Jesaja 6
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
Freedom Bible (フリーダム・バイブル)
1In het sterfjaar van koning Ozias aanschouwde ik den Heer, gezeten op een hoge en heerlijke troon; de sleep van zijn mantel bedekte heel de tempel.
1ウジヤ王が死んだ年、私は主が高く上げられた王座に座っておられるのを見た。その衣の裾は神殿を満たしていた。
2Serafs stonden om Hem heen, elk met zes vleugels; twee om het gelaat, twee om de voeten te bedekken, en twee om te vliegen.
2主の上にはセラフィムが立っていた。それぞれに六つの翼があり、二つで顔を覆い、二つで足を覆い、二つで飛んでいた。
3En ze riepen elkander toe: “Heilig, heilig, heilig is Jahweh der heirscharen; de hele aarde is vol van zijn glorie!”
3彼らは互いに呼び交わして言った。 「聖なる、聖なる、聖なる、万軍の主。 全地はその栄光に満ちている。」
4Van hun juichen trilden de drempels in hun voegen, en het hele huis stond vol rook.
4呼び交わす者の声によって戸口の敷居が揺れ、神殿は煙で満たされた。
5Ik riep uit: Wee mij, ik ben verloren! Want ik heb met mijn ogen den Koning, Jahweh der heirscharen, aanschouwd, ofschoon ik een mens ben met onreine lippen, en onder een volk met onreine lippen verblijf.
5その時、私は言った。「ああ、私は滅びる。私は唇の汚れた者であり、唇の汚れた民の中に住んでいる。それなのに、私の目は王である万軍の主を見たからだ。」
6Maar één der serafs vloog op mij af; met een gloeiende kool, die hij met een tang van het altaar had genomen,
6すると、セラフィムの一人が私のところへ飛んで来た。その手には、祭壇から火ばさみで取った燃える炭があった。
7raakte hij mijn mond aan, en sprak: Zie, zij heeft uw lippen geraakt; nu is uw schuld verdwenen, uw zonde vergeven.
7彼はそれを私の口に触れさせて言った。「見よ、これがあなたの唇に触れた。あなたの咎は取り去られ、あなたの罪は赦された。」
8Nu hoorde ik de stem van den Heer: Wien zal Ik zenden, en wie zal gaan uit onze naam? Ik zeide: Hier ben ik; zend mij!
8私は主の声を聞いた。「だれを遣わそう。だれがわれわれのために行くのか。」 そこで私は言った。「ここに私がいます。私を遣わしてください。」
9Toen sprak Hij: Ga heen, en zeg aan dit volk: Gij zult altijd weer horen, Maar nimmer verstaan; Scherp zult gij zien, Maar niet inzien.
9主は言われた。「行って、この民にこう告げなさい。 『あなたがたは確かに聞くが、 悟らない。 確かに見るが、 理解しない。』
10Verstomp het hart van dit volk, Verstop zijn oren, verblind zijn ogen: Opdat ze met hun ogen niet zien, Met hun oren niet horen, Met hun hart niet verstaan, Zich niet bekeren noch worden genezen.
10この民の心を鈍くし、 耳を聞こえにくくし、目を閉ざせ。 そうでなければ、彼らは目で見、 耳で聞き、 心で悟り、 立ち返って、癒やされるだろう。」
11Ik zeide: Hoe lang zal dit duren, o Heer? Hij sprak: Tot de steden vernield zijn, En geen bewoners meer hebben; De huizen ontvolkt, Het land verwoest en verlaten;
11そこで私は言った。「主よ、いつまでですか。」 主は答えられた。 「町々が荒れ果てて住む者がなくなり、 家々にも人がいなくなり、 土地がすっかり荒れ果てるまで。
12Tot Jahweh de mensen heeft weggevoerd, Op het land grote eenzaamheid ligt,
12主が人々を遠くへ移し、 国内に見捨てられた場所が多くなるまで。
13En het tiende, dat restte, ook is verdelgd. Maar gelijk een stronk blijft staan, Waar terebint of eik zijn geveld, Zo blijft er een heilig zaad als zijn wortel!
13なお十分の一がそこに残っていても、 それも再び焼き尽くされる。 テレビンの木や樫の木が切り倒されても、 その切り株が残るように、 聖なる種がその切り株である。」
Tip: use the ← and → keys to turn chapters.