2 Makkabeeen 7
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
Douay-Rheims Bible, American Edition (1899)
1Zo gebeurde het ook, dat zeven broers met hun moeder werden gevangen genomen. De koning liet hen met roeden en riemen geselen, om hen te dwingen, het verboden varkensvlees te eten.
1It came to pass also, that seven brethren, together with their mother, were apprehended, and compelled by the king to eat swine’s flesh against the law, for which end they were tormented with whips and scourges.
2Toen sprak een van hen, die als woordvoerder optrad: Wat verlangt ge van ons, en wat wilt ge van ons te weten komen? Wij zijn besloten, liever te sterven, dan de wetten der vaderen te overtreden.
2But one of them, who was the eldest, said thus: What wouldst thou ask, or learn of us? we are ready to die rather than to transgress the laws of God, received from our fathers.
3Hierop ontstak de koning in woede, en gaf bevel, ketels en pannen gloeiend te maken.
3Then the king being angry commanded fryingpans, and brazen caldrons to be made hot: which forthwith being heated,
4Zodra deze gloeiend waren, liet hij hun woordvoerder de tong uitsnijden volgens Skytengebruik, de huid van het hoofd aftrekken, en zijn handen en voeten afhakken, waarbij de overige broers en de moeder moesten toezien.
4He commanded to cut out the tongue of him that had spoken first: and the skin of his head being drawn off, to chop off also the extremities of his hands and feet, the rest of his brethren, and his mother, looking on.
5Toen liet hij hem geheel verminkt, maar nog levend, naar het vuur brengen en in de pan braden. Maar terwijl een zware damp uit de pan opwalmde, wakkerden zij elkander nog aan, om met hun moeder heldhaftig te sterven.
5And when he was now maimed in all parts, he commanded him, being yet alive, to be brought to the Are, and to be fried in the fryingpan: and while he was suffering therein long torments, the rest, together with the mother, exhorted one another to die manfully,
6Ze riepen: God de Heer ziet het, en zal Zich over ons zeker ontfermen, zoals Moses het in zijn straflied duidelijk voorspeld heeft: “En Hij ontfermt Zich over zijn dienaars!,”
6Saying: The Lord God will look upon the truth, and will take pleasure in us, as Moses declared in the profession of the canticle: And In his servants he will take pleasure.
7Toen de eerste op deze wijze de geest had gegeven, bracht men den tweede op de folterplaats. Men stroopte hem de huid met haren en al van het hoofd, en vroeg hem dan, of hij niet liever wilde eten, dan zijn lichaam lid voor lid laten folteren.
7So when the first was dead after this manner, they brought the next to make him a, mocking stock: and when they had pulled off the skin of his head with the hair, they asked him if he would eat, before he were punished throughout the whole body in every limb.
8Hij antwoordde in zijn moedertaal en riep: Neen!
8But he answered in his own language, and said: I will not do it. Wherefore Ire also in the next place, received the torments of the first:
9Daarom onderging ook hij een voor een dezelfde kwellingen als de eerste. En op het laatste ogenblik riep hij nog: Ontaarde booswicht, ge ontneemt ons wel het tijdelijke leven, maar de Koning der wereld zal ons, die voor zijn wetten sterven, opwekken tot de verrijzenis van het eeuwig leven!
9And when he was at the last gasp, he said thus: Thou indeed, O most wicked man, destroyest us out of this present life: but the King of the world will raise us up, who die for his laws, in the resurrection of eternal life.
10Na hem werd de derde gemarteld. Dadelijk, toen men dit van hem eiste, stak hij zijn tong uit, strekte zijn handen moedig naar voren, en sprak onverschrokken:
10After him the third was made a mocking stock, and when he was required, he quickly put forth his tongue, and courageously stretched out his hands:
11Van de Hemel heb ik deze ledematen gekregen, en uit eerbied voor zijn wetten ontzie ik ze niet; maar ik hoop ze van Hem weer terug te krijgen.
11And said with confidence: These have from heaven, but for the laws of God I now despise them: because I hope to receive them again from him.
12Nu stond zelfs de koning met zijn hof verbaasd over de moed van den jongeman, die zich letterlijk niets over de pijnen bekreunde.
12So that the king, and they that were with him, wondered at the young man’s courage, because he esteemed the torments as nothing.
13Toen deze gestorven was, mishandelde en folterde men den vierde op dezelfde wijze.
13And after he was thus dead, they tormented the fourth in the like manner.
14En terwijl hij lag te zieltogen, riep hij nog: Het is een troost, door mensen te worden gedood, als wij van God mogen hopen en verwachten, dat Hij ons weer doet verrijzen. Maar voor u zal er geen verrijzenis ten leven zijn.
14And when he was now ready to die, he spoke thus: It is better, being put to death by men, to look for hope from God, to be raised up again by him: for, as to thee thou shalt have no resurrection unto life.
15Onmiddellijk haalde men nu den vijfde en martelde hem.
15And when they had brought the fifth, they tormented him. But he looking upon the king,
16Deze zag den koning aan, en sprak: Gij hebt macht, om met mensen te doen wat ge wilt, ofschoon ge sterfelijk zijt. Meen echter niet, dat God ons volk heeft verlaten.
16Said: Whereas thou hast power among men, though thou art corruptible, thou dost what thou wilt: but think not that our nation is forsaken by God.
17Heb maar geduld; dan zult ge wel zien, hoe geweldig zijn kracht is, en hoe Hij u en uw kroost zal kastijden.
17But stay patiently a while, and thou shalt see his great power, in what manner he will torment thee and thy seed.
18Daarna bracht men den zesde, die stervend nog sprak: Bedrieg u niet door ijdele waan! Want wij ondergaan dit alles door eigen schuld, en het heeft ons op ontstellende wijze getroffen, omdat wij tegen onzen God hebben gezondigd.
18After him they brought the sixth, and he being ready to die, spoke thus: Be not deceived without cause: for we suffer these things for ourselves, having sinned against our God, and things worthy of admiration are done to us:
19Maar denk niet, dat gij zelf ongestraft blijft; want gij hebt het gewaagd, u tegen God te verzetten.
19But do not think that thou shalt escape unpunished, for that thou attempted to fight against God.
20Maar ook de moeder heeft recht op onze bewondering, en haar nagedachtenis verdient in ere te blijven. Want ofschoon zij op één dag haar zeven zonen zag sterven, hield ze moedig stand, omdat zij op den Heer vertrouwde.
20Now the mother was to be admired above measure, and worthy to be remembered by good men, who beheld seven sons slain in the space of one day, and bore it with a good courage, for the hope that she had in God:
21Met een edele overtuiging had zij ieder van hen in hun moedertaal vermaand; en terwijl zij haar vrouwenhart met mannenmoed staalde, had zij tot hen gesproken:
21And she bravely exhorted every one of them in her own language, being filled with wisdom: and joining a man’s heart to a woman’s thought,
22Ik weet niet, hoe gij in mijn schoot werdt gevormd; want niet ik heb u adem en leven geschonken, of in één van u het groeien geleid.
22She said to them: I know not how you were formed in my womb: for I neither gave you breath, nor soul, nor life, neither did I frame the limbs of every one of you.
23Neen, het was de Schepper der wereld; Hij bewerkt het ontstaan van den mens, zoals Hij van alles de oorsprong bedenkt. Hij zal u dus in zijn barmhartigheid weer adem schenken en leven, nu gij uit eerbied voor zijn wetten uzelf niet ontziet!
23But the Creator of the world, that formed the nativity of man, and that found out the origin of all, he will restore to you again in his mercy, both breath and life, as now you despise yourselves for the sake of his laws.
24Antiochus, die meende, dat zij op hem smaalde, en die haar er van verdacht, dat zij minachtend over hem sprak, trachtte nu den jongsten zoon, den enige, die nog over was, niet alleen met woorden te overtuigen, maar ook onder ede te verzekeren, dat hij hem rijk en gelukkig zou maken, als hij de wetten zijner vaderen wilde verloochenen; hij zou hem zelfs tot zijn vertrouweling maken en hem staatsbetrekkingen geven.
24Now Antiochus, thinking himself despised, and withal despising the voice of the upbraider, when the youngest was yet alive, did not only exhort him by words, but also assured him with an oath, that he would make him a rich and a happy man, and, if he would turn from the laws of his fathers, would take him for a friend, and furnish him with things necessary.
25Maar toen de jongen er in het geheel niet op inging, riep de koning de moeder bij zich, en drong er bij haar op aan, dat zij den jongen voor zijn bestwil zou raden.
25But when the young man was not moved with these things, the king called the mother, and counselled her to deal with the young man to save his life.
26Daar hij lang bij haar aanhield, stemde zij er ten slotte in toe, haar zoon over te halen.
26And when he had exhorted her with many words, she promised that she would counsel her son.
27Zij boog zich nu over hem heen, en sprak hem, trots den wreden tiran, in haar moedertaal toe: Mijn jongen, heb medelijden met mij. Ik heb je negen maanden in mijn schoot gedragen, je drie jaar zelf gevoed en tot op deze leeftijd verzorgd, grootgebracht en verpleegd.
27So bending herself towards him, mocking the cruel tyrant, she said in her own language: My son, have pity upon me, that bore thee nine months my womb, and save thee suck years, and nourished thee, and brought thee up unto this age.
28Ik smeek je, mijn kind, beschouw de hemel en de aarde, met alles wat zij bevatten, en bedenk, dat God dit uit het niet heeft geschapen, en dat ook het mensengeslacht op dezelfde wijze is ontstaan.
28I beseech thee, my son, look upon heaven and earth, and all that is in them: and consider that God made them out of nothing, and mankind also:
29Wees dus niet bang voor dien beul, maar toon, dat ge uw broers waardig zijt; aanvaard de dood, opdat ik je met de broers op de dag van erbarming terug mag krijgen.
29So thou shalt not fear this tormentor, but being made a worthy partner with thy brethren, receive death, that in that mercy I may receive thee again with thy brethren.
30Nauwelijks had zij dit gezegd of de jongen sprak: Waar wacht ge op? Ik gehoorzaam niet aan het bevel van den koning, maar luister naar het gebod van de wet, welke Moses aan onze vaderen heeft gegeven.
30While she was yet speaking these words, the young man said: For whom do you stay? I will not obey the commandment of the king, but the commandment of the law, which was given us by Moses.
31Maar gij, die al deze rampen voor de Hebreën hebt uitgedacht, gij zult de hand van God niet ontvluchten!
31But thou that hast been the author of all mischief against the Hebrews, shalt not escape the hand of God.
32Het is waar, wij lijden om onze zonden;
32For we suffer thus for our sins.
33doch al is de levende God voor korte tijd op ons vertoornd, zodat Hij ons tuchtigt en straft, toch zal Hij zich weer met zijn dienaars verzoenen.
33And though the Lord our God is angry with us a little while for our chastisement and correction: yet he will be reconciled again to his servants.
34Maar gij, ellendigste booswicht onder alle mensen, gij, die u aan zijn dienaars vergrijpt, wees niet vermetel in uw ijdele waan en in uw bedriegelijke hoop.
34But thou, O wicked and of all men most flagitious, be not lifted up without cause with vain hopes, whilst thou art raging against his servants.
35Nog zijt gij het oordeel van den almachtigen en alzienden God niet ontlopen!
35For thou hast not yet escaped the judgment of the almighty God, who beholdeth all things.
36Thans zijn onze broeders volgens Gods belofte, na een kortstondig lijden te hebben verduurd, het eeuwige leven binnen gegaan; maar gij zult bij het oordeel van God de verdiende straf voor uw hoogmoed ontvangen.
36For my brethren, having now undergone a short pain, are under the covenant of eternal life: but thou by the judgment of God shalt receive just punishment for thy pride.
37Evenals mijn broers geef ook ik mijn lichaam en leven uit liefde voor de wetten der vaderen! En ik smeek God, dat Hij het volk weer spoedig genadig mag zijn, dat Hij u door kwelling en pijn tot de bekentenis mag dwingen, dat Hij alleen God is,
37But I, like my brethren, offer up my life and my body for the laws of our fathers: calling upon God to be speedily merciful to our nation, and that thou by torments and stripes mayst confess that he alone is God.
38en dat de toorn van den Allerhoogste, die terecht tegen geheel ons volk is ontbrand, in mij en mijn broeders een einde mag vinden!
38But in me and in my brethren the wrath of the Almighty, which hath justly been brought upon all our nation, shall cease.
39Hierdoor raakte de koning buiten zichzelf van woede, en verbitterd over die smaad, liet hij hem nog erger dan de anderen mishandelen.
39Then the king being incensed with anger, raged against him more cruelly than all the rest, taking it grievously that he was mocked.
40Maar ook hij gaf de geest met een rein geweten en in volle overgave aan God.
40So this man also died undefiled, wholly trusting in the Lord.
41En na haar zonen stierf tenslotte de moeder.
41And last of all after the sons the mother also was consumed.
42Hiermee is, naar wij hopen, genoeg gezegd over de offermaaltijden en de ongehoorde folteringen.
42But now there is enough said of the sacrifices, and of the excessive cruelties.
Tip: use the ← and → keys to turn chapters.