Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
Bíblia Portuguesa Mundial (Brazilian Portuguese)
1Hoort dan, koningen, en luistert, Geeft acht, gij, die geheel de aarde bestuurt;
1Ouçam, portanto, ó reis, e entendam. Aprendam, vocês que julgam os confins da terra.
2Leent uw oor, gij, die heerst over velen, En groot gaat op het getal uwer onderdanen!
2Prestem atenção, governantes que dominam muitos povos e se orgulham de multidões de nações,
3Want uw macht werd u gegeven door den Heer, En uw heerschappij door den Allerhoogste. Hij zal uw daden nagaan en uw plannen doorvorsen;
3porque seu domínio lhes foi dado pelo Senhor e sua soberania vem do Altíssimo. Ele investigará suas obras e examinará seus planos,
4Want ofschoon gij dienaren van zijn koningschap zijt, Hebt gij niet recht geregeerd, niet de wet onderhouden, En niet gewandeld naar Gods wil.
4porque, sendo administradores de seu reino, vocês não julgaram corretamente, nem guardaram a lei, nem andaram segundo a vontade de Deus.
5Vol verschrikking treedt Hij weldra tegen u op; Want hooggeplaatsten wacht een zeer streng gericht.
5Ele virá contra vocês de modo terrível e repentino, porque um julgamento severo cai sobre os que ocupam posições elevadas.
6De mindere toch verdient vergeving en medelijden, Maar de meerdere wordt des te strenger gestraft.
6Pois o humilde pode ser perdoado por misericórdia, mas os poderosos serão examinados com rigor.
7Ja, Hij, die de Heer is van allen, vreest niemand, Voor geen grootheid is Hij beducht; Want groot en klein heeft Hij geschapen, Hij zorgt op gelijke wijze voor allen:
7O Senhor soberano de todos não se deixará impressionar por ninguém nem demonstrará deferência diante da grandeza, porque foi ele quem fez tanto o pequeno como o grande e cuida igualmente de todos;
8Maar de machtigen wacht eens een streng onderzoek.
8mas sobre os poderosos virá uma investigação rigorosa.
9Tot u dus, vorsten, zijn mijn woorden gericht, Opdat gij wijsheid leert en niet ten val komt.
9Portanto, minhas palavras se dirigem a vocês, ó príncipes, para que aprendam sabedoria e não caiam.
10Want wie het heilige heilig behandelt, wordt heilig, En wie dit geleerd heeft, kan verantwoording geven.
10Pois os que guardaram santamente as coisas santas serão santificados, e os que foram instruídos nelas saberão o que responder em sua defesa.
11Luistert dus gretig naar mijn woorden, Hoort ze verlangend aan; dan wordt gij wijs.
11Portanto, desejem minhas palavras. Anseiem por elas, e vocês, príncipes, serão instruídos.
12Schoon is de wijsheid, nimmer verwelkt zij; Wie haar beminnen, krijgen haar gemakkelijk te zien. Wie haar zoeken, zullen haar vinden;
12A sabedoria é radiante e não perde seu brilho. É facilmente vista pelos que a amam e encontrada pelos que a procuram.
13Zij voorkomt zelfs die wens, en vertoont zich het eerst.
13Ela se antecipa aos que a desejam, dando-se a conhecer.
14Wie vroeg om haar opstaat, behoeft zich niet te vermoeien; Want hij vindt haar zitten voor zijn deur.
14Quem se levanta cedo para procurá-la não terá dificuldade, pois a encontrará sentada à sua porta.
15Naar haar te verlangen is het toppunt van doorzicht, En wie zich geen slaap om haar gunt, is dra zonder zorgen;
15Refletir sobre ela é perfeição do entendimento, e quem vigia por ela logo ficará livre de preocupações;
16Want zelf gaat zij rond en zoekt, wie haar waard zijn, Vertoont zich vriendelijk aan hen op hun wegen, En treedt hun tegemoet bij iedere gedachte.
16porque ela mesma percorre os caminhos procurando os que são dignos dela, aparece-lhes bondosamente em seus caminhos e vai ao encontro deles em cada propósito.
17Want haar aanvang is oprecht verlangen naar tucht,
17Pois o verdadeiro princípio da sabedoria é o desejo de instrução, e o desejo de instrução é amor.
18En verlangen naar tucht is liefde; Liefde is het onderhouden van haar geboden, Het onderhouden der geboden onderpand van onsterfelijkheid,
18O amor é a observância de suas leis, e dar atenção às suas leis garante a imortalidade.
19En onsterfelijkheid brengt in de nabijheid van God:
19A imortalidade aproxima a pessoa de Deus.
20Zo voert het verlangen naar wijsheid tot het koningschap!
20Portanto, o desejo da sabedoria conduz ao reino.
21Als dus tronen en schepters u behagen, vorsten der volken, Eert dan de wijsheid, om voor eeuwig koning te zijn.
21Se vocês, príncipes dos povos, têm prazer em tronos e cetros, honrem a sabedoria, para que reinem para sempre.
22Ik wil u verkonden, wat wijsheid is, en hoe zij ontstond; Ik wil u niet haar geheimen verbergen, Maar haar spoor volgen sinds het begin van haar wording; Ik wil haar kennis aan het licht doen treden, En in geen enkel opzicht de waarheid voorbijgaan.
22Agora declararei o que é a sabedoria e como ela veio a existir. Não esconderei de vocês seus mistérios, mas investigarei desde seu princípio, trarei à plena luz o conhecimento dela e não deixarei de lado a verdade.
23Ik wil mij ook niet laten leiden door verterende afgunst, Want die gaat met wijsheid niet samen;
23Não seguirei o caminho da inveja destruidora, porque a inveja não tem comunhão com a sabedoria.
24Maar een groot getal wijzen is de redding der wereld, En een verstandig vorst de welvaart van zijn volk.
24Uma multidão de sábios é salvação para o mundo, e um rei entendido traz estabilidade ao seu povo.
25Laat u dus door mijn woorden onderrichten, En gij zult er uw voordeel bij vinden.
25Portanto, deixem-se instruir por minhas palavras, e vocês terão proveito.

Tip: use the ← and → keys to turn chapters.