Wijsheid 18
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
Bíblia Portuguesa Mundial (Brazilian Portuguese)
1Maar voor uw heiligen was het volop licht! En toen de anderen hun stem vernamen, zonder hen zelf te zien, Prezen ze hen gelukkig, ondanks hun lijden van vroeger;
1Para teus santos, porém, havia grande luz. Seus inimigos ouviam-lhes a voz, mas não viam sua forma, e consideravam uma felicidade o fato de eles também terem sofrido;
2Ze waren verheugd, dat men het geleden onrecht niet wreekte, En vroegen vergiffenis voor hun vroegere vijandschap.
2e, porque os santos não lhes faziam mal, embora antes tivessem sido maltratados por eles, davam-lhes graças, e pediam perdão por terem sido seus inimigos.
3Gij gaaft hùn daarentegen een vurige zuil, Als gids voor de onbekende tocht, En als een onschadelijke zon voor de roemvolle reis.
3Por isso lhes deste uma coluna de fogo ardente, para servir de guia numa viagem desconhecida e de sol inofensivo em sua gloriosa peregrinação.
4Want de anderen hadden verdiend, van het licht te worden beroofd, En in duisternis gevangen te blijven, Omdat ze uw kinderen in boeien hadden geklonken, Door wie het onvergankelijk licht van de Wet Aan de wereld moest worden geschonken.
4Os egípcios realmente mereciam ser privados da luz e aprisionados pelas trevas, pois haviam mantido presos teus filhos, por meio dos quais seria dada à humanidade a luz incorruptível da lei.
5Ze hadden besloten, de kinderen der heiligen te doden; Maar één kind werd te vondeling gelegd en gered. Gij hebt hen, tot straf, van een menigte kinderen beroofd, En ze allen tezamen in het bruisende water verdelgd.
5Depois que decidiram matar os bebês dos santos, e uma única criança foi abandonada e salva para denunciá-los, tiraste deles a multidão de seus filhos e destruíste todo o seu exército de uma só vez numa poderosa inundação.
6Aan onze vaderen was die nacht tevoren aangekondigd, Opdat zij wel zouden weten, op welke eed zij hadden vertrouwd, En vol goede moed zouden zijn.
6Nossos antepassados foram avisados de antemão a respeito daquela noite, para que, conhecendo com certeza, se alegrassem nas promessas em que haviam confiado.
7Zo werd de redding van de rechtvaardigen En de ondergang van den vijand door uw volk verwacht.
7Teu povo esperava a salvação dos justos e a destruição dos inimigos.
8Ja, door de straf, die Gij over uw tegenstanders deedt komen, Hebt Gij òns geroepen en verheerlijkt.
8Pois, pelo mesmo meio com que castigaste os adversários, chamando-nos para ti, tu nos glorificaste.
9Want terwijl de heilige kinderen der vromen heimelijk offerden, Stelden zij eensgezind vast als goddelijke wet, Dat de heiligen gelijkelijk geluk en gevaar zouden delen, En hieven zij reeds het loflied der vaderen aan.
9Os santos filhos de homens bons ofereciam sacrifícios em segredo e, de comum acordo, estabeleceram a aliança da lei divina: participariam igualmente das mesmas coisas boas e dos mesmos perigos, enquanto os pais já entoavam os cânticos sagrados de louvor.
10Maar daar klonk als een wanklank het geklaag van den vijand, En weergalmde hun geschrei om het betreurde kind!
10Mas, do lado dos inimigos, ecoou um clamor dissonante e espalhou-se uma voz lamentável chorando pelos filhos.
11Knecht en heer werden getroffen door dezelfde straf, Onderdaan en vorst droegen hetzelfde leed;
11Servo e senhor foram castigados pela mesma sentença justa, e o homem comum sofreu o mesmo que o rei;
12Allen zonder onderscheid, en door een en dezelfde dood, Hadden lijken zonder tal. Ja, de levenden waren niet toereikend, om ze te begraven, Daar het edelste van hun kroost door één slag was verdelgd;
12todos juntos, sob uma única forma de morte, tinham cadáveres sem número. Os vivos nem sequer eram suficientes para sepultá-los, pois, num só instante, sua descendência mais preciosa foi destruída.
13En die om hun toverkunsten bij alles ongelovig waren gebleven, Moesten bij de dood der eerstgeborenen erkennen, Dat dit volk de zoon was van God!
13Embora antes não acreditassem em coisa alguma por causa das feitiçarias, quando seus primogênitos foram destruídos confessaram que aquele povo era composto de filhos de Deus.
14Want terwijl een diepe stilte alles omgaf, En de nacht was voortgeijld tot de helft van zijn baan,
14Enquanto um silêncio tranquilo envolvia todas as coisas e a noite, em seu curso veloz, chegava à metade,
15Sprong uw alvermogend woord van uw koningstroon in de hemel Als een grimmig krijgsman midden in het land van verderf,
15tua palavra todo-poderosa saltou do céu, do trono real, como guerreiro severo, para o meio da terra condenada,
16En droeg als een scherpe degen uw onherroepelijk bevel. Daar stond het; overal verspreidde het de dood, En terwijl het over de aarde schreed, reikte het tot de hemel.
16trazendo como espada afiada teu mandamento irrevogável. Ficou de pé e encheu todas as coisas de morte; tocava o céu e, ao mesmo tempo, estava sobre a terra.
17Toen werden ze plotseling door vreselijke dromen verschrikt; Onverwachte angsten stortten zich over hen uit.
17Então, de repente, aparições em sonhos os perturbaram terrivelmente, e medos inesperados caíram sobre eles.
18Hier viel de een half dood neer, daar de ander, En deed de oorzaak van zijn sterven nog kennen:
18Um caía aqui meio morto, outro ali, revelando a razão pela qual estava morrendo;
19Want de dromen, die hen verschrikten, Hadden het hun gemeld, Opdat ze de dood niet zouden vinden, Zonder te weten, waarom dat onheil hen trof.
19pois os sonhos que os perturbavam os haviam avisado de antemão, para que não morressem sem saber por que eram afligidos.
20Zeker, ook over de gerechten kwam de beproeving des doods, Een slachting onder het volk in de woestijn; Maar toen duurde uw gramschap niet lang.
20A experiência da morte também atingiu os justos, e uma multidão deles foi destruída no deserto, mas a ira não durou muito tempo.
21Want snel sprong een onberispelijk man voor hen in de bres, Met het wapen, aan zijn ambt verbonden: Gebed en verzoenend wierookoffer. Hij weerstond de toorn, maakte een einde aan de plaag, En toonde, dat hij uw dienaar was.
21Pois um homem irrepreensível se apressou em defendê-los, levando as armas próprias de seu ministério: a oração e o sacrifício expiatório do incenso. Ele enfrentou a indignação e pôs fim à calamidade, mostrando que era teu servo.
22Het was niet door lichaamskracht, dat hij de toorn bedwong, Noch door geweld van wapenen; Maar door zijn woord hield hij den bestraffer tegen, Door te herinneren aan de eed en het verbond met de vaderen.
22Ele venceu a ira não pela força do corpo, nem pelo poder das armas, mas por sua palavra subjugou o destruidor, lembrando os juramentos e as alianças feitas com os antepassados.
23Want toen de lijken reeds bij hopen op elkander lagen, Trad hij er tussen, weerde de gramschap af, En versperde haar de weg naar hen, die nog leefden;
23Quando os mortos já caíam amontoados uns sobre os outros, ele se colocou no meio e deteve a ira, interrompendo seu caminho até os vivos.
24Want hij droeg heel de wereld op zijn opperkleed; Op vier rijen stenen stond de roem der vaderen gegrift, En op de diadeem van zijn hoofd uw Majesteit
24Pois o mundo inteiro estava representado em sua longa veste, e as glórias dos antepassados estavam gravadas nas quatro fileiras de pedras preciosas, e tua majestade estava sobre o diadema de sua cabeça.
25Hiervoor week de verdelger terug, hiervoor had hij ontzag; Want de proeve van uw gramschap was reeds genoeg.
25Diante dessas coisas, o destruidor recuou e sentiu medo; bastou apenas experimentar a ira.
Tip: use the ← and → keys to turn chapters.