Wijsheid 16
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
King James Version with Apocrypha
1Daarom werden zij door zulke dieren naar verdienste gestraft, En door een menigte ongedierte gekweld;
1Therefore by the like were they punished worthily, and by the multitude of beasts tormented.
2Maar in plaats van die straf deedt Gij goed aan uw volk: Toen Gij als ongewone spijs voor hun gretige honger Hun de kwartel als voedsel hebt bezorgd.
2Instead of which punishment, dealing graciously with thine own people, thou preparedst for them meat of a strange taste, even quails to stir up their appetite:
3Want als de anderen begeerden te eten, Moest door de afschuw voor hetgeen op hen neerkwam Zelfs de natuurlijke honger vergaan; Terwijl dezen na een kortstondig gebrek Zelfs een wonderbaar voedsel ontvingen.
3To the end that they, desiring food, might for the ugly sight of the beasts sent among them lothe even that, which they must needs desire; but these, suffering penury for a short space, might be made partakers of a strange taste.
4Voor die verdrukkers moest onvermijdelijk gebrek ontstaan, Maar hùn werd enkel getoond, hoe hun vijanden werden bestraft.
4For it was requisite, that upon them exercising tyranny should come penury, which they could not avoid: but to these it should only be shewed how their enemies were tormented.
5Ja, toen hèn de grimmige woede van dieren overviel, En zij door de beet van kronkelende slangen vergingen, Bleef uw toorn toch niet eindeloos duren.
5For when the horrible fierceness of beasts came upon these, and they perished with the stings of crooked serpents, thy wrath endured not for ever:
6Zij werden ter waarschuwing een tijdlang verschrikt, Maar ontvingen een reddend symbool, Om aan de geboden van uw wet te worden herinnerd.
6But they were troubled for a small season, that they might be admonished, having a sign of salvation, to put them in remembrance of the commandment of thy law.
7Want wie er naar keek, werd niet gered door wat hij zag, Maar door U, den Redder van allen;
7For he that turned himself toward it was not saved by the thing that he saw, but by thee, that art the Saviour of all.
8En daardoor hebt Gij onze vijanden bewezen, Dat Gij het zijt, die uit alle nood bevrijdt.
8And in this thou madest thine enemies confess, that it is thou who deliverest from all evil:
9Want de anderen werden gedood door de beet van sprinkhaan en vlieg, En voor hèn werd geen genezing gevonden, Omdat ze verdiend hadden, zó te worden gestraft.
9For them the bitings of grasshoppers and flies killed, neither was there found any remedy for their life: for they were worthy to be punished by such.
10Maar uw kinderen kon de tand van giftige slangen niet deren; Want uw ontferming kwam tussenbeiden, om hen te genezen.
10But thy sons not the very teeth of venomous dragons overcame: for thy mercy was ever by them, and healed them.
11Al werden zij gestoken, om ze te herinneren aan uw geboden, Toch werden zij terstond weer gered, Opdat zij niet uw geboden geheel en al zouden vergeten, En niet van uw goedheid zouden worden verstoken.
11For they were pricked, that they should remember thy words; and were quickly saved, that not falling into deep forgetfulness, they might be continually mindful of thy goodness.
12Neen, geen kruid was het, geen pleister, die hen genas, Maar uw woord, Heer, dat alles geneest;
12For it was neither herb, nor mollifying plaister, that restored them to health: but thy word, O Lord, which healeth all things.
13Gij toch hebt macht over leven en dood, Gij voert naar de poorten van het dodenrijk af, en brengt weer omhoog.
13For thou hast power of life and death: thou leadest to the gates of hell, and bringest up again.
14Een mens daarentegen kan in zijn boosheid wel doden, Maar de geest, die ontvlood, niet doen keren, En geen buitgemaakte ziel weer bevrijden.
14A man indeed killeth through his malice: and the spirit, when it is gone forth, returneth not; neither the soul received up cometh again.
15Onmogelijk is het, uw hand te ontvluchten!
15But it is not possible to escape thine hand.
16Want de goddelozen, die weigerden, U te erkennen, Werden door de kracht van uw arm getuchtigd, Door hevige regen en hagel en verschrikkelijk onweer vervolgd, Of door het vuur van de bliksem verteerd. Ja, nog wonderlijker: in het alles blussende water Woedde het vuur met ongewone kracht. Ja, de schepping strijdt voor de rechtvaardigen!
16For the ungodly, that denied to know thee, were scourged by the strength of thine arm: with strange rains, hails, and showers, were they persecuted, that they could not avoid, and through fire were they consumed.
no verse 17 in this text
17For, which is most to be wondered at, the fire had more force in the water, that quencheth all things: for the world fighteth for the righteous.
18Want nu eens werd het vuur getemperd, Om het ongedierte niet te verbranden, Dat was losgelaten op de zondaars, Opdat ze heel duidelijk zouden begrijpen, Dat ze door Gods oordeel werden vervolgd;
18For sometime the flame was mitigated, that it might not burn up the beasts that were sent against the ungodly; but themselves might see and perceive that they were persecuted with the judgment of God.
19Dan weer brandde het, midden in water boven zijn kracht, Om de gewassen van het zondige land te vernielen. Uw volk daarentegen hebt Gij met Engelenspijze gevoed,
19And at another time it burneth even in the midst of water above the power of fire, that it might destroy the fruits of an unjust land.
20En zonder moeite toebereid brood uit de hemel gezonden, Dat alle geneugten bood en ieders smaak voldeed.
20Instead whereof thou feddest thine own people with angels’ food, and didst send them from heaven bread prepared without their labour, able to content every man’s delight, and agreeing to every taste.
21Want uw gave openbaarde uw goedheid jegens uw kinderen, Doordat zij de begeerte voldeed van wie ze genoot, En veranderde in wat men verlangde.
21For thy sustenance declared thy sweetness unto thy children, and serving to the appetite of the eater, tempered itself to every man’s liking.
22Sneeuw en ijs weerstonden het vuur en smolten niet, Opdat men zou begrijpen, dat de oogst der vijanden werd verteerd Door het vuur, dat in de hagel vlamde, En in de stortbuien heen en weer flitste;
22But snow and ice endured the fire, and melted not, that they might know that fire burning in the hail, and sparkling in the rain, did destroy the fruits of the enemies.
23Terwijl het van de andere kant zijn eigen kracht vergat, Opdat de rechtvaardigen voedsel zouden hebben.
23But this again did even forget his own strength, that the righteous might be nourished.
24Want de natuur is onderdanig aan U, die haar schiep; Zij spant zich in tot bestraffing der zondaars, Maar matigt zich, om wel te doen aan wie zich verlaten op U.
24For the creature that serveth thee, who art the Maker increaseth his strength against the unrighteous for their punishment, and abateth his strength for the benefit of such as put their trust in thee.
25Daarom heeft zij ook toen zich in alles geplooid, Uw alvoedende gave gediend, zoals de gebruikers het wensten:
25Therefore even then was it altered into all fashions, and was obedient to thy grace, that nourisheth all things, according to the desire of them that had need:
26Opdat uw zonen, die Gij liefhadt, Heer, zouden leren, Dat niet de soorten van vruchten de mensen voeden, Maar dat uw woord onderhoudt, wie op U betrouwt.
26That thy children, O Lord, whom thou lovest, might know, that it is not the growing of fruits that nourisheth man: but that it is thy word, which preserveth them that put their trust in thee.
27Want ofschoon het door het vuur niet kon worden verteerd, Smolt het bij de warmte van een vluchtige zonnestraal weg.
27For that which was not destroyed of the fire, being warmed with a little sunbeam, soon melted away:
28Zo moest men inzien, dat men U vóór zonsopgang moet danken, En vóór de komst van het licht voor U moet verschijnen.
28That it might be known, that we must prevent the sun to give thee thanks, and at the dayspring pray unto thee.
29Want de hoop van ondankbaren smelt als rijp in de winter, Stroomt weg als water, dat nergens toe dient.
29For the hope of the unthankful shall melt away as the winter’s hoar frost, and shall run away as unprofitable water.
Tip: use the ← and → keys to turn chapters.