Wijsheid 15
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
Bíblia Portuguesa Mundial (Brazilian Portuguese)
1Maar Gij, onze God, zijt goedertieren en trouw; Lankmoedig en vol ontferming bestuurt Gij het heelal.
1Mas tu, nosso Deus, és bondoso e verdadeiro, paciente e governas todas as coisas com misericórdia.
2Wij zijn van U; zondigen wij ook, wij erkennen uw macht! Maar wij willen niet zondigen, wetende, dat wij U toebehoren!
2Mesmo que pequemos, somos teus, pois conhecemos teu domínio; mas não pecaremos, porque sabemos que fomos contados como pertencentes a ti.
3Want U kennen is volmaakte gerechtigheid, Uw macht beseffen de wortel der onsterfelijkheid.
3Pois conhecer-te é justiça perfeita, e conhecer teu domínio é a raiz da imortalidade.
4Neen, ons heeft geen bedriegelijk uitvindsel van mensen misleid, Noch de nutteloze arbeid van schilders; Geen beeld met bonte kleuren besmeerd,
4Não fomos enganados por nenhum plano perverso dos homens, nem pelo trabalho inútil dos pintores, uma figura manchada de várias cores,
5Dat door zijn aanblik den dwaas verleidt, Om de dode gestalte te minnen van een levenloos beeld.
5cuja visão leva os insensatos à cobiça. Eles desejam a forma sem vida de uma imagem morta.
6Minnaars der boosheid en waard op zo iets te hopen Zijn zij, die ze maken, en die ze liefde en eerbied betonen.
6Amantes do mal e dignos de tais esperanças são os que fazem, desejam e adoram essas coisas.
7Een pottebakker bijvoorbeeld kneedt moeizaam de weke klei, En vormt ten onzen gerieve allerlei vaten. Uit hetzelfde leem vormt hij zonder verschil De vaten, die dienen voor een eerzaam gebruik, Maar ook, die voor iets anders bedoeld zijn; En welke bestemming elk van beide zal vinden, Het is de pottebakker, die het beslist.
7Pois o oleiro, amassando barro macio, molda com esforço cada objeto para nosso uso. Da mesma argila ele faz tanto os vasos destinados a usos puros como os destinados ao contrário, todos da mesma maneira. O próprio oleiro decide para que será usado cada tipo de vaso.
8Met onzalige ijver maakt hij uit dezelfde klei een nietigen god: Hij, die kort geleden zelf uit aarde ontstond, En binnenkort terugkeert naar haar, waaruit hij werd genomen, Als de ziel, die hij te leen kreeg, wordt teruggevorderd.
8E, trabalhando para um fim perverso, molda da mesma argila um deus inútil, ele que pouco antes foi feito da terra e, depois de pouco tempo, voltará à terra de onde foi tirado, quando lhe for exigido devolver a alma que lhe foi emprestada.
9Maar hij denkt er niet aan, dat hij eens zal verdwijnen, En dat hij een kortstondig leven heeft. Neen, hij wil zich met goud- en zilversmeden meten, Bootst den koperslager na, En gaat er nog groot op, dat hij namaak levert.
9Contudo, sua preocupação não é que suas forças venham a falhar nem que sua vida seja curta; ele compete com ourives e prateiros, imita os que trabalham com bronze e considera grande coisa fabricar deuses falsos.
10Zijn hart is enkel as, Nietiger nog dan zand zijn hoop; Zijn leven is nog minder waard dan het leem.
10Seu coração é cinza. Sua esperança vale menos que a terra. Sua vida tem menos honra que o barro,
11Want hij miskent Hem, die hem maakte, Die hem een werkzame geest inblies, En een levende ziel in hem plantte.
11porque ignorou aquele que o moldou, aquele que soprou nele uma alma ativa e lhe inspirou um espírito vital.
12Ja, hij beschouwt ons leven als een spel, Ons bestaan als een winstgevende kermis; Uit alles, zelfs uit het kwaad, meent hij voordeel te moeten trekken.
12Mas ele considerou nossa vida um jogo e nosso tempo de vida uma festa para obter lucro; pois diz que se deve lucrar de qualquer maneira, mesmo por meios perversos.
13Toch weet hij beter nog dan anderen, dat hij zondigt, Als hij uit stof der aarde broze potten en beelden maakt.
13Esse homem, mais do que todos os outros, sabe que peca ao fabricar, de matéria terrena, vasos frágeis e imagens esculpidas.
14Grote dwazen zijn zij allen, erger nog dan een kind, De vijanden van uw volk, die het hebben verdrukt.
14Mas os inimigos de teu povo, que o oprimiram, são os mais insensatos e mais miseráveis do que uma criança,
15Want alle goden der heidenen houden zij voor god, Ofschoon die hun ogen niet kunnen gebruiken, om te zien, Hun neus niet, om lucht in te ademen, Hun oren niet, om te horen, De vingers van hun handen niet, om te tasten, En wier voeten niet in staat zijn, om te gaan.
15porque consideraram deuses todos os ídolos das nações, os quais não têm olhos capazes de ver, nem narinas para respirar, nem ouvidos para ouvir, nem dedos capazes de tocar, e cujos pés são incapazes de andar.
16Want het is een mens, die ze heeft gemaakt; Eén, die zelf de geest in leen kreeg, heeft ze gevormd. Ja, een mens vermag niet eens, een god te maken, aan zich gelijk:
16Pois um homem os fez, e alguém que recebeu emprestado o próprio espírito os moldou; porque nenhum ser humano tem poder para moldar um deus semelhante a si mesmo.
17Zelf sterfelijk, maakt hij met snode handen een levenloos ding; Maar zelf is hij beter, dan dat wat hij aanbidt, Want hij bezit het leven, dat andere niet!
17Sendo mortal, ele produz uma coisa morta com mãos que praticam o mal; ele é melhor do que os objetos que adora, pois ele ao menos viveu, mas eles nunca viveram.
18Zelfs vereren zij de afschuwelijkste beesten, Die door hun domheid nog lager staan dan de anderen,
18Eles adoram até as criaturas mais detestáveis, pois, comparadas quanto à falta de entendimento, são piores que todas as outras;
19Die niet mooi genoeg zijn, om er van te houden, Zoals dat bij het zien van dieren mogelijk is: Maar aan wie Gods lofspraak en zegen zijn ontgaan.
19e nem sequer possuem, entre os outros animais, beleza que as torne desejáveis, mas ficaram excluídas tanto do louvor de Deus como de sua bênção.
Tip: use the ← and → keys to turn chapters.