Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
King James Version with Apocrypha
1Weer een ander, die een zeereis begint, En de wilde golven gaat doorklieven, Roept een hout aan, dat veel brozer is Dan het vaartuig, dat hem draagt.
1Again, one preparing himself to sail, and about to pass through the raging waves, calleth upon a piece of wood more rotten than the vessel that carrieth him.
2Want hieraan werd door winzucht de nodige zorg besteed, En met vakkundig inzicht werd het gebouwd.
2For verily desire of gain devised that, and the workman built it by his skill.
3En het is uw Voorzienigheid, o Vader, die het bestuurt; Want Gij baant ook op zee een weg, Een veilig pad te midden der golven.
3But thy providence, O Father, governeth it: for thou hast made a way in the sea, and a safe path in the waves;
4Gij toont daardoor, dat Gij in staat zijt, uit alles te redden, Zodat men ook zonder stuurmanskunst zee zou durven kiezen.
4Shewing that thou canst save from all danger: yea, though a man went to sea without art.
5Maar daar Gij de werken uwer wijsheid niet onbenut wilt laten, Vertrouwen de mensen hun leven toe aan een klein stuk hout, En varen op een scheepje behouden door de branding.
5Nevertheless thou wouldest not that the works of thy wisdom should be idle, and therefore do men commit their lives to a small piece of wood, and passing the rough sea in a weak vessel are saved.
6Ook in de oude tijd, bij de ondergang der trotse reuzen, Ontkwam de hoop der wereld op een schip; En door uw hand bestuurd, bewaarde hij voor de wereld Het zaad voor een nageslacht.
6For in the old time also, when the proud giants perished, the hope of the world governed by thy hand escaped in a weak vessel, and left to all ages a seed of generation.
7Want gezegend is het hout, dat tot gerechtigheid dient.
7For blessed is the wood whereby righteousness cometh.
8Maar vervloekt het beeld, door mensenhand gemaakt, tegelijk met zijn maker: Deze, omdat hij het heeft gemaakt; Het vergankelijk beeld, omdat het god wordt genoemd.
8But that which is made with hands is cursed, as well it, as he that made it: he, because he made it; and it, because, being corruptible, it was called god.
9Want de goddeloze is bij God gehaat met zijn goddeloos werk;
9For the ungodly and his ungodliness are both alike hateful unto God.
10En het maaksel wordt gestraft tegelijk met hem, die het maakte.
10For that which is made shall be punished together with him that made it.
11Ja, ook over de beelden der heidenen komt het gericht, Omdat zij een gruwel werden onder de schepselen Gods, Een ergernis voor de zielen der mensen, En een valstrik voor de voeten der dwazen.
11Therefore even upon the idols of the Gentiles shall there be a visitation: because in the creature of God they are become an abomination, and stumblingblocks to the souls of men, and a snare to the feet of the unwise.
12Want de gedachte aan beelden was het begin van de afval, Het uitvinden ervan werd het bederf des levens.
12For the devising of idols was the beginning of spiritual fornication, and the invention of them the corruption of life.
13Ze bestonden niet van de aanvang af, En zullen niet eeuwig blijven;
13For neither were they from the beginning, neither shall they be for ever.
14Want door de ijdele waan der mensen kwamen ze in de wereld, En daarom is hun een spoedig einde beschoren.
14For by the vain glory of men they entered into the world, and therefore shall they come shortly to an end.
15Een vader toch, verteerd door onverwachte smart, Maakte een beeld van zijn kind, te vroeg hem ontrukt; Die als mens was gestorven, vereerde hij nu als god, En stelde voor zijn ondergeschikten een plechtige eredienst in.
15For a father afflicted with untimely mourning, when he hath made an image of his child soon taken away, now honoured him as a god, which was then a dead man, and delivered to those that were under him ceremonies and sacrifices.
16Toen die slechte gewoonte zich mettertijd had verbreid,
16Thus in process of time an ungodly custom grown strong was kept as a law, and graven images were worshipped by the commandments of kings.
17Gold zij als wet, en vereerde men beelden op bevel der vorsten. Want als men om de verre afstand henzelf niet kon vereren, Maakte men zich uit de verte een voorstelling van hun gestalte. Men vervaardigde een prachtig beeld van den gevierden koning, Om met alle ijver den afwezige te vleien, als was hij er bij;
17Whom men could not honour in presence, because they dwelt far off, they took the counterfeit of his visage from far, and made an express image of a king whom they honoured, to the end that by this their forwardness they might flatter him that was absent, as if he were present.
18En de eerzucht van den kunstenaar bewoog zelfs wie den koning niet kenden. Om diens verering nog te vergroten.
18Also the singular diligence of the artificer did help to set forward the ignorant to more superstition.
19Want om den vorst te behagen, gaf hij zich alle moeite, Om door zijn kunst het beeld zo schoon mogelijk te maken;
19For he, peradventure willing to please one in authority, forced all his skill to make the resemblance of the best fashion.
20En het volk, misleid door de schoonheid van het werk, Aanbad, dien men te voren als mens eerde, voortaan als god.
20And so the multitude, allured by the grace of the work, took him now for a god, which a little before was but honoured.
21En dit is voor de mensen een valstrik geworden: Dat zij door ongeluk gedreven of om vorsten te vleien, Aan hout of steen de Naam gaven, die slechts toekomt aan Eén.
21And this was an occasion to deceive the world: for men, serving either calamity or tyranny, did ascribe unto stones and stocks the incommunicable name.
22Maar, zij dwalen niet alleen in de kennis van God! Neen, terwijl zij door hun onkunde leven in grote strijd, Begroeten zij zulk een ellende nog als vrede.
22Moreover this was not enough for them, that they erred in the knowledge of God; but whereas they lived in the great war of ignorance, those so great plagues called they peace.
23Want zij offeren hun kinderen, vieren verborgen geheimen, Of dolle feestgelagen met vreemde gebruiken,
23For whilst they slew their children in sacrifices, or used secret ceremonies, or made revellings of strange rites;
24En verwaarlozen de reinheid van leven en huwelijk. De een vermoordt den ander of krenkt hem door echtbreuk;
24They kept neither lives nor marriages any longer undefiled: but either one slew another traiterously, or grieved him by adultery.
25Overal heerst zonder onderscheid moord en doodslag, Diefstal, bedrog en verleiding, onbetrouwbaarheid, oproer en meineed;
25So that there reigned in all men without exception blood, manslaughter, theft, and dissimulation, corruption, unfaithfulness, tumults, perjury,
26Vervolging der goeden, ondank voor weldaden, Verpesting der zielen, onkuisheid tegen de natuur, Verwording van het huwelijk, echtbreuk en ontucht.
26Disquieting of good men, forgetfulness of good turns, defiling of souls, changing of kind, disorder in marriages, adultery, and shameless uncleanness.
27Want de verering der verfoeilijke afgoden Is het begin, de oorzaak en het einde van alle kwaad.
27For the worshipping of idols not to be named is the beginning, the cause, and the end, of all evil.
28Ja, zij vieren hun dolle feesten en profeteren leugens, Leven losbandig en doen valse eden zonder wroeging;
28For either they are mad when they be merry, or prophesy lies, or live unjustly, or else lightly forswear themselves.
29Want zij stellen hun vertrouwen op levenloze goden, En verwachten daarom geen straf voor hun meineed.
29For insomuch as their trust is in idols, which have no life; though they swear falsely, yet they look not to be hurt.
30Maar een rechtvaardige straf treft hen voor dit dubbel vergrijp: Dat zij goden vereren, maar kwaad denken van God; En door meineed en bedrog de deugd vertreden.
30Howbeit for both causes shall they be justly punished: both because they thought not well of God, giving heed unto idols, and also unjustly swore in deceit, despising holiness.
31Ja, al bezitten zij, bij wie men zweert, ook geen macht, Toch volgt de straf der zonde steeds op het misdrijf der bozen.
31For it is not the power of them by whom they swear: but it is the just vengeance of sinners, that punisheth always the offence of the ungodly.

Tip: use the ← and → keys to turn chapters.