Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
King James Version with Apocrypha
1Na het afsluiten van deze verdragen keerde Lúsias naar den koning terug, en legden de Joden zich weer toe op de landbouw.
1When these covenants were made, Lysias went unto the king, and the Jews were about their husbandry.
2Maar enkele legeraanvoerders in die streken, als Timóteus en Apollónius, de zoon van Gennaius, Hierónymus en Démofon en verder Nikánor, de stadhouder van Cyprus, gunden hun vrede noch rust.
2But of the governours of several places, Timotheus, and Apollonius the son of Genneus, also Hieronymus, and Demophon, and beside them Nicanor the governor of Cyprus, would not suffer them to be quiet and live in peace.
3Bovendien begingen de inwoners van Jóppe de volgende misdaad: Ze nodigden de Joden uit, die bij hen woonden, om met vrouwen en kinderen plaats te nemen in een aantal gereedliggende scheepjes. Daar zij niets kwaads in het schild schenen te voeren,
3The men of Joppa also did such an ungodly deed: they prayed the Jews that dwelt among them to go with their wives and children into the boats which they had prepared, as though they had meant them no hurt.
4maar volgens een algemeen stadsbesluit handelden, namen de Joden, die de vrede niet wilden verstoren, het zonder enige argwaan aan. Men bracht hen echter in volle zee en liet hen verdrinken; het waren minstens tweehonderd mensen!
4Who accepted of it according to the common decree of the city, as being desirous to live in peace, and suspecting nothing: but when they were gone forth into the deep, they drowned no less than two hundred of them.
5Toen Judas vernam, hoe wreed zijn volksgenoten waren mishandeld, deelde hij het zijn soldaten mede,
5When Judas heard of this cruelty done unto his countrymen, he commanded those that were with him to make them ready.
6en rukte, na God, den rechtvaardigen Rechter, te hebben aangeroepen, tegen de moordenaars van zijn broeders op. Bij nacht stak hij de haven in brand, gaf de schepen aan de vlammen prijs, en vermoordde de vluchtelingen, die daarin een schuilplaats hadden gezocht.
6And calling upon God the righteous Judge, he came against those murderers of his brethren, and burnt the haven by night, and set the boats on fire, and those that fled thither he slew.
7Daar de stad zelf goed was afgesloten, trok hij af, maar vatte het plan op, terug te komen en de gehele bevolking van Jóppe te vernietigen.
7And when the town was shut up, he went backward, as if he would return to root out all them of the city of Joppa.
8En toen hij hoorde, dat ook de inwoners van Jámnia iets dergelijks tegen de Joden, die daar woonden, wilden ondernemen,
8But when he heard that the Jamnites were minded to do in like manner unto the Jews that dwelt among them,
9overviel hij de burgers van Jámnia bij nacht, en stak de haven met de vloot in brand. Tot in Jerusalem, dus op tweehonderd veertig stadiën afstand, zag men de vuurgloed.
9He came upon the Jamnites also by night, and set fire on the haven and the navy, so that the light of the fire was seen at Jerusalem two hundred and forty furlongs off.
10Toen zij nu negen stadiën verder waren getrokken, om de veldtocht tegen Timóteus te beginnen, werd hij aangevallen door Arabieren, die ongeveer vijfduizend man voetvolk en vijfhonderd ruiters sterk waren.
10Now when they were gone from thence nine furlongs in their journey toward Timotheus, no fewer than five thousand men on foot and five hundred horsemen of the Arabians set upon him.
11Na een verbitterd gevecht behaalden Judas en zijn mannen met Gods hulp de overwinning. De verslagen nomaden smeekten Judas om vrede, en beloofden, dat zij hen van vee zouden voorzien en hun op alle mogelijke manieren behulpzaam zijn.
11Whereupon there was a very sore battle; but Judas’ side by the help of God got the victory; so that the Nomades of Arabia, being overcome, besought Judas for peace, promising both to give him cattle, and to pleasure him otherwise.
12Daar Judas van mening was, dat zij hem in veel opzichten werkelijk van nut konden zijn, bood hij hun de vrede aan. Zij gaven hem de hand er op, en trokken naar hun tenten terug.
12Then Judas, thinking indeed that they would be profitable in many things, granted them peace: whereupon they shook hands, and so they departed to their tents.
13Daarna viel hij een stad aan, die Kaspin heette. Deze was met aarden wallen verschanst, van ringmuren voorzien, en bewoond door verschillende heidense stammen.
13He went also about to make a bridge to a certain strong city, which was fenced about with walls, and inhabited by people of divers countries; and the name of it was Caspis.
14Daar de inwoners op de sterkte der muren en op de voorraad levensmiddelen vertrouwden, daagden zij de mannen van Juda onbeschoft uit, hoonden hen en schreeuwden hun daarenboven godslasterlijke en onbehoorlijke woorden toe.
14But they that were within it put such trust in the strength of the walls and provision of victuals, that they behaved themselves rudely toward them that were with Judas, railing and blaspheming, and uttering such words as were not to be spoken.
15Toen riepen Judas' soldaten den machtigen Heer der wereld aan, die Jericho in de dagen van Josuë zonder stormram en oorlogswerktuigen had omvergeworpen. Met leeuwenmoed bestormden zij de muren,
15Wherefore Judas with his company, calling upon the great Lord of the world, who without rams or engines of war did cast down Jericho in the time of Joshua, gave a fierce assault against the walls,
16en namen de stad in, omdat God het wilde. Zij richtten zulk een onbeschrijfelijk bloedbad aan, dat het naburige meer, dat twee stadiën breed was, met bloed scheen gevuld.
16And took the city by the will of God, and made unspeakable slaughters, insomuch that a lake two furlongs broad near adjoining thereunto, being filled full, was seen running with blood.
17Vandaar trokken zij zevenhonderd vijftig stadiën verder, en kwamen in Charaka bij de zogenaamde Toebi-Joden.
17Then departed they from thence seven hundred and fifty furlongs, and came to Characa unto the Jews that are called Tubieni.
18Maar Timóteus troffen ze in deze streken niet aan, daar hij onverrichterzake was weggetrokken, en slechts op een bepaald punt een sterke bezetting had achtergelaten.
18But as for Timotheus, they found him not in the places: for before he had dispatched any thing, he departed from thence, having left a very strong garrison in a certain hold.
19Daar trokken twee veldheren van den Makkabeër, Dositéus en Sosipatros nu op af, en vermoordden allen, die Timóteus in de vesting had achtergelaten; het waren meer dan tienduizend mensen.
19Howbeit Dositheus and Sosipater, who were of Maccabeus’ captains, went forth, and slew those that Timotheus had left in the fortress, above ten thousand men.
20Nu verdeelde de Makkabeër zijn troepen in twee afdelingen, stelde één ervan onder hun bevel, en trok tegen Timóteus op, die honderd twintigduizend man voetvolk en vijftienhonderd ruiters bij zich had.
20And Maccabeus ranged his army by bands, and set them over the bands, and went against Timotheus, who had about him an hundred and twenty thousand men of foot, and two thousand and five hundred horsemen.
21Zodra Timóteus Judas' opmars vernam, zond hij vrouwen en kinderen en heel de verdere bagage vooruit naar een plaats die Karnion heette; dit punt was namelijk moeilijk in te nemen en vrijwel ontoegankelijk door de enge passen langs alle kanten.
21Now when Timotheus had knowledge of Judas’ coming, he sent the women and children and the other baggage unto a fortress called Carnion: for the town was hard to besiege, and uneasy to come unto, by reason of the straitness of all the places.
22Maar toen de eerste afdeling van Judas zich vertoonde, werden de vijanden door de verschijning van den Alziende zó beangst en bevreesd, dat zij ijlings op de vlucht sloegen. De een rende hier- de ander daarheen, zodat zij meermalen door hun eigen mannen werden gewond en met hun puntige zwaarden doorboord.
22But when Judas his first band came in sight, the enemies, being smitten with fear and terror through the appearing of him who seeth all things, fled amain, one running into this way, another that way, so as that they were often hurt of their own men, and wounded with the points of their own swords.
23Maar Judas stormde ze onstuimig achterna, en stak de booswichten overhoop; dertigduizend soldaten vonden de dood.
23Judas also was very earnest in pursuing them, killing those wicked wretches, of whom he slew about thirty thousand men.
24Timóteus zelf werd door de troepen van Dositéus en Sosipatros gevangen genomen, en moest om behoud van zijn leven smeken. Daarom deed hij het heel listig voorkomen, alsof hij van sommigen de ouders en van anderen de broers in zijn macht had, en dat het die anders slecht zou vergaan.
24Moreover Timotheus himself fell into the hands of Dositheus and Sosipater, whom he besought with much craft to let him go with his life, because he had many of the Jews’ parents, and the brethren of some of them, who, if they put him to death, should not be regarded.
25Van de andere kant beloofde en verzekerde hij uitdrukkelijk, dat hij hen ongedeerd zou uitleveren. Om dus hun broeders te redden, lieten zij hem vrij.
25So when he had assured them with many words that he would restore them without hurt, according to the agreement, they let him go for the saving of their brethren.
26Nu trok Judas op tegen Karnion met het tempelgebied van Atarg tis, en doodde vijf en twintig duizend man.
26Then Maccabeus marched forth to Carnion, and to the temple of Atargatis, and there he slew five and twenty thousand persons.
27Na ze te hebben ingenomen en verwoest, rukte hij tegen de vesting Efron op, waar allerlei uitheemse troepen waren gelegerd. Sterke jonge soldaten hadden zich voor de muren opgesteld en weerden zich dapper, terwijl men daarbinnen over een grote voorraad oorlogswerktuigen en katapulten beschikte.
27And after he had put to flight and destroyed them, Judas removed the host toward Ephron, a strong city, wherein Lysias abode, and a great multitude of divers nations, and the strong young men kept the walls, and defended them mightily: wherein also was great provision of engines and darts.
28Maar de Joden riepen den Almachtige aan, die met geweld de kracht van den vijand breekt; ze namen de stad in en doodden ongeveer twintigduizend inwoners.
28But when Judas and his company had called upon Almighty God, who with his power breaketh the strength of his enemies, they won the city, and slew twenty and five thousand of them that were within,
29Vandaar trokken ze verder, en rukten naar de stad Skytópolis op, die zeshonderd stadiën van Jerusalem ligt.
29From thence they departed to Scythopolis, which lieth six hundred furlongs from Jerusalem,
30Maar de Joden, die daar woonden, verklaarden, dat de bewoners van Skytópolis altijd vriendelijk voor hen waren geweest en hen in de moeilijke tijden goed hadden behandeld.
30But when the Jews that dwelt there had testified that the Scythopolitans dealt lovingly with them, and entreated them kindly in the time of their adversity;
31Zij dankten hen daarvoor en verzochten hen, ook in het vervolg die vriendschap met hun volk te bestendigen. Daarna keerden zij naar Jerusalem terug, omdat het feest der weken in aantocht was.
31They gave them thanks, desiring them to be friendly still unto them: and so they came to Jerusalem, the feast of the weeks approaching.
32Na het zogenaamde Pinksterfeest rukten ze tegen Górgias, den stadhouder van Iduméa, uit.
32And after the feast, called Pentecost, they went forth against Gorgias the governor of Idumea,
33Deze trok hun tegemoet met drieduizend man voetvolk en vierhonderd ruiters.
33Who came out with three thousand men of foot and four hundred horsemen.
34Zodra zij slaags raakten, kwamen er enige Joden te vallen.
34And it happened that in their fighting together a few of the Jews were slain.
35Maar nu wist Dositéus, een van Bakénors soldaten, die een buitengewoon goed ruiter was, Górgias bij zijn mantel te grijpen. Reeds sleepte hij hem met geweld mee, daar hij dien vervloekte levend wilde gevangen nemen, toen een tracische ruiter naar hem toe rende, en hem de arm afsloeg. Zo kon Górgias naar Maresja ontsnappen.
35At which time Dositheus, one of Bacenor’s company, who was on horseback, and a strong man, was still upon Gorgias, and taking hold of his coat drew him by force; and when he would have taken that cursed man alive, a horseman of Thracia coming upon him smote off his shoulder, so that Gorgias fled unto Marisa.
36Intussen waren de soldaten van Ésdris door het lange vechten uitgeput. Daarom smeekte Judas den Heer, hun aanvoerder en medestrijder te zijn,
36Now when they that were with Gorgias had fought long, and were weary, Judas called upon the Lord, that he would shew himself to be their helper and leader of the battle.
37hief in zijn moedertaal een strijdlied aan, stormde onverwacht op de troepen van Górgias los, en joeg hen op de vlucht.
37And with that he began in his own language, and sung psalms with a loud voice, and rushing unawares upon Gorgias’ men, he put them to flight.
38Daarna verzamelde Judas zijn leger, en voerde het naar de stad Adoellam. En daar de zevende dag in aantocht was, heiligden zij zich, zoals door het gebruik was voorgeschreven, en brachten daar de sabbat door.
38So Judas gathered his host, and came into the city of Odollam, And when the seventh day came, they purified themselves, as the custom was, and kept the sabbath in the same place.
39Daar het echter hoog tijd was, trokken Judas' mannen de volgende dag er op uit, om de lijken van de gesneuvelden te gaan halen, en bij hun bloedverwanten in de graven hunner vaderen bij te zetten.
39And upon the day following, as the use had been, Judas and his company came to take up the bodies of them that were slain, and to bury them with their kinsmen in their fathers’ graves.
40Maar nu ontdekte men onder de kleren van alle gesneuvelden amuletten van de afgoden uit Jámnia; iets wat aan de Joden door de wet was verboden. Toen werd het allen duidelijk, waarom zij waren gevallen.
40Now under the coats of every one that was slain they found things consecrated to the idols of the Jamnites, which is forbidden the Jews by the law. Then every man saw that this was the cause wherefore they were slain.
41Allen prezen den Heer, den rechtvaardigen Rechter, die het verborgene aan het licht weet te brengen.
41All men therefore praising the Lord, the righteous Judge, who had opened the things that were hid,
42Daarna gingen ze bidden, en smeekten, dat deze overtreding geheel en al mocht worden vergeven. En de edele Judas vermaande het volk, zich toch van zonde vrij te houden, daar ze bij de gesneuvelden met eigen ogen de gevolgen der zonde hadden kunnen aanschouwen.
42Betook themselves unto prayer, and besought him that the sin committed might wholly be put out of remembrance. Besides, that noble Judas exhorted the people to keep themselves from sin, forsomuch as they saw before their eyes the things that came to pass for the sins of those that were slain.
43Vervolgens liet hij onder de soldaten een collecte houden, die tweeduizend drachmen opbracht. Hij zond het geld naar Jerusalem, om een offer voor de zonde te laten opdragen. Dit was een zeer goede en edele daad, daar hij aan de verrijzenis dacht.
43And when he had made a gathering throughout the company to the sum of two thousand drachms of silver, he sent it to Jerusalem to offer a sin offering, doing therein very well and honestly, in that he was mindful of the resurrection:
44Want als hij niet had verwacht, dat de gesneuvelden zouden verrijzen, dan zou het nutteloos en dwaas zijn geweest, voor de doden te bidden.
44For if he had not hoped that they that were slain should have risen again, it had been superfluous and vain to pray for the dead.
45Bovendien overwoog hij, dat hun, die godvruchtig zijn ontslapen, een heerlijke beloning te wachten staat. Inderdaad, een heilige en vrome gedachte! Daarom liet hij voor de doden een zoenoffer opdragen, opdat zij van hun zonde zouden worden verlost.
45And also in that he perceived that there was great favour laid up for those that died godly, it was an holy and good thought. Whereupon he made a reconciliation for the dead, that they might be delivered from sin.

Tip: use the ← and → keys to turn chapters.