2 Makkabeeen 15
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
King James Version with Apocrypha
1Zodra Nikánor hoorde, dat de troepen van Judas zich in het gebied van Samaria bevonden, maakte hij het plan, hen voor alle zekerheid op een sabbat aan te vallen.
1But Nicanor, hearing that Judas and his company were in the strong places about Samaria, resolved without any danger to set upon them on the sabbath day.
2Maar de Joden, die hem noodgedwongen volgden, zeiden: Breng hen niet zo wreed en barbaars om het leven; heb eerbied voor de dag, die de Alziende vanouds heeft geheiligd.
2Nevertheless the Jews that were compelled to go with him said, O destroy not so cruelly and barbarously, but give honour to that day, which he, that seeth all things, hath honoured with holiness above all other days.
3En toen de schurk durfde vragen, of er dan in de hemel een Meester was, die het bevel had gegeven, de sabbat te vieren,
3Then the most ungracious wretch demanded, if there were a Mighty one in heaven, that had commanded the sabbath day to be kept.
4gaven zij stoutweg ten antwoord: De levende Heer, die in de hemel heerst, heeft zelf bevolen, de zevende dag in ere te houden!
4And when they said, There is in heaven a living Lord, and mighty, who commanded the seventh day to be kept:
5Maar de ander hernam: En ik ben heerser op aarde, en geef dus bevel, de wapens op te nemen en de belangen van den koning te behartigen. Toch gelukte het hem niet, zijn afschuwelijk plan ten uitvoer te brengen.
5Then said the other, And I also am mighty upon earth, and I command to take arms, and to do the king’s business. Yet he obtained not to have his wicked will done.
6In zijn trotse hoogmoed had Nikánor zich reeds voorgenomen, een openbaar gedenkteken op te richten van zijn overwinning op de troepen van Judas.
6So Nicanor in exceeding pride and haughtiness determined to set up a publick monument of his victory over Judas and them that were with him.
7Maar de Makkabeër, die met het volste vertrouwen op de hulp des Heren bleef hopen,
7But Maccabeus had ever sure confidence that the Lord would help him:
8spoorde de zijnen aan, niet bang te zijn voor de aanstormende heidenen, maar te bedenken, hoe zij reeds vroeger door de Hemel waren geholpen, en dus ook nu op de overwinning konden rekenen, die de Almachtige hun zeker zou schenken.
8Wherefore he exhorted his people not to fear the coming of the heathen against them, but to remember the help which in former times they had received from heaven, and now to expect the victory and aid, which should come unto them from the Almighty.
9En hij staalde hun moed door teksten uit de Wet en de Profeten, en wakkerde hun strijdlust aan, door de herinnering aan de gevechten van vroeger.
9And so comforting them out of the law and the prophets, and withal putting them in mind of the battles that they won afore, he made them more cheerful.
10En na ook hun gramschap te hebben wakker geschud, door hen op de trouweloosheid en de woordbreuk der heidenen te wijzen, gaf hij hun zijn bevelen.
10And when he had stirred up their minds, he gave them their charge, shewing them therewithall the falsehood of the heathen, and the breach of oaths.
11Maar toen hij allen reeds had gewapend, niet met vertrouwen op schild en speer, maar met de troost van zijn treffende woorden, verhaalde hij hun bovendien een geloofwaardige droom, waarmee hij allen in geestdrift bracht.
11Thus he armed every one of them, not so much with defence of shields and spears, as with comfortable and good words: and beside that, he told them a dream worthy to be believed, as if it had been so indeed, which did not a little rejoice them.
12Dit was het droomgezicht, dat hij had: Hij zag Onias, den vroegeren hogepriester, die een goed en edel mens was geweest, bescheiden in de omgang, zacht van karakter, waardig in zijn spreken, en van zijn prilste jeugd af in iedere deugd onderricht. En terwijl deze met uitgestrekte handen bad voor het gehele joodse volk,
12And this was his vision: That Onias, who had been high priest, a virtuous and a good man, reverend in conversation, gentle in condition, well spoken also, and exercised from a child in all points of virtue, holding up his hands prayed for the whole body of the Jews.
13verscheen er een andere man in dezelfde houding; hij had grijze haren en een eerbiedwaardige gestalte, en was omstraald van een wonderlijk heerlijke glans.
13This done, in like manner there appeared a man with gray hairs, and exceeding glorious, who was of a wonderful and excellent majesty.
14En Onias sprak: Dit is de vriend van zijn broeders, die veel bidt voor het volk en voor de heilige stad as de profeet van God!
14Then Onias answered, saying, This is a lover of the brethren, who prayeth much for the people, and for the holy city, to wit, Jeremias the prophet of God.
15Daarop stak Jeremias de hand uit, gaf Judas een gouden zwaard, en sprak, terwijl hij het overreikte:
15Whereupon Jeremias holding forth his right hand gave to Judas a sword of gold, and in giving it spake thus,
16Ontvang dit heilige zwaard als een geschenk van God. Hiermee zult ge uw vijand verslaan!
16Take this holy sword, a gift from God, with the which thou shalt wound the adversaries.
17Zo werden ze gesterkt door Judas' heerlijke woorden, die uiterst geschikt waren, om de moed van jonge mannen aan te wakkeren en hun harten te stalen. Zij besloten dan ook, geen legerplaats meer op te slaan, maar terstond een moedige aanval te wagen en met inspanning van alle krachten een beslissende slag te leveren, omdat de stad, de godsdienst en de tempel in gevaar verkeerden.
17Thus being well comforted by the words of Judas, which were very good, and able to stir them up to valour, and to encourage the hearts of the young men, they determined not to pitch camp, but courageously to set upon them, and manfully to try the matter by conflict, because the city and the sanctuary and the temple were in danger.
18Ja, zij waren minder bezorgd voor hun vrouwen en kinderen, broers en verwanten; hun eerste en grootste zorg gold de heilige tempel!
18For the care that they took for their wives, and their children, their brethren, and folks, was in least account with them: but the greatest and principal fear was for the holy temple.
19Maar die in de stad waren achtergebleven, maakten zich dodelijk bezorgd en ongerust over de aanval in het open veld,
19Also they that were in the city took not the least care, being troubled for the conflict abroad.
20en wachtten allen met spanning op de beslissende slag, die ging komen. Reeds had de vijand zich samengetrokken, het leger in slagorde opgesteld, de olifanten op hun vaste plaatsen gebracht, en de ruiterij over de beide vleugels verdeeld.
20And now, when as all looked what should be the trial, and the enemies were already come near, and the army was set in array, and the beasts conveniently placed, and the horsemen set in wings,
21Toen de Makkabeër de troepenmassa vooruit zag rukken, voorzien van alle soort wapens en wilde beesten, strekte hij zijn handen naar de hemel uit, en richtte zich smekend tot den Heer, die wonderen kan doen. Want hij wist, dat de zege niet afhangt van wapens, maar dat God ze verleent aan hen, die Hij daarvoor waardig keurt.
21Maccabeus seeing the coming of the multitude, and the divers preparations of armour, and the fierceness of the beasts, stretched out his hands toward heaven, and called upon the Lord that worketh wonders, knowing that victory cometh not by arms, but even as it seemeth good to him, he giveth it to such as are worthy:
22En hij bad: Heer, Gij hebt onder Ezekias, den koning van Juda, uw engel gezonden, die ongeveer honderd vijf en tachtigduizend man van Sinacheribs leger verdelgde,
22Therefore in his prayer he said after this manner; O Lord, thou didst send thine angel in the time of Ezekias king of Judea, and didst slay in the host of Sennacherib an hundred fourscore and five thousand:
23Heer des Hemels, zend ook thans ons een goeden engel vooruit, om angst en schrik te verspreiden.
23Wherefore now also, O Lord of heaven, send a good angel before us for a fear and dread unto them;
24Laat hen, die onder godslasteringen oprukken tegen uw heilig volk, door de kracht van uw arm worden verpletterd! Toen trok hij op.
24And through the might of thine arm let those be stricken with terror, that come against thy holy people to blaspheme. And he ended thus.
25Nikánors troepen rukten vooruit onder trompetgeschal en krijgsgezang;
25Then Nicanor and they that were with him came forward with trumpets and songs.
26maar Judas' mannen stormden op den vijand in onder bidden en smeken.
26But Judas and his company encountered the enemies with invocation and prayer.
27Wél streden zij met hun handen, maar hun hart bad tot God! Zo doodden zij niet minder dan vijf en dertigduizend man, ten hoogste verheugd over Gods zichtbare hulp.
27So that fighting with their hands, and praying unto God with their hearts, they slew no less than thirty and five thousand men: for through the appearance of God they were greatly cheered.
28Toen de slag was geëindigd en zij zich vol vreugde terugtrokken, zagen zij Nikánor in volle wapenrusting op de grond liggen.
28Now when the battle was done, returning again with joy, they knew that Nicanor lay dead in his harness.
29Nu barstte het schreeuwen en joelen los, en in hun moedertaal hieven zij een lofzang aan voor den Heer.
29Then they made a great shout and a noise, praising the Almighty in their own language.
30En Judas, die onafgebroken met lichaam en ziel voor zijn medeburgers op de bres had gestaan, en van zijn prilste jeugd af de liefde voor zijn volksgenoten trouw had bewaard, gaf bevel, het hoofd, de hand en de arm van Nikánor af te hakken en naar Jerusalem te brengen.
30And Judas, who was ever the chief defender of the citizens both in body and mind, and who continued his love toward his countrymen all his life, commanded to strike off Nicanor’s head, and his hand with his shoulder, and bring them to Jerusalem.
31Daar aangekomen, riep hij zijn volksgenoten bijeen, liet de priesters voor het offeraltaar treden, en nodigde er ook de burchtbezetting bij uit.
31So when he was there, and called them of his nation together, and set the priests before the altar, he sent for them that were of the tower,
32Nu toonde hij hun het hoofd van den vervloekten Nikánor en de hand van den godslasteraar, die hij brutaal tegen het heiligdom van den almachtigen God had uitgestoken.
32And shewed them vile Nicanor’s head, and the hand of that blasphemer, which with proud brags he had stretched out against the holy temple of the Almighty.
33Hij beval, de tong van den goddelozen Nikánor uit te snijden en in stukken aan de vogels te geven, maar de hand van den schurk hing hij aan de tempel op.
33And when he had cut out the tongue of that ungodly Nicanor, he commanded that they should give it by pieces unto the fowls, and hang up the reward of his madness before the temple.
34Toen loofden zij allen, met de blikken ten hemel, den Heer, die Zich zo duidelijk had geopenbaard, en ze riepen: Geprezen is Hij, die zijn woonplaats ongerept heeft bewaard!
34So every man praised toward the heaven the glorious Lord, saying, Blessed be he that hath kept his own place undefiled.
35Daarna liet hij het hoofd van Nikánor aan de burcht ophangen als een zichtbaar en duidelijk bewijs voor de hulp des Heren.
35He hanged also Nicanor’s head upon the tower, an evident and manifest sign unto all of the help of the Lord.
36Tenslotte namen zij allen eenstemmig het besluit, deze dag niet ongemerkt te laten voorbijgaan, maar hem plechtig te vieren, en wel daags voor het Mardokeusfeest, op de dertiende van de twaalfde maand, die in het syrisch Adar heet.
36And they ordained all with a common decree in no case to let that day pass without solemnity, but to celebrate the thirteenth day of the twelfth month, which in the Syrian tongue is called Adar, the day before Mardocheus’ day.
37Zo eindigde de geschiedenis van Nikánor. En daar de Hebreën sindsdien de stad in hun macht hielden, besluit ik hier mijn verhaal.
37Thus went it with Nicanor: and from that time forth the Hebrews had the city in their power. And here will I make an end.
38Als deze samenvatting goed en raak is uitgevallen, dan is mijn eigen wens vervuld; maar is ze zwak en middelmatig, dan heb ik in ieder geval gedaan, wat ik kon.
38And if I have done well, and as is fitting the story, it is that which I desired: but if slenderly and meanly, it is that which I could attain unto.
39Want zoals het verkeerd is, uitsluitend wijn of uitsluitend water te drinken, terwijl wijn-met-water aangenaam is en de smaak volkomen bevredigt, zo is ook in een boek het samengaan van stof en stijl een genot voor hen die het lezen. En dit is het eind.
39For as it is hurtful to drink wine or water alone; and as wine mingled with water is pleasant, and delighteth the taste: even so speech finely framed delighteth the ears of them that read the story. And here shall be an end.
Tip: use the ← and → keys to turn chapters.