Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
Septuagint (Greek Old Testament), second edition
1Omstreeks dezelfde tijd ondernam Antiochus zijn tweede veldtocht tegen Egypte.
1Προκαθίσας γέ τοι μετὰ τῶν συνέδρων ὁ τύραννος Ἀντίοχος ἐπί τινος ὑψηλοῦ τόπου καὶ τῶν στρατευμάτων αὐτῷ ἐνόπλων κυκλόθεν παρεστηκότων, παρεκέλευε τοῖς δορυφόροις
2Men zag toen in de gehele stad ongeveer veertig dagen lang een verschijning van ruiters, die in gouden klederen en met lansen gewapend door de lucht trokken.
2ἕνα ἕκαστον τῶν Ἑβραίων ἐπισπᾶσθαι, καὶ κρεῶν ὑείων καὶ εἰδωλοθύτων ἀναγκάζειν ἀπογεύεσθαι·
3Men zag het trekken van zwaarden, het in slagorde stellen van ruiterkorpsen, aanvallen en tegenaanvallen aan beide kanten, het bewegen van schilden en speren bij massa' s, het schieten van pijlen, het fonkelen van gouden sieraden en een bonte mengeling van harnassen.
3εἰ δέ τινες μὴ θελήσειαν μιαροφαγῆσαι, τούτους τροχισθέντας ἀναιρεθῆναι.
4Allen baden dan ook, dat de verschijning iets goeds mocht voorspellen.
4πολλῶν δὲ συναρπασθέντων εἷς πρῶτος ἐκ τῆς ἀγέλης Ἑβραῖος ὀνόματι Ἐλεάζαρος, τὸ γένος ἱερεύς, τὴν ἐπιστήμην νομικός, καὶ τὴν ἡλικίαν προήκων καὶ πολλοῖς τῶν περὶ τὸν τύραννον διὰ τὴν ἡλικίαν γνώριμος, παρήχθη πλησίον αὐτοῦ.
5Intussen verspreidde zich het valse gerucht, dat Antiochus was gestorven. Daarom bracht Jáson minstens duizend man op de been, en viel de stad onverhoeds aan. De soldaten op de muur werden in het nauw gedreven en ten slotte viel de stad, zodat Meneláus in de burcht vluchtte.
5Καὶ αὐτὸν ἰδὼν ὁ Ἀντίοχος ἔφη·
6Daarop richtte Jáson een meedogenloze slachting aan onder zijn eigen medeburgers. Hij dacht er niet aan, dat krijgsgeluk over volksgenoten het grootste ongeluk is, maar het leek wel, of hij oorlogsbuit bij vijanden en niet bij volksgenoten behaalde.
6ἐγὼ πρὶν ἄρξασθαι τῶν κατὰ σοῦ βασάνων, ὦ πρεσβῦτα, συμβουλεύσαιμ' ἄν σοι ταῦτα, ὅπως ἀπογευσάμενος τῶν ὑείων σώζοιο· αἰδοῦμαι γάρ σου τὴν ἡλικίαν καὶ τὴν πολιάν, ἣν μετὰ τοσοῦτον ἔχων χρόνον οὐ μοι δοκεῖς φιλοσοφεῖν τῇ Ἰουδαίων χρώμενος θρησκείᾳ.
7Toch kreeg hij de macht niet in handen; want zijn plan mislukte schandelijk, en hij moest opnieuw naar het land der Ammonieten vluchten.
7διατί γὰρ τῆς φύσεως κεχαρισμένης καλλίστην τὴν τοῦδε τοῦ ζώου σαρκοφαγίαν βδελύττῃ;
8Het einde van zijn misdadig leven was als volgt. Toen hij door den arabischen vorst Arétas werd gevangen gehouden, wist hij te ontsnappen, en trok van de ene stad naar de andere; maar hij werd door allen vervolgd en gehaat als een afvallige van de wet, en, veracht als de beul van zijn vaderland en volksgenoten, naar Egypte verjaagd. Ten slotte vluchtte hij naar de Spartanen, waar hij op grond van verwantschap bescherming hoopte te vinden.
8καὶ γὰρ ἀνόητον τοῦτο δοκεῖ, τὸ μὴ ἀπολαύειν τῶν χωρὶς ὀνείδους ἡδέων, καὶ ἄδικον ἀποστρέφεσθαι τὰς τῆς φύσεως χάριτας.
9Zo stierf hij, die zovelen uit hun vaderland had verbannen, zelf in den vreemde;
9σὺ δέ μοι καὶ ἀνοητότερον ποιήσειν δοκεῖς, εἰ κενοδοξῶν περὶ τὸ ἀληθὲς ἔτι κἀμοῦ καταφρονήσεις ἐπὶ τῇ ἰδίᾳ τιμωρίᾳ.
10en niemand treurde om hem, die zovelen zonder begrafenis ergens had laten neergooien. Hij kreeg in het geheel geen begrafenis en geen graf bij zijn vaderen.
10οὐκ ἐξυπνώσεις ἀπὸ τῆς φλυάρου φιλοσοφίας ὑμῶν
11Toen de berichten hiervan den koning bereikten, meende hij, dat Judea in opstand was gekomen. Woedend als een wild dier trok hij dus uit Egypte weg en nam de stad gewapenderhand in.
11καὶ ἀποσκεδάσεις τῶν λογισμῶν σου τὸν λῆρον καὶ ἄξιον τῆς ἡλικίας ἀναλαβὼν νοῦν φιλοσοφήσεις τὴν τοῦ συμφέροντος ἀλήθειαν
12Aan de soldaten gaf hij bevel, allen, die hun in handen vielen, meedogenloos neer te slaan, en iedereen die in huis was gevlucht, om het leven te brengen.
12καὶ προσκυνήσας μου τὴν φιλάνθρωπον παρηγορίαν οἰκτειρήσεις τὸ σεαυτοῦ γῆρας;
13Het werd een afmaken van jong en oud, een vermoorden van mannen, vrouwen en kinderen, een afslachten van meisjes en zuigelingen.
13καὶ γὰρ ἐνθυμήθητι, ὡς εἰ καί τίς ἐστι τῆσδε τῆς ὑμῶν θρησκείας ἐποπτικὴ δύναμις, συγγνωμονήσει ἄν σοι ἐπὶ πάσῃ τῇ δι' ἀνάγκην γινομένῃ παρανομίᾳ.
14In de korte tijd van drie dagen gingen er tachtigduizend mensen verloren; veertigduizend vielen door het moordende staal, en een even groot aantal werd als slaven verkocht.
14Τοῦτον τὸν τρόπον ἐπὶ τὴν ἔκθεσμον σαρκοφαγίαν ἐποτρύνοντος τοῦ τυράννου, λόγον ᾔτησεν ὁ Ἐλεάζαρος
15Hiermede nog niet tevreden, waagde hij het, de heiligste tempel van de gehele wereld binnen te gaan, en Meneláus, die de wet en zijn vaderland had verraden, was hierbij zijn gids.
15καὶ λαβὼν τοῦ λέγειν ἐξουσίαν ἤρξατο δημηγορεῖν οὕτως·
16Hij nam de heilige vaten weg met zijn bezoedelde handen, en wat andere koningen tot verheerlijking, roem en eer aan deze plaats hadden geschonken, sleepte hij mee met zijn onreine handen.
16ἡμεῖς, Ἀντίοχε, θείῳ πεπεισμένοι νόμῳ πολιτεύεσθαι οὐδεμίαν ἀνάγκην βιαιοτέραν εἶναι νομίζομεν τῆς πρὸς τὸν νόμον ἡμῶν εὐπειθείας·
17In zijn grenzenloze hoogmoed dacht Antiochus er niet aan, dat de Heer om de zonden van de bewoners der stad slechts voor korte tijd was vertoornd, en dat Hij daarom de heilige plaats aan haar lot had overgelaten.
17διὸ δὴ κατ' οὐδένα τρόπον παρανομεῖν ἀξιοῦμεν.
18Want als de last van vele zonden haar niet had bezwaard, zou hij, toen hij zich naar binnen waagde, onmiddellijk zijn gegeseld en van zijn vermetelheid zijn genezen, zoals het ook Heliodórus was vergaan, dien koning Seleúkus had afgezonden, om een onderzoek naar de tempelschat in te stellen.
18καίτοι εἰ κατὰ ἀλήθειαν μὴ ἦν ὁ νόμος ἡμῶν, ὡς σὺ ὑπολαμβάνεις, θεῖος, (ἄλλως δὲ νομίζομεν αὐτὸν εἶναι θεῖον) οὐδὲ οὕτως ἐξὸν ἡμῖν ἦν τὴν ἐπὶ τῇ εὐσεβείᾳ δόξαν ἀκυρῶσαι.
19Maar de Heer had het volk niet uitgekozen om de heilige plaats, maar de plaats om het volk.
19μὴ μικρὰν οὖν εἶναι νομίσῃς ταύτην, εἰ μιαροφαγήσαιμεν, ἁμαρτίαν·
20Daarom moest de heilige plaats in de rampen delen van het volk, zoals ze later ook delen zou in zijn zegeningen. Nu werd ze door de toorn van den Almachtige aan haar lot overgelaten; maar was de grote Heerser eenmaal verzoend, dan zou ze in alle heerlijkheid weer worden hersteld.
20τὸ γὰρ ἐν μικροῖς καὶ ἐν μεγάλοις παρανομεῖν ἰσοδύναμόν ἐστιν,
21Nadat Antiochus zo achttienhonderd talenten uit de tempel had weggeroofd, trok hij in allerijl naar Antiochië. In zijn hoogmoed en grenzenloze ijdelheid waande hij, dat hij het land bevaarbaar en de zee begaanbaar kon maken!
21δι' ἑκατέρου γὰρ ὡς ὁμοίως ὁ νόμος ὑπερηφανεῖται.
22Maar hij liet ambtenaren achter, om het volk te kwellen. In Jerusalem was het Filippus, die van afkomst een Frugiër was, doch in zijn optreden een nog groter barbaar dan de man, die hem had aangesteld;
22χλευάζεις δὲ ἡμῶν τὴν φιλοσοφίαν, ὥσπερ οὐ μετὰ εὐλογιστίας ἐν αὐτῇ βιούντων·
23op de Gerizzim was het Andrónikus; en als de ergste van allen Meneláus, die zijn medeburgers uit de hoogte behandelde, en de joodse burgers vijandig gezind was.
23σωφροσύνην τε γὰρ ἡμᾶς ἐκδιδάσκει ὥστε πασῶν τῶν ἡδονῶν καὶ ἐπιθυμιῶν κρατεῖν καὶ ἀνδρείαν ἐξασκεῖν, ὥστε πάντα πόνον ἑκουσίως ὑπομένειν
24Bovendien zond hij den aartsbooswicht Apollónius met een leger van twee en twintigduizend man er op af, en beval hem, alle volwassenen ter dood te brengen, maar vrouwen en kinderen als slaven te verkopen.
24καὶ δικαιοσύνην παιδεύει ὥστε διὰ πάντων τῶν ἠθῶν ἰσονομεῖν καὶ εὐσέβειαν ἐκδιδάσκει, ὥστε μόνον τὸν ὄντα Θεὸν σέβειν μεγαλοπρεπῶς.
25Deze begaf zich dus naar Jerusalem, maar speelde den vredelievenden man, en hield zich rustig tot aan de heilige sabbat.
25διὸ οὐ μιαροφαγοῦμεν· πιστεύοντες γὰρ Θεοῦ καθεστάναι τὸν νόμον οἴδαμεν ὅτι κατὰ φύσιν ἡμῖν συμπαθεῖ νομοθετῶν ὁ τοῦ κόσμου κτίστης·
26Toen hij zag, dat de Joden rustdag hielden, liet hij zijn manschappen onder de wapenen komen, en allen vermoorden, die kwamen uitgelopen, om dat schouwspel te zien. Daarna drong hij met de wapens in de hand de stad binnen, en doodde een grote menigte mensen.
26καὶ τὰ μὲν οἰκειωθησόμενα ἡμῶν ταῖς ψυχαῖς ἐπέτρεψεν ἐσθίειν. τὰ δὲ ἐναντιωθησόμενα ἐκώλυσε σαρκοφαγεῖν.
27Toen trok Judas de Makkabeër met nog negen anderen naar de woestijn. Evenals het wild leefde hij met zijn mannen in de bergen, en om niet onrein te worden als de anderen, voedden zij zich al die tijd met kruiden.
27τυραννικὸν δὲ οὐ μόνον ἀναγκάζειν ἡμᾶς παρανομεῖν, ἀλλὰ καὶ ἐσθίειν, ὅπως τῇ ἐχθίστῃ ἡμῶν μιαροφαγίᾳ ταύτῃ ἔτι ἐγγελάσῃς.
no verse 28 in this text
28ἀλλ' οὐ γελάσεις κατ' ἐμοῦ τοῦτον τὸν γέλωτα, οὔτε τοὺς ἱεροὺς τῶν προγόνων περὶ τοῦ φυλάξαι τὸν νόμον ὅρκους οὐ παρήσω,
no verse 29 in this text
29οὐδ' ἂν ἐκκόψειάς μου τὰ ὄμματα καὶ τὰ σπλάγχνα μου τήξειας.
no verse 30 in this text
30οὐχ οὕτως εἰμὶ γέρων ἐγὼ καὶ ἄνανδρος ὥστε μοι διὰ τὴν εὐσέβειαν μὴ νεάζειν τὸν λογισμόν.
no verse 31 in this text
31πρὸς ταῦτα τροχοὺς εὐτρέπιζε καὶ τὸ πῦρ ἐκφύσα σφοδρότερον.
no verse 32 in this text
32οὐχ οὕτως οἰκτείρομαι τὸ ἐμαυτοῦ γῆρας ὥστε με δι' ἐμαυτοῦ τὸν πάτριον καταλῦσαι νόμον.
no verse 33 in this text
33οὐ ψεύσομαί σε, παιδευτὰ νόμε, οὐδὲ φεύξομαί σε οὐδ' ἐξομοῦμαί σε, φίλη ἐγκράτεια,
no verse 34 in this text
34οὐδὲ καταισχυνῶ σε, φιλόσοφε λόγε, οὐδὲ ἐξαρνήσομαί σε, ἱερωσύνη τιμία καὶ νομοθεσίας ἐπιστήμη·
no verse 35 in this text
35οὐδὲ μιανεῖς μου τὸ σεμνὸν γήρως στόμα οὐδὲ νομίμου βίου ἡλικίαν.
no verse 36 in this text
36ἁγνὸν δέ με οἱ πατέρες προσδέξονται μὴ φοβηθέντα σου τὰς μέχρι θανάτου ἀνάγκας.
no verse 37 in this text
37ἀσεβῶν μὲν γὰρ τυραννήσεις, τῶν δὲ ἐμῶν περὶ τῆς εὐσεβείας λογισμῶν οὔτε διὰ λόγων δεσπόσεις οὔτε δι' ἔργων.

Tip: use the ← and → keys to turn chapters.