2 Makkabeeen 13
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
Septuagint (Greek Old Testament), second edition
1In het jaar 149 vernamen de aanhangers van Judas, dat Antiochus Eúpator met een leger tegen Juda oprukte,
1Εἰ δὲ τοίνυν τῶν μέχρι θανάτου πόνων ὑπερεφρόνησαν οἱ ἑπτὰ ἀδελφοί, συνομολογεῖται πανταχόθεν ὅτι αὐτοδέσποτός ἐστι τῶν παθῶν ὁ εὐσεβὴς λογισμός.
2en dat hij vergezeld was van zijn voogd Lúsias, den rijkskanselier. Met hen beiden beschikten ze over een grieks leger van honderd tienduizend man voetvolk, drie en vijftighonderd ruiters, twee en twintig olifanten en driehonderd zeiswagens.
2εἰ γὰρ τοῖς πάθεσι δουλωθέντες ἐμιαροφάγησαν, ἐλέγομεν ἂν τούτοις αὐτοὺς νενικῆσθαι·
3Ook Meneláus had zich bij hen aangesloten en hitste met zijn aanhoudende huichelarij Antiochus nog op. Want het was hem niet om het welzijn van het land te doen, doch hij hoopte, in zijn ambt te worden hersteld.
3νυνὶ δὲ οὐχ οὕτως, ἀλλὰ τῷ ἐπαινουμένῳ παρὰ Θεῷ λογισμῷ περιεγένετο τῶν παθῶν.
4Maar de Koning der koningen wist de toorn van Antiochus tegen den booswicht op te wekken; en toen Lúsias kon aantonen, dat hij de oorzaak was van alle rampen, gaf Antiochus bevel, hem naar Beréa te brengen en hem daar volgens plaatselijk gebruik terecht te stellen.
4ὧν οὐκ ἔστι παριδεῖν τὴν ἡγεμονίαν τῆς διανοίας· ἐπεκράτησαν γὰρ καὶ πάθους καὶ πόνων.
5Hier bevond zich namelijk een vijftig el hoge toren, die gevuld was met gloeiende as en voorzien van een draaibaar toestel, waarmee de slachtoffers van alle kanten in de as konden worden geworpen.
5πῶς οὖν οὐκ ἔστι τούτοις τὴν τῆς εὐλογιστίας παθοκρατορίαν ὁμολογεῖν, οἳ τῶν μὲν διὰ πυρὸς ἀλγηδόνων οὐκ ἐπεστράφησαν;
6Daar werden in aller bijzijn tempelrovers en andere grote misdadigers aan de ondergang prijs gegeven.
6καθάπερ γὰρ προβλῆτες λιμένων πύργοι τὰς τῶν κυμάτων ἀπειλὰς ἀνακόπτοντες γαληνὸν παρέχουσι τοῖς εἰσπλέουσι τὸν ὅρμον,
7Zulk een dood moest de goddeloze Meneláus nu sterven,
7οὕτως ἡ ἑπτάπυργος τῶν νεανίσκων εὐλογιστία τὸν τῆς εὐσεβείας ὀχυρώσασα λιμένα τὴν τῶν παθῶν ἐνίκησεν ἀκολασίαν.
8en hij kreeg terecht geen graf in de aarde; want hij had zoveel misdaden bedreven tegen het altaar, waarvan het vuur en de as heilig zijn, dat hij in de as de dood moest vinden.
8ἱερὸν γὰρ εὐσεβείας στήσαντες χορὸν παρεθάρσυνον ἀλλήλους λέγοντες·
9Intussen rukte de koning in wilde vaart vooruit, met het plan, de Joden nog gruwelijker te mishandelen, dan zijn vader gedaan had.
9ἀδελφικῶς ἀποθάνοιμεν ἀδελφοὶ περὶ τοῦ νόμου· μιμησώμεθα τοὺς τρεῖς τοὺς ἐπὶ τῆς Ἀσσυρίας νεανίσκους, οἳ τῆς ἰσοπάλιδος καμίνου κατεφρόνησαν.
10Judas hoorde het, en spoorde allen aan, om den Heer dag en nacht te smeken, dat Hij hun thans, evenals vroeger, zou bijstaan, omdat er gevaar dreigde, de wet, het vaderland en de heilige tempel te verliezen,
10μὴ δειλανδρήσωμεν πρὸς τὴν τῆς εὐσεβείας ἀπόδειξιν.
11en dat Hij het volk, dat zich eerst sedert korte tijd een weinig hersteld had, toch niet opnieuw door de goddeloze heidenen zou laten overmeesteren.
11καὶ ὁ μέν, θάρρει, ἀδελφέ, ἔλεγεν· ὁ δέ, εὐγενῶς καρτέρησον,
12Ze deden dit allen eensgezind, en op hun knieën liggend, smeekten zij drie dagen lang zonder ophouden en onder wenen en vasten tot den barmhartigen Heer. Maar toen wist Judas hun moed in te spreken, en gaf bevel, zich bereid te houden.
12ὁ δέ, καταμνησθεὶς ἔλεγε· μνήσθητε πόθεν ἐστὲ ἢ τίνος πατρὸς χειρὶ σφαγιασθῆναι διὰ τὴν εὐσέβειαν ὑπέμεινεν Ἰσαάκ.
13In overleg met de oudsten nam hij het besluit, om op te rukken en met de hulp des Heren de strijd uit te vechten, nog eer het leger van den koning Judea was binnengevallen en de stad zou bemachtigen.
13εἷς δὲ ἕκαστος καὶ ἀλλήλους ὁμοῦ πάντες ἐφορῶντες φαιδροὶ καὶ μάλα θαρραλέοι, ἑαυτούς, ἔλεγον, τῷ Θεῷ ἀφιερώσωμεν ἐξ ὅλης τῆς καρδίας τῷ δόντι τὰς ψυχὰς καὶ χρήσωμεν τῇ περὶ τὸν νόμον φυλακῇ τὰ σώματα.
14En terwijl hij de uitslag aan den Schepper der wereld toevertrouwde, spoorde hij zijn mannen aan, moedig tot in de dood voor wet, tempel, stad, vaderland en regering te strijden. Daarna sloeg hij zijn legerkamp bij Modin op,
14μὴ φοβηθῶμεν τὸν δοκοῦντα ἀποκτέννειν τὸ σῶμα·
15en gaf aan zijn soldaten het parool: God overwint! Nu koos hij uit de jongere soldaten de dappersten uit, deed een nachtelijke overval op de koninklijke tent, doodde in het kamp ongeveer tweeduizend man, en wist zelfs den grootsten olifant met zijn drijver te vellen.
15μέγας γὰρ ψυχῆς ἀγὼν καὶ κίνδυνος ἐν αἰωνίῳ βασάνῳ κείμενος τοῖς παραβᾶσι τὴν ἐντολὴν τοῦ Θεοῦ.
16Ten leste sloegen zij het gehele kamp met angst en ontzetting, en trokken zegevierend af,
16καθοπλισώμεθα τοιγαροῦν τῇ τοῦ θείου λογισμοῦ παθοκρατορίᾳ.
17toen de dag was aangebroken. Deze uitslag dankten zij aan de hulp en de steun van den Heer.
17οὕτως γὰρ θανόντας ἡμᾶς Ἁβραὰμ καὶ Ἰσαὰκ καὶ Ἰακὼβ ὑποδέξονται εἰς τοὺς κόλπους αὐτῶν καὶ πάντες οἱ πατέρες ἐπαινέσουσι.
18De koning, die nu een voorproef had gekregen van de dapperheid der Joden, trachtte daarom met list de versterkte plaatsen in zijn handen te krijgen.
18καὶ ἑνὶ ἑκάστῳ τῶν ἀποσπωμένων αὐτῶν ἀδελφῶν ἔλεγον οἱ περιλειπόμενοι· μὴ καταισχύνῃς ἡμᾶς, ἀδελφέ, μηδὲ ψεύσῃ τοὺς προαποθανόντας ἡμῶν ἀδελφούς.
19Hij rukte op tegen de sterke joodse vesting Bet-Soer, maar werd teruggeslagen; hij deed een nieuwe aanval, welke eveneens mislukte.
19οὐκ ἀγνοεῖτε δὲ τὰ τῆς ἀδελφότητος φίλτρα, ἅπερ ἡ θεία καὶ πάνσοφος πρόνοια διὰ τῶν πατέρων τοῖς γενομένοις ἐμέρισε καὶ διὰ τῆς μητρῴας φυτεύσασα γαστρός,
20Intussen bleef Judas de bezetting van al het nodige voorzien.
20ἐν ᾗ τὸν ἴσον ἀδελφοὶ κατοικήσαντες χρόνον καὶ ἐν τῷ αὐτῷ χρόνῳ πλασθέντες καὶ ἀπὸ τοῦ αὐτοῦ αἵματος αὐξηθέντες καὶ διὰ τῆς αὐτῆς ψυχῆς τελεσφορηθέντες
21Maar een joodse soldaat, Rodokus geheten, verried hun geheimen aan den vijand; hij werd echter betrapt, gegrepen en terechtgesteld.
21καὶ διὰ τῶν ἴσων ἀποτεχθέντες χρόνων καὶ ἀπὸ τῶν αὐτῶν γαλακτοποτοῦντες πηγῶν, ἀφ' ὧν συστρέφονται ἐναγκαλισμάτων φιλάδελφοι ψυχαί·
22Nu knoopte de koning voor de tweede maal onderhandelingen aan met de inwoners van Bet-Soer, en deed een vredesvoorstel, dat werd aangenomen. Hij trok dus af, maar stiet toen op het leger van Judas en werd verslagen.
22καὶ αὔξοντες σφοδρότερον διὰ τῆς συντροφίας καὶ τῆς καθ' ἡμέραν συνηθείας καὶ τῆς ἄλλης παιδείας καὶ τῆς ἡμετέρας ἐν νόμῳ Θεοῦ ἀσκήσεως.
23Daar hoorde hij eensklaps, dat zijn rijksbestuurder Filippus in Antiochië een opstand was begonnen. In zijn verwarring riep hij de Joden te hulp; hij werd heel inschikkelijk, en willigde onder ede al hun rechtmatige eisen in. Na de verzoening bracht hij zelfs een offer, en betuigde zijn eerbied voor de tempel en zijn welwillendheid voor de stad.
23οὕτως δὴ τοίνυν καθεστηκυίας συμπαθοῦς τῆς φιλαδελφίας, οἱ ἑπτὰ ἀδελφοὶ συμπαθέστερον ἔσχον τὴν πρὸς ἀλλήλους ὁμόνοιαν.
24Hij ontving den Makkabeër vriendschappelijk, en benoemde hem tot stadhouder over het gebied tussen Ptolemáis en Gerar.
24νόμῳ γὰρ τῷ αὐτῷ παιδευθέντες καὶ τὰς αὐτὰς ἐξασκήσαντες ἀρετὰς καὶ τῷ δικαίῳ συντραφέντες βίῳ, μᾶλλον ἑαυτοὺς ἠγάπων.
25Vervolgens begaf hij zich naar Ptolemáis, waar de inwoners zich ontevreden toonden over het verdrag; zij ergerden zich aan de bepalingen, en wilden, dat ze werden ingetrokken.
25ἡ γὰρ ὁμοζηλία τῆς καλοκἀγαθίας ἐπέτεινεν αὐτῶν τὴν πρὸς ἀλλήλους εὔνοιαν καὶ ὁμόνοιαν.
26Toen beklom Lúsias het spreekgestoelte, verdedigde de beslissing zo goed hij kon, en wist hen met kalmerende woorden te overreden en tevreden te stellen. Daarna keerde hij naar Antiochië terug. Zo verliepen de opmars en de aftocht van den koning.
26σὺν γὰρ τῇ εὐσεβείᾳ ποθεινοτέραν αὐτοῖς κατεσκεύαζον τὴν φιλαδελφίαν.
no verse 27 in this text
27ἀλλ' ὅμως καὶ περὶ τῆς φύσεως καὶ τῆς συνηθείας καὶ τῶν τῆς ἀρετῆς ἠθῶν τὰ τῆς ἀδελφότητος αὐτοῖς φίλτρα συναυξόντων, ἀνέσχοντο διὰ τὴν εὐσέβειαν τοὺς ἀδελφοὺς οἱ ὑπολελειμμένοι, τοὺς καταικιζομένους ὁρῶντες μέχρι θανάτου βασανιζομένους.
Tip: use the ← and → keys to turn chapters.