Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
King James Version with Apocrypha
1Want grote dwazen zijn alle mensen, die God niet kennen: Die niet door de zichtbare goederen heen Hem vermogen te zien, Wel zijn werken aanschouwen, maar den Schepper niet vinden;
1Surely vain are all men by nature, who are ignorant of God, and could not out of the good things that are seen know him that is: neither by considering the works did they acknowledge the workmaster;
2Maar die het vuur of de wind of de vluchtige lucht, Of de kring van de sterren of het geweldige water, Of de luchters des hemels aanzien als goden, die de wereld besturen.
2But deemed either fire, or wind, or the swift air, or the circle of the stars, or the violent water, or the lights of heaven, to be the gods which govern the world.
3Als zij door hun schoonheid bekoord, ze als god beschouwden, Hadden zij moeten begrijpen, dat hun Meester heerlijker is; Want de Maker van alle schoonheid heeft ze geschapen.
3With whose beauty if they being delighted took them to be gods; let them know how much better the Lord of them is: for the first author of beauty hath created them.
4En als hun macht en werking ze in bewondering bracht, Hadden zij moeten inzien, dat hun Schepper veel machtiger is.
4But if they were astonished at their power and virtue, let them understand by them, how much mightier he is that made them.
5Want uit de grootheid en schoonheid der schepselen Kent men door vergelijking den Schepper.
5For by the greatness and beauty of the creatures proportionably the maker of them is seen.
6Toch zijn dezen nog minder te laken: Want zij dwalen wel, maar zoeken toch God en willen Hem vinden;
6But yet for this they are the less to be blamed: for they peradventure err, seeking God, and desirous to find him.
7Zij onderzoeken tenminste zijn werken en vorsen ze na, Maar worden misleid door de schijn van hun uiterlijke pracht.
7For being conversant in his works they search him diligently, and believe their sight: because the things are beautiful that are seen.
8Van de andere kant zijn ook zij niet geheel zonder schuld:
8Howbeit neither are they to be pardoned.
9Want als zij hun kennis zo ver konden brengen, Dat zij in staat waren, het heelal te doorvorsen, Waarom hebben zij dan niet veeleer den Heer van dat alles gevonden?
9For if they were able to know so much, that they could aim at the world; how did they not sooner find out the Lord thereof?
10Maar werkelijk rampzalig zijn zij, die op doden vertrouwen, Doordat zij het werk van mensenhanden beschouwen als god: Goud en zilver, kunstproducten en dierenbeelden, Of waardeloze steen, oudtijds door mensenhanden bewerkt;
10But miserable are they, and in dead things is their hope, who call them gods, which are the works of men’s hands, gold and silver, to shew art in, and resemblances of beasts, or a stone good for nothing, the work of an ancient hand.
11Of een stevige boom, die een houtbewerker omzaagt, En geheel in het rond zorgvuldig van zijn schors ontdoet, Die hij keurig bewerkt en tot een meubel maakt, Dat het gemak des levens kan dienen.
11Now a carpenter that felleth timber, after he hath sawn down a tree meet for the purpose, and taken off all the bark skilfully round about, and hath wrought it handsomely, and made a vessel thereof fit for the service of man’s life;
12Wat er afvalt bij het werk, benut hij om zijn maal te bereiden, En zo zijn buik te vullen.
12And after spending the refuse of his work to dress his meat, hath filled himself;
13Blijft er dan nog wat over, dat nergens voor dient, Een krom stuk hout, met knoesten doorgroeid, Dan gaat hij het bewerken voor tijdverdrijf, En geeft er handig een vorm aan voor zijn ontspanning: Hij geeft het de gedaante van een mens,
13And taking the very refuse among those which served to no use, being a crooked piece of wood, and full of knots, hath carved it diligently, when he had nothing else to do, and formed it by the skill of his understanding, and fashioned it to the image of a man;
14Of de gestalte van een armzalig beest. Dan smeert hij er wat menie op, en kleurt het van buiten rood; En wat voor vlekken het heeft, ze worden met verf bedekt.
14Or made it like some vile beast, laying it over with vermilion, and with paint colouring it red, and covering every spot therein;
15Dan maakt hij er een passend voetstuk onder, En hangt het aan de wand met een spijker vast;
15And when he had made a convenient room for it, set it in a wall, and made it fast with iron:
16Zo zorgt hij er voor, dat het niet kan vallen. Want hij weet wel, dat het zich niet zelf kan redden: Het is maar een beeld, dat hulp behoeft.
16For he provided for it that it might not fall, knowing that it was unable to help itself; for it is an image, and hath need of help:
17Maar als hij voor zijn bezit, voor vrouw en kinderen wil bidden, Schaamt hij zich niet, tot het levenloze ding te gaan spreken: Om gezondheid bidt hij het zwakke,
17Then maketh he prayer for his goods, for his wife and children, and is not ashamed to speak to that which hath no life.
18Om leven vraagt hij het dode; Om bijstand smeekt hij het machteloze, Om een voorspoedige reis, wat geen voet kan verzetten;
18For health he calleth upon that which is weak: for life prayeth to that which is dead; for aid humbly beseecheth that which hath least means to help: and for a good journey he asketh of that which cannot set a foot forward:
19Voor winst en arbeid en succes bij het werk Vraagt hij kracht aan wat zijn eigen hand niet kan roeren.
19And for gaining and getting, and for good success of his hands, asketh ability to do of him, that is most unable to do any thing.

Tip: use the ← and → keys to turn chapters.