Habakuk
Chapter 3

Habakuk

Petrus Canisius Bible, 1…
vs Kulish and Puluj B…
Aa
Text size
Line width
Verse numbers
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
Kulish and Puluj Bible (1905)
1Een gebed van den profeet Habakuk. Op de toon van een klaaglied.
1Молитва пророка Аввакума, до сьпіву:
2Jahweh, ik heb uw boodschap gehoord, Vol ontzag voor uw werk, o Jahweh; Roep het ten leven in het midden der jaren, Openbaar het in het midden der tijden: Wil zelfs in uw gramschap De erbarming gedenken!
2Господи, я почув вість од тебе й злякався. Господи! доверши твоє дїло посеред лїт (нашої недолї), посеред лїт обяви його, спогадай в гнїві про милосердє.
3God trekt op van Teman, De Heilige van het gebergte Paran; Zijn majesteit bedekt de hemel, De aarde is vol van zijn glorie;
3Колись прийшов був Бог від Теману, Сьвятий — від Паран-гори. Покрила небеса величність його й славою сповнив він землю.
4Zijn heerlijkheid glanst als het licht, Zijn kracht gaat schuil in de stralen uit zijn zijde.
4Сяєво її, як сонце, сьвітило; од руки його проміннє, там утаєна його сила.
5Voor hem uit gaat de pest, Het verderf volgt zijn schreden.
5Перед ним ійшла зараза, поза ним — палючий вітер.
6Hij staat overeind, en schudt de aarde dooreen, Ziet toe, en doet de volkeren rillen. De eeuwige bergen splijten vaneen, De oude heuvelen worden geslecht als zijn eeuwige paden.
6Ступив він — земля струсилась; глянув — і затремтїли народи; розпались гори вічні, первовічні узгірря позападались; дороги його — вічні.
7Ik zie de tenten van Koesjan in nood, De zeilen uit het land van Midjan trillen.
7Знаю я, як посумнїли були намети Етіопські, як затремтїли шатри Мадіямські.
8Is uw woede tegen de stromen ontstoken, Jahweh, uw gramschap tegen de zee? Neen, Gij rijdt op uw paarden En wagens, om redding te brengen!
8А хиба ж на ріки не запалав був гнїв твій, Господи, на ріки — досада твоя, а на море — ярость твоя, коли ти, неначе всїв був на конї твої, й на колесницї рятуючі?
9Uw boog is ontbloot, Gij hebt uw koker met pijlen gevuld;
9Ти напяв лука твого, як се клятьбою обіцяв був поколїнням; ти роздїляв води землї.
10De aarde splijt Gij tot rivieren, De bergen zien sidderend naar U op; Een stortvloed van water jaagt voort, De afgrond buldert.
10Вгледївши тебе, затрусились гори водні; води перестали плисти, безодня застогнала голосно й неначе зняла руки свої в гору.
11De zon steekt haar handen omhoog, De maan trekt zich terug in haar woning Voor het licht van uw snorrende pijlen, Voor de bliksemglans van uw speer.
11Сонце й місяць зʼупинились на свойму місцї перед сяєвом лїтаючих стріл твоїх, перед сьвітлом блискаючих списів твоїх.
12In woede doorschrijdt Gij de aarde, In gramschap dorst Gij de volken!
12У гнїві ступав єси по землї, в досадї розтоптував народи.
13Gij rukt uit, om uw volk te verlossen, En uw Gezalfde te redden; Maar Gij slaat het dak van het huis Van den goddeloze te pletter, Legt de grondslagen bloot Tot op de rots.
13Ти виступив на рятунок твого народу, на підмогу помазанникові твойму. Ти сокрушив голову безбожного роду; обнажив його від підошви до верху.
14Gij doorboort met uw lans het hoofd van zijn helden, Die aanstormen, om mij te verstrooien; Die al jubelen, Als hadden ze den ongelukkige in zijn schuilhoek verslonden.
14Ти пробив його ж списами голови гетьманів його, коли вони примчались бурею, щоб мене розбити, й радувались, як той, що надїється, бідолаху в тайному місцї пожерти.
15Met uw paarden betreedt Gij de zee, Onder het bulderen der machtige wateren.
15Ти ж, мов би кіньми своїми, прочинив нам дорогу через море, через безодню вод великих.
16Ik hoor het, en mijn binnenste rilt, Ik verneem het met bevende lippen; Mijn beenderen worden weggevreten, Mijn schreden wankelen, waar ik ga: Zo verbeid ik de dag van ellende, Die aanbreekt voor het volk, dat ons kwelt!
16Почувши-згадавши про се, затрусилось внутро в менї; на вість про се задріжали губи в мене; біль дійшов аж до костей моїх, і захиталось місце підо мною; та менї треба бути спокійним в день нужди, коли наступить на мій нарід грабіжник його.
17Al bloeit dan de vijgeboom niet, En geeft de wijnstok geen vrucht; Al mislukt de oogst van de olijf, En brengt de akker geen spijs; Al zijn de schapen weg uit de kooi, En zijn er geen runderen in de stallen:
17Та хоч би не цьвіла фиґовина, не родив виноградник, і оливина завяла; хоч би нива не дала хлїба, не стало овець в кошарі а товару в стайнях, —
18Toch zal ik mij in Jahweh verheugen, Mij verblijden in den God van mijn heil!
18То я й тодї буду веселий в Господї, й радуватись буду Богом спасення мого.
19Jahweh, de Heer, is mijn kracht, Hij maakt mijn voeten vlug als van hinden, En laat mij de hoogten betreden! Voor muziekbegeleiding; met harpen.
19Бо Господь Бог — моя сила, він дасть менї сугакові ноги й виведе мене на високі гори.

Tip: use the ← and → keys to turn chapters.