Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
Bíblia Portuguesa Mundial (Brazilian Portuguese)
1Want ze zeggen tot elkander in valse waan: Ons leven is maar kort en vol verdriet; Geen redmiddel, als het einde van den mens is gekomen; Nooit heeft men van iemand gehoord, die uit het dodenrijk redt.
1Pois eles disseram consigo mesmos, raciocinando de forma errada: “Nossa vida é curta e cheia de tristeza. Não há remédio quando alguém chega ao fim, e nunca se soube de alguém que tenha sido libertado do Hades.
2Ja, bij toeval is het, dat wij ontstonden, En later zal het zijn, als hadden wij nooit bestaan; Want rook is de adem in onze neus, Ons denken een vonk, ontslagen aan ons hart.
2Pois nascemos por mero acaso e depois seremos como se nunca tivéssemos existido, porque o sopro de nossas narinas é fumaça, e a razão é uma centelha acesa pelo pulsar do coração.
3Dooft ze uit, het lichaam vergaat tot stof, En de geest vervliegt als ijle lucht;
3Quando ela se apagar, o corpo se transformará em cinzas, e o espírito se dissipará como o ar leve.
4Onze naam wordt spoedig vergeten, En niemand denkt er meer aan onze werken. Zo snelt ons leven voorbij als een drijvende wolk, En lost zich op als een nevel, Die door de stralen van de zon wordt verdreven, Tot neerslaan gebracht door haar gloed.
4Com o tempo, nosso nome será esquecido. Ninguém se lembrará de nossas obras. Nossa vida passará como o rastro de uma nuvem e se dissipará como a neblina, quando é perseguida pelos raios do sol e vencida por seu calor.
5Ja, ons leven is een vluchtige schaduw, En ons einde kan niet worden herroepen; Want het wordt verzegeld, en niemand keert terug.
5Pois o tempo que nos foi dado é a passagem de uma sombra, e nosso fim não pode ser adiado, porque está firmemente selado, e ninguém o faz voltar.
6Komt dan, laat ons profiteren van het goed, dat wij hebben, En flink van de wereld genieten, zolang wij nog jong zijn;
6“Venham, portanto, aproveitemos as coisas boas que existem. Desfrutemos intensamente da criação enquanto somos jovens.
7Verzadigen wij ons met kostbare wijn en met zalven, Geen lentebloesem mag ons ontgaan!
7Vamos nos fartar de vinho caro e perfumes, e não deixemos passar nenhuma flor da primavera.
8Omkransen wij ons met rozenknoppen, eer ze verwelken,
8Coroemo-nos com botões de rosas antes que murchem.
9Geen hof blijve verstoken van ons pleizier. Overal willen wij de sporen achterlaten van onze vreugd; Want dit is ons deel, en dit komt ons toe.
9Que nenhum de nós deixe de participar de nossa orgulhosa festa. Deixemos por toda parte sinais de nossa alegria, pois esta é a nossa porção e este é o nosso destino.
10Wij willen den armen vrome verdrukken, geen weduwe sparen, Noch het witte haar van den hoogbejaarden grijsaard ontzien.
10Oprimamos o justo pobre. Não poupemos a viúva, nem respeitemos os cabelos brancos do idoso.
11Onze kracht zal de maatstaf zijn van wat recht is; Want het zwakke bewijst zijn eigen nutteloosheid.
11Que nossa força seja a lei da justiça, pois aquilo que é fraco se mostra inútil.
12Wij willen den vrome belagen, want hij is ons tot last, En verzet zich tegen ons doen. Hij beschuldigt ons van wetsovertreding, En verwijt ons, dat wij misdoen tegen de tucht.
12Preparemos uma emboscada para o justo, porque ele nos incomoda, se opõe às nossas obras, censura nossos pecados contra a lei e nos acusa de pecar contra a educação que recebemos.
13Hij beroemt er zich op, kennis van God te bezitten, En noemt zichzelf een kind van den Heer.
13Ele afirma conhecer a Deus e chama a si mesmo de filho do Senhor.
14Hij is ons een aanklacht van onze gezindheid, Reeds zijn aanblik strekt ons tot last;
14Ele se tornou para nós uma censura aos nossos pensamentos.
15Want zijn leven wijkt af van dat der anderen, Zijn wegen zijn geheel verschillend.
15Só de vê-lo já nos incomodamos, porque sua vida é diferente da dos outros e seus caminhos são estranhos.
16Wij gelden voor hem als valse munt, Hij mijdt onze wegen als drek; Het einde der rechtvaardigen prijst hij gelukkig, En trots noemt hij God zijn vader.
16Ele nos considera algo sem valor e evita nossos caminhos como se fossem impuros. Declara feliz o fim dos justos e se gloria de que Deus é seu Pai.
17Wij willen eens zien, of zijn woorden waar zijn, En de proef nemen, hoe het wel met hem afloopt.
17Vejamos se suas palavras são verdadeiras. Ponhamos à prova o que acontecerá no fim de sua vida.
18Want is de rechtvaardige Gods zoon, dan zal Hij hem helpen, En uit de hand van zijn vijanden redden.
18Pois, se o justo é filho de Deus, Deus o sustentará e o livrará das mãos de seus adversários.
19Met smaad en mishandeling zullen wij hem beproeven, Om zijn zachtmoedigheid te zien, zijn geduld te toetsen.
19Vamos prová-lo com insultos e tortura, para descobrirmos sua mansidão e provarmos sua paciência.
20Wij willen hem veroordelen tot een schandelijke dood; Want hij wordt toch gered, zo beweert hij.
20Condenemo-lo a uma morte vergonhosa, pois, segundo suas próprias palavras, ele será protegido.”
21Zo denken ze, maar ze dwalen; Want hun boosheid maakt hen blind;
21Assim raciocinaram e se enganaram, pois sua maldade os cegou.
22Ze hebben geen begrip van Gods geheimen, Verwachten geen loon voor heiligheid, En geloven niet in een kroon voor vlekkeloze zielen.
22Eles não conheceram os mistérios de Deus, nem esperaram a recompensa da santidade, nem perceberam que existe prêmio para as almas irrepreensíveis.
23Toch heeft God den mens geschapen voor onsterfelijkheid, En hem gemaakt als een beeld van zijn Wezen.
23Pois Deus criou o ser humano para a incorruptibilidade e o fez imagem de sua própria eternidade;
24Maar de afgunst van den duivel bracht de dood in de wereld;
24mas, pela inveja do diabo, a morte entrou no mundo, e os que pertencem a ele a experimentam.
25Die hèm toebehoren, zullen hem smaken.
no verse 25 in this text

Tip: use the ← and → keys to turn chapters.