2 Makkabeeen 5
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
Douay-Rheims Bible, American Edition (1899)
1Omstreeks dezelfde tijd ondernam Antiochus zijn tweede veldtocht tegen Egypte.
1At the same time Antiochus prepared for a second journey into Egypt.
2Men zag toen in de gehele stad ongeveer veertig dagen lang een verschijning van ruiters, die in gouden klederen en met lansen gewapend door de lucht trokken.
2And it came to pass that through the whole city of Jerusalem for the space of forty days there were seen horsemen running in the air, in gilded raiment, and armed with spears, like bands of soldiers.
3Men zag het trekken van zwaarden, het in slagorde stellen van ruiterkorpsen, aanvallen en tegenaanvallen aan beide kanten, het bewegen van schilden en speren bij massa' s, het schieten van pijlen, het fonkelen van gouden sieraden en een bonte mengeling van harnassen.
3And horses set in order by ranks, running one against another, with the shakings of shields, and a multitude of men in helmets, with drawn swords, and casting of darts, and glittering of golden armour, and of harnesses of all sorts.
4Allen baden dan ook, dat de verschijning iets goeds mocht voorspellen.
4Wherefore all men prayed that these prodigies might turn to good.
5Intussen verspreidde zich het valse gerucht, dat Antiochus was gestorven. Daarom bracht Jáson minstens duizend man op de been, en viel de stad onverhoeds aan. De soldaten op de muur werden in het nauw gedreven en ten slotte viel de stad, zodat Meneláus in de burcht vluchtte.
5Now when there was gone forth a false rumour, as though Antiochus had been dead, Jason taking with him no fewer than a thousand men, suddenly assaulted the city: and though the citizens ran together to the wall, the city at length was taken, and Menelaus fled into the castle.
6Daarop richtte Jáson een meedogenloze slachting aan onder zijn eigen medeburgers. Hij dacht er niet aan, dat krijgsgeluk over volksgenoten het grootste ongeluk is, maar het leek wel, of hij oorlogsbuit bij vijanden en niet bij volksgenoten behaalde.
6But Jason slew his countrymen without mercy, not considering that prosperity against one’s own kindred is a very great evil, thinking they had been enemies, and not citizens, whom he conquered.
7Toch kreeg hij de macht niet in handen; want zijn plan mislukte schandelijk, en hij moest opnieuw naar het land der Ammonieten vluchten.
7Yet he did not gee the principality, but received confusion at tile end, for the reward of his treachery, and fled again into the country of the Ammonites.
8Het einde van zijn misdadig leven was als volgt. Toen hij door den arabischen vorst Arétas werd gevangen gehouden, wist hij te ontsnappen, en trok van de ene stad naar de andere; maar hij werd door allen vervolgd en gehaat als een afvallige van de wet, en, veracht als de beul van zijn vaderland en volksgenoten, naar Egypte verjaagd. Ten slotte vluchtte hij naar de Spartanen, waar hij op grond van verwantschap bescherming hoopte te vinden.
8At the last having been shut up by Aretas the king of the Arabians, in order for his destruction, flying from city to city, hated by all men, as a forsaker of the laws, and execrable, as an enemy of his country and countrymen, he was thrust out into Egypt:
9Zo stierf hij, die zovelen uit hun vaderland had verbannen, zelf in den vreemde;
9And he that had driven many out of their country, perished in a strange land, going to Lacedemon, as if for kindred sake he should have refuge there:
10en niemand treurde om hem, die zovelen zonder begrafenis ergens had laten neergooien. Hij kreeg in het geheel geen begrafenis en geen graf bij zijn vaderen.
10But he that had cast out many unburied, was himself cast forth both unlamented and unburied, neither having foreign burial, nor being partaker of the sepulchre of his fathers.
11Toen de berichten hiervan den koning bereikten, meende hij, dat Judea in opstand was gekomen. Woedend als een wild dier trok hij dus uit Egypte weg en nam de stad gewapenderhand in.
11Now when these things were done, the king suspected that the Jews would forsake the alliance: whereupon departing out of Egypt with a furious mind, he took the city by force of arms.
12Aan de soldaten gaf hij bevel, allen, die hun in handen vielen, meedogenloos neer te slaan, en iedereen die in huis was gevlucht, om het leven te brengen.
12And commanded the soldiers to kill, and not to spare any that came in their way, and to go up into the houses slay.
13Het werd een afmaken van jong en oud, een vermoorden van mannen, vrouwen en kinderen, een afslachten van meisjes en zuigelingen.
13Thus there was a slaughter of young and old, a destruction of women children, and killing of virgins and infants.
14In de korte tijd van drie dagen gingen er tachtigduizend mensen verloren; veertigduizend vielen door het moordende staal, en een even groot aantal werd als slaven verkocht.
14And there were slain in the space o three whole days fourscore thousand, forty thousand were made prisoners, and as many sold.
15Hiermede nog niet tevreden, waagde hij het, de heiligste tempel van de gehele wereld binnen te gaan, en Meneláus, die de wet en zijn vaderland had verraden, was hierbij zijn gids.
15But this was not enough; he presumed also to enter into the temple, the most holy in all the world, Menelaus, that traitor to the laws, and to his country, being his guide.
16Hij nam de heilige vaten weg met zijn bezoedelde handen, en wat andere koningen tot verheerlijking, roem en eer aan deze plaats hadden geschonken, sleepte hij mee met zijn onreine handen.
16And taking in his wicked hands the holy vessels, which were given by other kings and cities, for the ornament and the glory of the place, he unworthily handled and profaned them.
17In zijn grenzenloze hoogmoed dacht Antiochus er niet aan, dat de Heer om de zonden van de bewoners der stad slechts voor korte tijd was vertoornd, en dat Hij daarom de heilige plaats aan haar lot had overgelaten.
17Thus Antiochus going astray in mind, did not consider that God was angry for a while, because of the sins of the habitants of the city: and therefore contempt had happened to the place:
18Want als de last van vele zonden haar niet had bezwaard, zou hij, toen hij zich naar binnen waagde, onmiddellijk zijn gegeseld en van zijn vermetelheid zijn genezen, zoals het ook Heliodórus was vergaan, dien koning Seleúkus had afgezonden, om een onderzoek naar de tempelschat in te stellen.
18Otherwise had they not been involved in many sins, as Heliodorus, who was sent by king Seleucus to rob treasury, so this man also, as soon as had come, had been forthwith scourged, and put back from his presumption.
19Maar de Heer had het volk niet uitgekozen om de heilige plaats, maar de plaats om het volk.
19But God did not choose the people for the place’s sake, but the place for the people’s sake.
20Daarom moest de heilige plaats in de rampen delen van het volk, zoals ze later ook delen zou in zijn zegeningen. Nu werd ze door de toorn van den Almachtige aan haar lot overgelaten; maar was de grote Heerser eenmaal verzoend, dan zou ze in alle heerlijkheid weer worden hersteld.
20And therefore the place also itself was made partaker of the evils of the people: but afterward shall communicate in the good things thereof, and as it was forsaken in the wrath of almighty God, shall be exalted again with great glory, when the great Lord shall be reconciled.
21Nadat Antiochus zo achttienhonderd talenten uit de tempel had weggeroofd, trok hij in allerijl naar Antiochië. In zijn hoogmoed en grenzenloze ijdelheid waande hij, dat hij het land bevaarbaar en de zee begaanbaar kon maken!
21So when Antiochus had taken away out of the temple a thousand and eight hundred talents, he went back in all haste to Antioch, thinking through pride, that he might now make the land navigable, and the sea passable on foot: such was the haughtiness of his mind.
22Maar hij liet ambtenaren achter, om het volk te kwellen. In Jerusalem was het Filippus, die van afkomst een Frugiër was, doch in zijn optreden een nog groter barbaar dan de man, die hem had aangesteld;
22He left also governors to afflict the people: at Jerusalem, Philip, a Phrygian by birth, but in manners more barbarous than he that set him there:
23op de Gerizzim was het Andrónikus; en als de ergste van allen Meneláus, die zijn medeburgers uit de hoogte behandelde, en de joodse burgers vijandig gezind was.
23And in Gazarim, Andronicus and Menelaus, who bore a more heavy hand upon the citizens than the rest.
24Bovendien zond hij den aartsbooswicht Apollónius met een leger van twee en twintigduizend man er op af, en beval hem, alle volwassenen ter dood te brengen, maar vrouwen en kinderen als slaven te verkopen.
24And whereas he was set against the Jews, he sent that hateful prince Apollonius with an army of two and twenty thousand men, commanding him to kill all that were of perfect age, and to sell the women and the younger sort.
25Deze begaf zich dus naar Jerusalem, maar speelde den vredelievenden man, en hield zich rustig tot aan de heilige sabbat.
25Who when he was come to Jerusalem, pretending peace, rested till the holy day of the sabbath: and then the Jews keeping holiday, he commanded his men to take arms.
26Toen hij zag, dat de Joden rustdag hielden, liet hij zijn manschappen onder de wapenen komen, en allen vermoorden, die kwamen uitgelopen, om dat schouwspel te zien. Daarna drong hij met de wapens in de hand de stad binnen, en doodde een grote menigte mensen.
26And he slew all that were come forth to see: and running through the city with armed men, he destroyed a very great multitude.
27Toen trok Judas de Makkabeër met nog negen anderen naar de woestijn. Evenals het wild leefde hij met zijn mannen in de bergen, en om niet onrein te worden als de anderen, voedden zij zich al die tijd met kruiden.
27But Judas Machabeus, who was the tenth, had withdrawn himself into a desert place, and there lived amongst wild beasts in the mountains with his company: and they continued feeding on herbs, that they might not be partakers of the pollution.
Tip: use the ← and → keys to turn chapters.