Habakuk 3
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
Septuagint (Brenton Greek text, with Apocrypha)
1Een gebed van den profeet Habakuk. Op de toon van een klaaglied.
1ΠΡΟΣΕΥΧ ἈΜΒΑΚΟΥΜ ΤΟΥ ΠΡΟΦΗΤΟΥ, ΜΕΤΑ Ὠ̣ΔΗΣ.
2Jahweh, ik heb uw boodschap gehoord, Vol ontzag voor uw werk, o Jahweh; Roep het ten leven in het midden der jaren, Openbaar het in het midden der tijden: Wil zelfs in uw gramschap De erbarming gedenken!
2Κύριε εἰσακήκοα τὴν ἀκοήν σου, καὶ ἐφοβήθην· κατενόησα τὰ ἔργα σου, καὶ ἐξέστην· ἐν μέσῳ δύο ζώων γνωσθήσῃ, ἐν τῷ ἐγγίζειν τὰ ἔτη ἐπιγνωσθήσῃ· ἐν τῷ παρεῖναι τὸν καιρὸν ἀναδειχθήσῃ· ἐν τῷ ταραχθῆναι τὴν ψυχήν μου, ἐν ὀργῇ ἐλέους μνησθήσῃ.
3God trekt op van Teman, De Heilige van het gebergte Paran; Zijn majesteit bedekt de hemel, De aarde is vol van zijn glorie;
3Ὁ Θεὸς ἐκ Θαιμὰν ἥξει, καὶ ὁ ἅγιος ἐξ ὄρους Φαρὰν κατασκίου δασέος· διάψαλμα· ἐκάλυψεν οὐρανοὺς ἡ ἀρετὴ αὐτοῦ, καὶ αἰνέσεως αὐτοῦ πλήρης ἡ γῆ.
4Zijn heerlijkheid glanst als het licht, Zijn kracht gaat schuil in de stralen uit zijn zijde.
4Καὶ φέγγος αὐτοῦ ὡς φῶς ἔσται· κέρατα ἐν χερσὶν αὐτοῦ, καὶ ἔθετο ἀγάπησιν κραταιὰν ἰσχύος αὐτοῦ.
5Voor hem uit gaat de pest, Het verderf volgt zijn schreden.
5Πρὸ προσώπου αὐτοῦ πορεύσεται λόγος, καὶ ἐξελεύσεται εἰς πεδία· κατὰ πόδας αὐτοῦ
6Hij staat overeind, en schudt de aarde dooreen, Ziet toe, en doet de volkeren rillen. De eeuwige bergen splijten vaneen, De oude heuvelen worden geslecht als zijn eeuwige paden.
6ἔστη, καὶ ἐσαλεύθη ἡ γῆ· ἐπέβλεψε, καὶ διετάκη ἔθνη· διεθρύβη τὰ ὄρη βίᾳ, ἐτάκησαν βουνοὶ αἰώνιοι πορείας αἰωνίας αὐτοῦ.
7Ik zie de tenten van Koesjan in nood, De zeilen uit het land van Midjan trillen.
7Ἀντὶ κόπων εἶδον σκηνώματα Αἰθιόπων, πτοηθήσονται καὶ αἱ σκηναὶ γῆς Μαδιάμ.
8Is uw woede tegen de stromen ontstoken, Jahweh, uw gramschap tegen de zee? Neen, Gij rijdt op uw paarden En wagens, om redding te brengen!
8Μὴ ἐν ποταμοῖς ὠργίσθης Κύριε; ἢ ἐν ποταμοῖς ὁ θυμός σου; ἢ ἐν θαλάσσῃ τὸ ὅρμημά σου; ὅτι ἐπιβήσῃ ἐπὶ τοὺς ἵππους σου, καὶ ἡ ἱππασία σου σωτηρία.
9Uw boog is ontbloot, Gij hebt uw koker met pijlen gevuld;
9Ἐντείνων ἐνέτεινας τόξον σου ἐπὶ σκῆπτρα, λέγει Κύριος· διάψαλμα· ποταμῶν ῥαγήσεται γῆ.
10De aarde splijt Gij tot rivieren, De bergen zien sidderend naar U op; Een stortvloed van water jaagt voort, De afgrond buldert.
10Ὄψονταί σε, καὶ ὠδινήσουσι λαοὶ, σκορπίζων ὕδατα πορείας· ἔδωκεν ἡ ἄβυσσος φωνὴν αὐτῆς, ὕψος φαντασίας αὐτῆς.
11De zon steekt haar handen omhoog, De maan trekt zich terug in haar woning Voor het licht van uw snorrende pijlen, Voor de bliksemglans van uw speer.
11Ἐπῄρθη ὁ ἥλιος, καὶ ἡ σελήνη ἔστη ἐν τῇ τάξει αὐτῆς· εἰς φῶς βολίδες σου πορεύσονται, εἰς φέγγος ἀστραπῆς ὅπλων σου.
12In woede doorschrijdt Gij de aarde, In gramschap dorst Gij de volken!
12Ἐν ἀπειλῇ ὀλιγώσεις γῆν, καὶ ἐν θυμῷ κατάξεις ἔθνη,
13Gij rukt uit, om uw volk te verlossen, En uw Gezalfde te redden; Maar Gij slaat het dak van het huis Van den goddeloze te pletter, Legt de grondslagen bloot Tot op de rots.
13ἐξῆλθες εἰς σωτηρίαν λαοῦ σου, τοῦ σῶσαι τὸν χριστόν σου· βαλεῖς εἰς κεφαλὰς ἀνόμων θάνατον, ἐξήγειρας δεσμοὺς ἕως τραχήλου· διάψαλμα.
14Gij doorboort met uw lans het hoofd van zijn helden, Die aanstormen, om mij te verstrooien; Die al jubelen, Als hadden ze den ongelukkige in zijn schuilhoek verslonden.
14Διέκοψας ἐν ἐκστάσει κεφαλὰς δυναστῶν, σεισθήσονται ἐν αὐτῇ· διανοίξουσι χαλινοὺς αὐτῶν, ὡς ἔσθων πτωχὸς λάθρα.
15Met uw paarden betreedt Gij de zee, Onder het bulderen der machtige wateren.
15Καὶ ἐπιβιβᾷς εἰς θάλασσαν τοὺς ἵππους σου, ταράσσοντας ὕδωρ πολύ.
16Ik hoor het, en mijn binnenste rilt, Ik verneem het met bevende lippen; Mijn beenderen worden weggevreten, Mijn schreden wankelen, waar ik ga: Zo verbeid ik de dag van ellende, Die aanbreekt voor het volk, dat ons kwelt!
16Ἐφυλαξάμην, καὶ ἐπτοήθη ἡ κοιλία μου ἀπὸ φωνῆς προσευχῆς χειλέων μου, καὶ εἰσῆλθε τρόμος εἰς τὰ ὀστᾶ μου, καὶ ὑποκάτωθέν μου ἐταράχθη ἡ ἕξις μου· ἀναπαύσομαι ἐν ἡμέρᾳ θλίψεως, τοῦ ἀναβῆναι εἰς λαὸν παροικίας μου.
17Al bloeit dan de vijgeboom niet, En geeft de wijnstok geen vrucht; Al mislukt de oogst van de olijf, En brengt de akker geen spijs; Al zijn de schapen weg uit de kooi, En zijn er geen runderen in de stallen:
17Διότι συκῆ οὐ καρποφορήσει, καὶ οὐκ ἔσται γεννήματα ἐν ταῖς ἀμπέλοις· ψεύσεται ἔργον ἐλαίας, καὶ τὰ πεδία οὐ ποιήσει βρῶσιν· ἐξέλιπεν ἀπὸ βρώσεως πρόβατα, καὶ οὐχ ὑπάρχουσι βόες ἐπὶ φάτναις·
18Toch zal ik mij in Jahweh verheugen, Mij verblijden in den God van mijn heil!
18ἐγὼ δὲ ἐν τῷ Κυρίῳ ἀγαλλιάσομαι, χαρήσομαι ἐπὶ τῷ Θεῷ τῷ σωτῆρί μου.
19Jahweh, de Heer, is mijn kracht, Hij maakt mijn voeten vlug als van hinden, En laat mij de hoogten betreden! Voor muziekbegeleiding; met harpen.
19Κύριος ὁ Θεὸς δύναμίς μου, καὶ τάξει τοὺς πόδας μου εἰς συντέλειαν· ἐπὶ τὰ ὑψηλὰ ἐπιβιβᾷ με, τοῦ νικῆσαι ἐν τῇ ᾠδῇ αὐτοῦ.
Tip: use the ← and → keys to turn chapters.