Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
Bíblia Portuguesa Mundial (Brazilian Portuguese)
1Dan staat de rechtvaardige met groot vertrouwen Tegenover hen, die eens hem verdrukten, En verachtelijk neerzagen op zijn zwoegen.
1Então o justo ficará de pé com grande confiança diante daqueles que o afligiram e desprezaram seus esforços.
2Dezen zullen bij dat gezicht van grote vreze worden bevangen, Geheel ontsteld over dat onverwachte heil;
2Quando o virem, ficarão perturbados por um medo terrível e maravilhados com o prodígio de sua salvação.
3Ze zullen tegen elkander zeggen, met rouw in het hart, En in hun zielsangst zuchten:
3Arrependidos, dirão uns aos outros e, angustiados no espírito, gemerão: “Este é aquele de quem costumávamos zombar e que fazíamos objeto de desprezo.
4Dit is nu de man, dien wij vroeger bespotten Als een toonbeeld van hoon, wij verdwaasden. Wij hebben zijn leven voor waanzin gehouden, En zijn einde voor eerloos;
4Nós, insensatos, considerávamos sua vida uma loucura e seu fim, desonroso.
5Hoe wordt hij nu onder de kinderen Gods geteld, En deelt hij het lot van de heiligen!
5Como ele foi contado entre os filhos de Deus? Como sua porção está entre os santos?
6Wij dwaalden dus af van de weg der waarheid; Het licht van de deugd verlichtte ons niet, En de zon ging niet over ons op.
6Realmente nos desviamos do caminho da verdade. A luz da justiça não brilhou para nós, e o sol não nasceu sobre nós.
7Wij tobden ons af op de wegen van zonde en verderf, Trokken ongebaande woestijnen door, Maar de weg des Heren kenden wij niet!
7Nós nos fartamos dos caminhos da transgressão e da destruição. Percorremos desertos sem trilhas, mas não conhecemos o caminho do Senhor.
8Wat baatte ons dan die overmoed; Wat hebben geld en grootdoen ons gebracht?
8De que nos serviu nossa arrogância? Que bem nos trouxeram a riqueza e a vanglória?
9Het ging alles voorbij als een schaduw, Voorbij als een loos gerucht;
9Todas essas coisas passaram como uma sombra, como um rumor que passa depressa,
10Als een schip, dat de golvende wateren klieft, Zonder dat men een spoor van zijn doortocht kan vinden, Of een pad van zijn kiel in de baren.
10como um navio que atravessa águas revoltas: depois que passa, não se encontra vestígio algum nem o rastro de sua quilha nas ondas.
11Of zoals men bij een vogel, die vliegt door de lucht, Geen enkel teken meer vindt van zijn weg: De ijle lucht wordt gezwiept door het slaan van zijn vleugels En gekliefd door de kracht van zijn vlucht; Met klapperende wieken trekt hij er door, Daarna wordt geen spoor van zijn tocht meer gevonden.
11Ou como quando uma ave voa pelo ar: não se encontra sinal algum de sua passagem; o vento leve é golpeado pelo bater de suas penas e rasgado pelo forte impulso das asas em movimento; depois, nenhum sinal de sua passagem permanece.
12Of zoals een pijl, naar het doel geschoten, De lucht doorklieft, die terstond zich weer sluit, Zodat men zijn baan niet kan zien:
12Ou como quando uma flecha é atirada contra um alvo: o ar que ela dividiu se fecha imediatamente, de modo que ninguém sabe por onde ela passou.
13Zó zijn wij geboren en ook weer gestorven, Zonder een spoor te kunnen tonen van deugd; Midden in onze boosheid overviel ons het einde.
13Assim também nós, mal nascemos, deixamos de existir; não tivemos nenhum sinal de virtude para mostrar e fomos completamente consumidos em nossa maldade.”
14Ja, de hoop van den zondaar is als kaf, meegesleurd door de wind, Als het lichte schuim, voortgedreven door de storm, Als rook, door een windvlaag verspreid; Ze vervliegt als de herinnering aan een gast van één dag.
14Pois a esperança do ímpio é como a palha levada pelo vento e como espuma que desaparece diante da tempestade; dispersa-se como fumaça ao vento e passa como a lembrança de um hóspede que fica apenas um dia.
15Maar de rechtvaardigen blijven eeuwig leven; Bij den Heer vinden zij hun loon, De Allerhoogste zorgt voor hen.
15Mas os justos vivem para sempre. Sua recompensa está no Senhor, e o Altíssimo cuida deles.
16Daarom zullen zij het rijk der glorie ontvangen, En een heerlijke kroon uit de hand van den Heer; Want Hij beschermt hen met zijn rechterhand, En beschut hen met zijn arm.
16Por isso receberão da mão do Senhor a coroa da dignidade real e o diadema da beleza, porque ele os protegerá com sua mão direita e os defenderá com seu braço.
17Hij neemt zijn ijverzucht als pantser, En bewapent de schepping om den vijand te straffen;
17Ele tomará seu zelo como armadura completa e fará de toda a criação suas armas para castigar os inimigos.
18Als harnas gordt Hij zijn rechtvaardigheid aan, En zet zijn onfeilbaar oordeel op als helm;
18Vestirá a justiça como couraça e usará como capacete o julgamento imparcial.
19Hij neemt zijn onoverwinlijke heiligheid als schild,
19Tomará a santidade como escudo invencível.
20Scherpt zijn strenge gramschap tot zwaard, En het heelal strijdt met Hem mee tegen de dwazen.
20Afiará sua ira severa como espada, e o universo lutará com ele contra seus inimigos enlouquecidos.
21De welgemikte pijlen van de bliksem schieten neer, Vliegen van de strakgespannen wolkenboog naar hun doel,
21Raios voarão certeiros como flechas e saltarão das nuvens para o alvo, como de um arco bem retesado.
22En grimmige hagelstenen worden uit de slinger geworpen; De wateren der zee storten zich kokend over hen uit, En de stromen bruisen onstuimig aan;
22Pedras de granizo cheias de ira serão lançadas como por uma catapulta. A água do mar se enfurecerá contra eles, e os rios os inundarão impetuosamente.
23De adem van den Almachtige steekt tegen hen op, En jaagt hen uiteen als een orkaan. Zo maakt boosheid de aarde tot een woestenij, En werpt ongerechtigheid de tronen van vorsten omver!
23Um vento poderoso se levantará contra eles e os espalhará como uma tempestade. Assim a transgressão devastará toda a terra, e a prática do mal derrubará os tronos dos governantes.

Tip: use the ← and → keys to turn chapters.