Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
Douay-Rheims Bible, American Edition (1899)
1Zodra Nikánor hoorde, dat de troepen van Judas zich in het gebied van Samaria bevonden, maakte hij het plan, hen voor alle zekerheid op een sabbat aan te vallen.
1But when Nicanor understood that Judas was in the places of Samaria, he purposed to set upon him with all violence on the sabbath day.
2Maar de Joden, die hem noodgedwongen volgden, zeiden: Breng hen niet zo wreed en barbaars om het leven; heb eerbied voor de dag, die de Alziende vanouds heeft geheiligd.
2And when the Jews that were constrained to follow him, said: Do not act so fiercely and barbarously, but give honour to the day that is sanctified: and reverence him that beholdeth all things:
3En toen de schurk durfde vragen, of er dan in de hemel een Meester was, die het bevel had gegeven, de sabbat te vieren,
3That unhappy man asked, if there were a mighty One in heaven, that had commanded the sabbath day to be kept.
4gaven zij stoutweg ten antwoord: De levende Heer, die in de hemel heerst, heeft zelf bevolen, de zevende dag in ere te houden!
4And when they answered: There is the living Lord himself in heaven, the mighty One, that commanded the seventh day to be kept,
5Maar de ander hernam: En ik ben heerser op aarde, en geef dus bevel, de wapens op te nemen en de belangen van den koning te behartigen. Toch gelukte het hem niet, zijn afschuwelijk plan ten uitvoer te brengen.
5Then he said: And I am mighty upon the earth, and I command to take arms, and to do the king’s business. Nevertheless he prevailed not to accomplish his design.
6In zijn trotse hoogmoed had Nikánor zich reeds voorgenomen, een openbaar gedenkteken op te richten van zijn overwinning op de troepen van Judas.
6So Nicanor being puffed up with exceeding great pride, thought to set up a public monument of his victory over Judas.
7Maar de Makkabeër, die met het volste vertrouwen op de hulp des Heren bleef hopen,
7But Machabeus ever trusted with all hope that God would help them.
8spoorde de zijnen aan, niet bang te zijn voor de aanstormende heidenen, maar te bedenken, hoe zij reeds vroeger door de Hemel waren geholpen, en dus ook nu op de overwinning konden rekenen, die de Almachtige hun zeker zou schenken.
8And he exhorted his people not to fear the coming of the nations, but to remember the help they had before received from heaven, and now to hope for victory from the Almighty.
9En hij staalde hun moed door teksten uit de Wet en de Profeten, en wakkerde hun strijdlust aan, door de herinnering aan de gevechten van vroeger.
9And speaking to them out of the law, and the prophets, and withal putting them in mind of the battles they had fought before, he made them more cheerful:
10En na ook hun gramschap te hebben wakker geschud, door hen op de trouweloosheid en de woordbreuk der heidenen te wijzen, gaf hij hun zijn bevelen.
10Then after he had encouraged them, he shewed withal the falsehood of the Gentiles, and their breach of oaths.
11Maar toen hij allen reeds had gewapend, niet met vertrouwen op schild en speer, maar met de troost van zijn treffende woorden, verhaalde hij hun bovendien een geloofwaardige droom, waarmee hij allen in geestdrift bracht.
11So he armed every one of them, not with defence of shield and spear, but with very good speeches and exhortations, and told them a dream worthy to be believed, whereby he rejoiced them all.
12Dit was het droomgezicht, dat hij had: Hij zag Onias, den vroegeren hogepriester, die een goed en edel mens was geweest, bescheiden in de omgang, zacht van karakter, waardig in zijn spreken, en van zijn prilste jeugd af in iedere deugd onderricht. En terwijl deze met uitgestrekte handen bad voor het gehele joodse volk,
12Now the vision was in this manner: Onias who had been high priest, a good and virtuous man, modest in his looks, gentle in his manners, and graceful in his speech, and who from a child was exercised in virtues, holding up his hands, prayed for all the people of the Jews:
13verscheen er een andere man in dezelfde houding; hij had grijze haren en een eerbiedwaardige gestalte, en was omstraald van een wonderlijk heerlijke glans.
13After this there appeared also another man, admirable for age, and glory, and environed with great beauty and majesty:
14En Onias sprak: Dit is de vriend van zijn broeders, die veel bidt voor het volk en voor de heilige stad as de profeet van God!
14Then Onias answering, Raid: This is a lover of his brethren, and of the people of Israel: this is he that prayeth much for the people, and for all the holy city, Jeremias the prophet of God.
15Daarop stak Jeremias de hand uit, gaf Judas een gouden zwaard, en sprak, terwijl hij het overreikte:
15Whereupon Jeremias stretched forth his right hand, and gave to Judas a sword of gold, saying:
16Ontvang dit heilige zwaard als een geschenk van God. Hiermee zult ge uw vijand verslaan!
16Take this holy sword a gift from God, wherewith thou shalt overthrow the adversaries of my people Israel.
17Zo werden ze gesterkt door Judas' heerlijke woorden, die uiterst geschikt waren, om de moed van jonge mannen aan te wakkeren en hun harten te stalen. Zij besloten dan ook, geen legerplaats meer op te slaan, maar terstond een moedige aanval te wagen en met inspanning van alle krachten een beslissende slag te leveren, omdat de stad, de godsdienst en de tempel in gevaar verkeerden.
17Thus being exhorted with the words of Judas, which were very good, and proper to stir up the courage, and strengthen the hearts of the young men, they resolved to fight, and to set upon them manfully: that valour might decide the matter, because the holy city and the temple were in danger.
18Ja, zij waren minder bezorgd voor hun vrouwen en kinderen, broers en verwanten; hun eerste en grootste zorg gold de heilige tempel!
18For their concern was less for their wives, and children, and for their brethren, and kinsfolks: but their greatest and principal fear was for the holiness of the temple.
19Maar die in de stad waren achtergebleven, maakten zich dodelijk bezorgd en ongerust over de aanval in het open veld,
19And they also that were in the city, had no little concern for them that were to be engaged in battle.
20en wachtten allen met spanning op de beslissende slag, die ging komen. Reeds had de vijand zich samengetrokken, het leger in slagorde opgesteld, de olifanten op hun vaste plaatsen gebracht, en de ruiterij over de beide vleugels verdeeld.
20And now when all expected what judgment would be given, and the enemies were at hand, and the army was set in array, the beasts and the horsemen ranged in convenient places,
21Toen de Makkabeër de troepenmassa vooruit zag rukken, voorzien van alle soort wapens en wilde beesten, strekte hij zijn handen naar de hemel uit, en richtte zich smekend tot den Heer, die wonderen kan doen. Want hij wist, dat de zege niet afhangt van wapens, maar dat God ze verleent aan hen, die Hij daarvoor waardig keurt.
21Machabeus considering the coming of the multitude, and the divers preparations of armour, and the fierceness of the beasts, stretching out his hands to heaven, called upon the Lord, that worketh wonders, who giveth victory to them that are worthy, not according to the power of their arms, but according as it seemeth good to him.
22En hij bad: Heer, Gij hebt onder Ezekias, den koning van Juda, uw engel gezonden, die ongeveer honderd vijf en tachtigduizend man van Sinacheribs leger verdelgde,
22And in his prayer he said after this manner: Thou, O Lord, who didst send thy angel in the time of Ezechias king of Juda, and didst kill a hundred and eighty-five thousand of the army of Sennacherib:
23Heer des Hemels, zend ook thans ons een goeden engel vooruit, om angst en schrik te verspreiden.
23Send now also, O Lord of heaven, thy good angel before us, for the fear and dread of the greatness of thy arm,
24Laat hen, die onder godslasteringen oprukken tegen uw heilig volk, door de kracht van uw arm worden verpletterd! Toen trok hij op.
24That they may be afraid, who come with blasphemy against thy holy people. And thus he concluded his prayer.
25Nikánors troepen rukten vooruit onder trompetgeschal en krijgsgezang;
25But Nicanor, and they that were with him came forward, with trumpets and songs.
26maar Judas' mannen stormden op den vijand in onder bidden en smeken.
26But Judas, and they that were with him, encountered them, calling upon God by prayers:
27Wél streden zij met hun handen, maar hun hart bad tot God! Zo doodden zij niet minder dan vijf en dertigduizend man, ten hoogste verheugd over Gods zichtbare hulp.
27So fighting with their hands, but praying to the Lord with their hearts, they slew no less than five and thirty thousand, being greatly cheered with the presence of God.
28Toen de slag was geëindigd en zij zich vol vreugde terugtrokken, zagen zij Nikánor in volle wapenrusting op de grond liggen.
28And when the battle was over, and they were returning with joy, they understood that Nicanor was slain in his armour.
29Nu barstte het schreeuwen en joelen los, en in hun moedertaal hieven zij een lofzang aan voor den Heer.
29Then making a shout, and a great noise, they blessed the Almighty Lord in their own language.
30En Judas, die onafgebroken met lichaam en ziel voor zijn medeburgers op de bres had gestaan, en van zijn prilste jeugd af de liefde voor zijn volksgenoten trouw had bewaard, gaf bevel, het hoofd, de hand en de arm van Nikánor af te hakken en naar Jerusalem te brengen.
30And Judas, who was altogether ready, in body and mind, to die for his countrymen, commanded that Nicanor’s head, and his hand with the shoulder should be cut off, and carried to Jerusalem.
31Daar aangekomen, riep hij zijn volksgenoten bijeen, liet de priesters voor het offeraltaar treden, en nodigde er ook de burchtbezetting bij uit.
31And when he was come thither, having called together his countrymen, and the priests to the altar, he sent also for them that were in the castle,
32Nu toonde hij hun het hoofd van den vervloekten Nikánor en de hand van den godslasteraar, die hij brutaal tegen het heiligdom van den almachtigen God had uitgestoken.
32And shewing them the head of Nicenor, and the wicked hand, which he had stretched out, with proud boasts, against the holy house of the Almighty God,
33Hij beval, de tong van den goddelozen Nikánor uit te snijden en in stukken aan de vogels te geven, maar de hand van den schurk hing hij aan de tempel op.
33He commanded also, that the tongue of the wicked Nicanor, should be cut out and given by pieces to birds, and the hand of the furious man to be hanged up over against the temple.
34Toen loofden zij allen, met de blikken ten hemel, den Heer, die Zich zo duidelijk had geopenbaard, en ze riepen: Geprezen is Hij, die zijn woonplaats ongerept heeft bewaard!
34Then all blessed the Lord of heaven, saying: Blessed be he that hath kept his own place undefiled.
35Daarna liet hij het hoofd van Nikánor aan de burcht ophangen als een zichtbaar en duidelijk bewijs voor de hulp des Heren.
35And he hung up Nicanor’s head in the top of the castle, that it might be an evident and manifest sign of the help of God.
36Tenslotte namen zij allen eenstemmig het besluit, deze dag niet ongemerkt te laten voorbijgaan, maar hem plechtig te vieren, en wel daags voor het Mardokeusfeest, op de dertiende van de twaalfde maand, die in het syrisch Adar heet.
36And they all ordained by a common decree, by no means to let this day pass without solemnity:
37Zo eindigde de geschiedenis van Nikánor. En daar de Hebreën sindsdien de stad in hun macht hielden, besluit ik hier mijn verhaal.
37But to celebrate the thirteenth day of the month of Adar, called, in the Syrian language, the day before Mardochias’ day.
38Als deze samenvatting goed en raak is uitgevallen, dan is mijn eigen wens vervuld; maar is ze zwak en middelmatig, dan heb ik in ieder geval gedaan, wat ik kon.
38So these things being done with relation to Nicanor, and from that time the city being possessed by the Hebrews, I also will here make an end of my narration.
39Want zoals het verkeerd is, uitsluitend wijn of uitsluitend water te drinken, terwijl wijn-met-water aangenaam is en de smaak volkomen bevredigt, zo is ook in een boek het samengaan van stof en stijl een genot voor hen die het lezen. En dit is het eind.
39Which if I have done well, and as it becometh the history, it is what I desired: but if not so perfectly, it must be pardoned me.
no verse 40 in this text
40For as it is hurtful to drink always wine, or always water, but pleasant to use sometimes the one, and sometimes the other: so if the speech be always nicely framed, it will not be grateful to the readers. But here it shall be ended.

Tip: use the ← and → keys to turn chapters.