Wijsheid 17
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
King James Version with Apocrypha
1Ja, groot zijn uw gerichten, en niet te doorgronden; Daarom vervielen die kortzichtige mensen in dwaling.
1For great are thy judgments, and cannot be expressed: therefore unnurtured souls have erred.
2Want die goddelozen meenden, het heilige volk te verdrukken; Maar in duisternis gebonden, in lange nacht gekluisterd, Lagen ze onder eigen dak gevangen, Verstoken van de eeuwige Voorzienigheid.
2For when unrighteous men thought to oppress the holy nation; they being shut up in their houses, the prisoners of darkness, and fettered with the bonds of a long night, lay there exiled from the eternal providence.
3Want terwijl ze zich verborgen waanden met hun heimelijke zonden. Onder een donkere sluier van vergetelheid, Werden ze uiteengejaagd en hevig beangstigd, Door allerlei schrikbeelden ontsteld;
3For while they supposed to lie hid in their secret sins, they were scattered under a dark veil of forgetfulness, being horribly astonished, and troubled with strange apparitions.
4De schuilhoek, die hen verborg, behoedde hen niet voor vrees, Maar angstige geluiden drongen van alle kant tot hen door, En sombere spoken doemden op met trieste gezichten.
4For neither might the corner that held them keep them from fear: but noises as of waters falling down sounded about them, and sad visions appeared unto them with heavy countenances.
5Geen vuur had kracht genoeg, om licht te geven; Zelfs de sterren met haar helder geflikker Konden die sombere nacht niet verlichten.
5No power of the fire might give them light: neither could the bright flames of the stars endure to lighten that horrible night.
6Slechts een vuur, dat van zelf ontstond, gaf hun af en toe licht; Dan schrokken zij op, maar als dat licht weer verdween, Leek hun, wat zij hadden gezien, nog erger.
6Only there appeared unto them a fire kindled of itself, very dreadful: for being much terrified, they thought the things which they saw to be worse than the sight they saw not.
7Daar lagen nu de listen van hun toverkunst; Het pochen op hun kennis liep uit op schande.
7As for the illusions of art magick, they were put down, and their vaunting in wisdom was reproved with disgrace.
8Want zij, die angst en vrees uit zieken beloofden te bannen, Waren nu zelf ziek van belachelijke angst.
8For they, that promised to drive away terrors and troubles from a sick soul, were sick themselves of fear, worthy to be laughed at.
9Want als er niets angstigs was, dat hen verschrikte, Dan werden ze opgejaagd door het kruipen van wormen Of het sissen van slangen, en stierven van angst, En durfden niet kijken naar de lucht, die men nergens ontloopt.
9For though no terrible thing did fear them; yet being scared with beasts that passed by, and hissing of serpents,
10Want de boosheid toont zich laf en veroordeelt zichzelf; Altijd ducht ze gevaren, door het eigen geweten gekweld.
10They died for fear, denying that they saw the air, which could of no side be avoided.
11Vrees toch is niets anders dan het prijsgeven Van de hulpmiddelen, die het overleg ons kan bieden.
11For wickedness, condemned by her own witness, is very timorous, and being pressed with conscience, always forecasteth grievous things.
12En al is soms inwendig de angst niet zo groot, Men voelt hem erger, als men de oorzaak der kwelling niet kent.
12For fear is nothing else but a betraying of the succours which reason offereth.
13Anderen weer, die in de werkelijk ondragelijke nacht, Welke uit de boezem van de ondragelijke hel was ontglipt, In hun gewone sluimer lagen gedompeld,
13And the expectation from within, being less, counteth the ignorance more than the cause which bringeth the torment.
14Werden ofwel door wonderlijke beelden gepijnigd, Of door vertwijfeling verlamd, Of door een plotselinge en onverwachte angst overvallen.
14But they sleeping the same sleep that night, which was indeed intolerable, and which came upon them out of the bottoms of inevitable hell,
15Zo zonk toen iedereen neer, waar hij was, Gevangen en opgesloten in een kerker zonder boeien.
15Were partly vexed with monstrous apparitions, and partly fainted, their heart failing them: for a sudden fear, and not looked for, came upon them.
16Want of hij landman was of herder, Of werkman, zwoegend in de eenzaamheid: Onverhoeds werd hij door de onafwendbare ramp overvallen; Door dezelfde boeien van duisternis werden allen gekneveld.
16So then whosoever there fell down was straitly kept, shut up in a prison without iron bars,
17En was het nu het suizen van de wind, Of het zoet gekweel van vogels op lommerrijke takken, Of het bruisen van onstuimig stromend water, Of het donderend geraas van neervallende stenen,
17For whether he were husbandman, or shepherd, or a labourer in the field, he was overtaken, and endured that necessity, which could not be avoided: for they were all bound with one chain of darkness.
18Of het onzichtbare lopen van huppelende dieren, Of het luid gehuil van brullende wilde beesten, Of een echo, die weerkaatste tegen de helling der bergen: Het sloeg ze lam van schrik.
18Whether it were a whistling wind, or a melodious noise of birds among the spreading branches, or a pleasing fall of water running violently,
19Want terwijl heel de wereld straalde in helder licht, En ongestoord zich bezighield met allerlei werk,
19Or a terrible sound of stones cast down, or a running that could not be seen of skipping beasts, or a roaring voice of most savage wild beasts, or a rebounding echo from the hollow mountains; these things made them to swoon for fear.
20Lag over hen alleen een donkere nacht gespreid: Een beeld der duisternis, die hen eens zal opnemen. Toch hadden ze meer last van zichzelf dan van de duisternis.
20For the whole world shined with clear light, and none were hindered in their labour:
no verse 21 in this text
21Over them only was spread an heavy night, an image of that darkness which should afterward receive them: but yet were they unto themselves more grievous than the darkness.
Tip: use the ← and → keys to turn chapters.