2 Makkabeeen 12
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
Septuagint (Greek Old Testament), second edition
1Na het afsluiten van deze verdragen keerde Lúsias naar den koning terug, en legden de Joden zich weer toe op de landbouw.
1Ως δὲ καὶ οὗτος μακαρίως ἐναπέθανε καταβληθεὶς εἰς λέβητα, ὁ ἕβδομος παρεγίνετο πάντων νεώτερος.
2Maar enkele legeraanvoerders in die streken, als Timóteus en Apollónius, de zoon van Gennaius, Hierónymus en Démofon en verder Nikánor, de stadhouder van Cyprus, gunden hun vrede noch rust.
2ὃν κατοικτειρήσας ὁ τύραννος, καίπερ δεινῶς ὑπὸ τῶν ἀδελφῶν αὐτοῦ κακισθείς, ὁρῶν ἤδη τὰ δεσμὰ περικείμενον,
3Bovendien begingen de inwoners van Jóppe de volgende misdaad: Ze nodigden de Joden uit, die bij hen woonden, om met vrouwen en kinderen plaats te nemen in een aantal gereedliggende scheepjes. Daar zij niets kwaads in het schild schenen te voeren,
3πλησιέστερον αὐτὸν μετεπέμψατο καὶ παρηγορεῖν ἐπειρᾶτο λέγων·
4maar volgens een algemeen stadsbesluit handelden, namen de Joden, die de vrede niet wilden verstoren, het zonder enige argwaan aan. Men bracht hen echter in volle zee en liet hen verdrinken; het waren minstens tweehonderd mensen!
4τῆς μὲν τῶν ἀδελφῶν σου ἀπονοίας τὸ τέλος ὁρᾷς· διὰ γὰρ ἀπείθειαν στρεβλωθέντες τεθνήκασι· σὺ δέ, εἰ μὲν μὴ πεισθείης, τάλας βασανισθεὶς καὶ αὐτὸς τεθνήξῃ πρὸ ὥρας.
5Toen Judas vernam, hoe wreed zijn volksgenoten waren mishandeld, deelde hij het zijn soldaten mede,
5πεισθεὶς δὲ φίλος ἔσῃ καὶ τῶν ἐπὶ τῆς βασιλείας ἀφηγήσῃ πραγμάτων.
6en rukte, na God, den rechtvaardigen Rechter, te hebben aangeroepen, tegen de moordenaars van zijn broeders op. Bij nacht stak hij de haven in brand, gaf de schepen aan de vlammen prijs, en vermoordde de vluchtelingen, die daarin een schuilplaats hadden gezocht.
6καὶ ταῦτα παρακαλῶν, τὴν μητέρα τοῦ παιδὸς μετεπέμψατο, ὅπως αὐτὴν ἐλεήσας τοσούτων υἱῶν στερηθεῖσαν παρορμήσειεν ἐπὶ τὴν σωτήριον εὐπείθειαν τὸν περιλειπόμενον.
7Daar de stad zelf goed was afgesloten, trok hij af, maar vatte het plan op, terug te komen en de gehele bevolking van Jóppe te vernietigen.
7ὁ δὲ τῆς μητρὸς τῇ ἑβραΐδι φωνῇ προτρεψαμένης αὐτὸν (ὡς ἐροῦμεν μετὰ μικρὸν ὕστερον), ἀπολύσατέ με, φησίν·
8En toen hij hoorde, dat ook de inwoners van Jámnia iets dergelijks tegen de Joden, die daar woonden, wilden ondernemen,
8εἴπω τι τῷ βασιλεῖ καὶ τοῖς σὺν αὐτῷ φίλοις πᾶσι.
9overviel hij de burgers van Jámnia bij nacht, en stak de haven met de vloot in brand. Tot in Jerusalem, dus op tweehonderd veertig stadiën afstand, zag men de vuurgloed.
9καὶ ἐπιχαρέντες ὅ τε βασιλεὺς καὶ οἱ σὺν αὐτῷ μάλιστα ἐπὶ τῇ ἐπαγγελίᾳ τοῦ παιδὸς ταχέως ἔλυσαν αὐτόν.
10Toen zij nu negen stadiën verder waren getrokken, om de veldtocht tegen Timóteus te beginnen, werd hij aangevallen door Arabieren, die ongeveer vijfduizend man voetvolk en vijfhonderd ruiters sterk waren.
10καὶ δραμὼν ἐπὶ πλησίον τῶν τηγάνων ἔφη·
11Na een verbitterd gevecht behaalden Judas en zijn mannen met Gods hulp de overwinning. De verslagen nomaden smeekten Judas om vrede, en beloofden, dat zij hen van vee zouden voorzien en hun op alle mogelijke manieren behulpzaam zijn.
11ἀνόσιε, φησίν, καὶ πάντων τῶν πονηρῶν ἀσεβέστατε τύραννε, οὐκ ᾐδέσθης παρὰ τοῦ Θεοῦ λαβὼν τὰ ἀγαθὰ καὶ τὴν βασιλείαν τοὺς θεράποντας αὐτοῦ κατακτεῖναι καὶ τοὺς εὐσεβείας ἀσκητὰς στρεβλῶσαι;
12Daar Judas van mening was, dat zij hem in veel opzichten werkelijk van nut konden zijn, bood hij hun de vrede aan. Zij gaven hem de hand er op, en trokken naar hun tenten terug.
12ἀνθ' ὧν ταμιεύσεταί σε ἡ θεία δίκη πυκνοτέρῳ καὶ αἰωνίῳ πυρὶ καὶ βασάνοις, αἳ εἰς ὅλον τὸν αἰῶνα οὐκ ἀνήσουσί σε.
13Daarna viel hij een stad aan, die Kaspin heette. Deze was met aarden wallen verschanst, van ringmuren voorzien, en bewoond door verschillende heidense stammen.
13οὐκ ᾐδέσθης ἄνθρωπος ὤν, θηριωδέστατε, τοὺς ὁμοιοπαθεῖς καὶ ἐκ τῶν αὐτῶν γεγονότας στοιχείων γλωττοτομῆσαι καὶ τοῦτον καταικίσας τὸν τρόπον βασανίσαι;
14Daar de inwoners op de sterkte der muren en op de voorraad levensmiddelen vertrouwden, daagden zij de mannen van Juda onbeschoft uit, hoonden hen en schreeuwden hun daarenboven godslasterlijke en onbehoorlijke woorden toe.
14ἀλλ' οἱ μὲν εὐγενῶς ἀποθανόντες ἐπλήρωσαν τὴν εἰς τὸν Θεὸν εὐσέβειαν,
15Toen riepen Judas' soldaten den machtigen Heer der wereld aan, die Jericho in de dagen van Josuë zonder stormram en oorlogswerktuigen had omvergeworpen. Met leeuwenmoed bestormden zij de muren,
15σὺ δὲ κακὸς κακῶς οἰμώξεις τοὺς τῆς ἀρετῆς ἀγωνιστὰς ἀναιτίως ἀποκτείνας.
16en namen de stad in, omdat God het wilde. Zij richtten zulk een onbeschrijfelijk bloedbad aan, dat het naburige meer, dat twee stadiën breed was, met bloed scheen gevuld.
16ὅθεν καὶ αὐτὸς ἀποθνήσκειν μέλλων ἔφη·
17Vandaar trokken zij zevenhonderd vijftig stadiën verder, en kwamen in Charaka bij de zogenaamde Toebi-Joden.
17οὐκ ἀπαυτομολῶ τῆς τῶν ἀδελφῶν μου ἀριστείας·
18Maar Timóteus troffen ze in deze streken niet aan, daar hij onverrichterzake was weggetrokken, en slechts op een bepaald punt een sterke bezetting had achtergelaten.
18ἐπικαλοῦμαι δὲ τὸν πατρῷον Θεόν, ὅπως ἵλεως γένηται τῷ γένει μου.
19Daar trokken twee veldheren van den Makkabeër, Dositéus en Sosipatros nu op af, en vermoordden allen, die Timóteus in de vesting had achtergelaten; het waren meer dan tienduizend mensen.
19σὲ δὲ καὶ ἐν τῷ νῦν βίῳ καὶ θανόντα τιμωρήσεται.
20Nu verdeelde de Makkabeër zijn troepen in twee afdelingen, stelde één ervan onder hun bevel, en trok tegen Timóteus op, die honderd twintigduizend man voetvolk en vijftienhonderd ruiters bij zich had.
20καὶ ταῦτα κατευξάμενος, ἑαυτὸν ἔρριψε κατά τῶν τηγάνων, καὶ οὕτως ἀπέδωκε τὴν ψυχήν.
21Zodra Timóteus Judas' opmars vernam, zond hij vrouwen en kinderen en heel de verdere bagage vooruit naar een plaats die Karnion heette; dit punt was namelijk moeilijk in te nemen en vrijwel ontoegankelijk door de enge passen langs alle kanten.
no verse 21 in this text
22Maar toen de eerste afdeling van Judas zich vertoonde, werden de vijanden door de verschijning van den Alziende zó beangst en bevreesd, dat zij ijlings op de vlucht sloegen. De een rende hier- de ander daarheen, zodat zij meermalen door hun eigen mannen werden gewond en met hun puntige zwaarden doorboord.
no verse 22 in this text
23Maar Judas stormde ze onstuimig achterna, en stak de booswichten overhoop; dertigduizend soldaten vonden de dood.
no verse 23 in this text
24Timóteus zelf werd door de troepen van Dositéus en Sosipatros gevangen genomen, en moest om behoud van zijn leven smeken. Daarom deed hij het heel listig voorkomen, alsof hij van sommigen de ouders en van anderen de broers in zijn macht had, en dat het die anders slecht zou vergaan.
no verse 24 in this text
25Van de andere kant beloofde en verzekerde hij uitdrukkelijk, dat hij hen ongedeerd zou uitleveren. Om dus hun broeders te redden, lieten zij hem vrij.
no verse 25 in this text
26Nu trok Judas op tegen Karnion met het tempelgebied van Atarg tis, en doodde vijf en twintig duizend man.
no verse 26 in this text
27Na ze te hebben ingenomen en verwoest, rukte hij tegen de vesting Efron op, waar allerlei uitheemse troepen waren gelegerd. Sterke jonge soldaten hadden zich voor de muren opgesteld en weerden zich dapper, terwijl men daarbinnen over een grote voorraad oorlogswerktuigen en katapulten beschikte.
no verse 27 in this text
28Maar de Joden riepen den Almachtige aan, die met geweld de kracht van den vijand breekt; ze namen de stad in en doodden ongeveer twintigduizend inwoners.
no verse 28 in this text
29Vandaar trokken ze verder, en rukten naar de stad Skytópolis op, die zeshonderd stadiën van Jerusalem ligt.
no verse 29 in this text
30Maar de Joden, die daar woonden, verklaarden, dat de bewoners van Skytópolis altijd vriendelijk voor hen waren geweest en hen in de moeilijke tijden goed hadden behandeld.
no verse 30 in this text
31Zij dankten hen daarvoor en verzochten hen, ook in het vervolg die vriendschap met hun volk te bestendigen. Daarna keerden zij naar Jerusalem terug, omdat het feest der weken in aantocht was.
no verse 31 in this text
32Na het zogenaamde Pinksterfeest rukten ze tegen Górgias, den stadhouder van Iduméa, uit.
no verse 32 in this text
33Deze trok hun tegemoet met drieduizend man voetvolk en vierhonderd ruiters.
no verse 33 in this text
34Zodra zij slaags raakten, kwamen er enige Joden te vallen.
no verse 34 in this text
35Maar nu wist Dositéus, een van Bakénors soldaten, die een buitengewoon goed ruiter was, Górgias bij zijn mantel te grijpen. Reeds sleepte hij hem met geweld mee, daar hij dien vervloekte levend wilde gevangen nemen, toen een tracische ruiter naar hem toe rende, en hem de arm afsloeg. Zo kon Górgias naar Maresja ontsnappen.
no verse 35 in this text
36Intussen waren de soldaten van Ésdris door het lange vechten uitgeput. Daarom smeekte Judas den Heer, hun aanvoerder en medestrijder te zijn,
no verse 36 in this text
37hief in zijn moedertaal een strijdlied aan, stormde onverwacht op de troepen van Górgias los, en joeg hen op de vlucht.
no verse 37 in this text
38Daarna verzamelde Judas zijn leger, en voerde het naar de stad Adoellam. En daar de zevende dag in aantocht was, heiligden zij zich, zoals door het gebruik was voorgeschreven, en brachten daar de sabbat door.
no verse 38 in this text
39Daar het echter hoog tijd was, trokken Judas' mannen de volgende dag er op uit, om de lijken van de gesneuvelden te gaan halen, en bij hun bloedverwanten in de graven hunner vaderen bij te zetten.
no verse 39 in this text
40Maar nu ontdekte men onder de kleren van alle gesneuvelden amuletten van de afgoden uit Jámnia; iets wat aan de Joden door de wet was verboden. Toen werd het allen duidelijk, waarom zij waren gevallen.
no verse 40 in this text
41Allen prezen den Heer, den rechtvaardigen Rechter, die het verborgene aan het licht weet te brengen.
no verse 41 in this text
42Daarna gingen ze bidden, en smeekten, dat deze overtreding geheel en al mocht worden vergeven. En de edele Judas vermaande het volk, zich toch van zonde vrij te houden, daar ze bij de gesneuvelden met eigen ogen de gevolgen der zonde hadden kunnen aanschouwen.
no verse 42 in this text
43Vervolgens liet hij onder de soldaten een collecte houden, die tweeduizend drachmen opbracht. Hij zond het geld naar Jerusalem, om een offer voor de zonde te laten opdragen. Dit was een zeer goede en edele daad, daar hij aan de verrijzenis dacht.
no verse 43 in this text
44Want als hij niet had verwacht, dat de gesneuvelden zouden verrijzen, dan zou het nutteloos en dwaas zijn geweest, voor de doden te bidden.
no verse 44 in this text
45Bovendien overwoog hij, dat hun, die godvruchtig zijn ontslapen, een heerlijke beloning te wachten staat. Inderdaad, een heilige en vrome gedachte! Daarom liet hij voor de doden een zoenoffer opdragen, opdat zij van hun zonde zouden worden verlost.
no verse 45 in this text
Tip: use the ← and → keys to turn chapters.