantes, aut fumi odorem proferentes, aut horrendas ab oculis scintillas emittentes;
20Ook zonder dat hadden ze door één windstoot kunnen vallen, Door uw wraakgericht achtervolgd, En voortgejaagd door uw machtige adem; Maar Gij hebt alles geordend naar maat, getal en gewicht.
20quarum non solum læsura poterat illos exterminare, sed et aspectus per timorem occidere.
21Zeker, Gij kunt overal uw grote macht ontplooien; Wie zou er kunnen weerstaan aan de kracht van uw arm?
21Sed et sine his uno spiritu poterant occidi, persecutionem passi ab ipsis factis suis, et dispersi per spiritum virtutis tuæ: sed omnia in mensura, et numero et pondere disposuisti.
22Want heel de aarde is voor U als een stofje op de weegschaal, Als een dauwdruppel, die 's morgens neervalt op het land.
22Multum enim valere, tibi soli supererat semper: et virtuti brachii tui quis resistet?
23Maar Gij ontfermt U over allen, omdat Gij alles vermoogt; Gij let niet op de zonden der mensen, opdat zij zich bekeren.
23Quoniam tamquam momentum stateræ, sic est ante te orbis terrarum, et tamquam gutta roris antelucani quæ descendit in terram.
24Want Gij omsluit in uw liefde alles wat er bestaat, En verafschuwt niets van wat Gij gemaakt hebt. Ja, als Gij iets haat, hadt Gij het niet geschapen.
24Sed misereris omnium, quia omnia potes; et dissimulas peccata hominum, propter pœnitentiam.
25Hoe zou iets kunnen bestaan, als Gij het niet wilt; Of iets kunnen standhouden, als Gij het niet roept?
25Diligis enim omnia quæ sunt, et nihil odisti eorum quæ fecisti; nec enim odiens aliquid constituisti aut fecisti.
26Maar Gij spaart alles, omdat het van U is, Gij, minnaar van al wat leeft, o Heer!
26Quomodo autem posset aliquid permanere, nisi tu voluisses? aut quod a te vocatum non esset conservaretur?
no verse 27 in this text
27Parcis autem omnibus, quoniam tua sunt, Domine, qui amas animas.]
Tip: use the ← and → keys to turn chapters.