Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
Douay-Rheims Bible, American Edition (1899)
1Niet lang daarna zond de koning een ouden man, uit Antiochië afkomstig, die de Joden er toe moest dwingen, de wetten hunner vaderen te verloochenen en niet meer volgens Gods geboden te leven.
1But not long after the king sent a certain old man of Antioch, to compel the Jews to depart from the laws of their fathers and of God:
2Bovendien moest hij de tempel van Jerusalem onteren en aan Zeus Olúmpius toewijden, terwijl de tempel op de Gerizzim om de gastvrijheid van de bewoners dier plaats aan Zeus Xénius moesten worden toegewijd.
2And to defile the temple that was in Jerusalem, and to call it the temple of Jupiter Olympius: and that in Gazarim of Jupiter Hospitalis, according as they were that inhabited the place.
3Zo bleef het kwaad voortwoekeren, totdat het zelfs voor de grote massa onverdragelijk en walgelijk werd.
3And very bad was this invasion of evils and grievous to all.
4Want de hele tempel werd door de heidenen in beslag genomen voor hun uitspattingen en drinkgelagen; zij verlustigden zich aan deernen, gaven zich in de heilige voorhoven met vrouwen af, en brachten allerlei andere onbehoorlijkheden naar binnen,
4For the temple was full of the riot and revellings of the Gentiles: and of men lying with lewd women. And women thrust themselves of their accord into the holy places, and brought in things that were not lawful.
5zodat het brandofferaltaar vol kwam te liggen met ongerechtigheden, die door de wet waren verboden.
5The altar also was filled with unlawful things, which were forbidden by the laws.
6Het was verboden, de sabbat of de voorvaderlijke feesten te vieren, en men mocht zich niet eens meer als Jood laten kennen.
6And neither were the sabbaths kept, nor the solemn days of the fathers observed, neither did any man plainly profess himself to be a Jew.
7Integendeel: men werd met bruut geweld naar de offermaaltijd gesleurd, die elke maand op de geboortedag van den koning plaats had; en op het feest van Dionúsus werd men gedwongen met klimopkransen aan de Dionúsus-processie deel te nemen.
7But they were led by bitter constraint on the king’s birthday to the sacrifices: and when the feast of Bacchus was kept, they wore compelled to go about crowned with ivy in honour of Bacchus.
8Ook voor de naburige griekse steden werd op aanstoken van Ptoleméus het bevel uitgevaardigd, om op dezelfde wijze tegen de Joden op te treden en hen offermaaltijden te laten houden.
8And there went out a decree into the neighbouring cities of the Gentiles, by the suggestion of the Ptolemeans, that they also should act in like manner against the Jews, to oblige them to sacrifice:
9Wie weigeren zou, de griekse gewoonten over te nemen, moest worden gedood. Toen kon men het begin van de ellende aanschouwen!
9And whosoever would not conform themselves to the ways of the Gentiles, should be put to death: then was misery to be seen.
10Zo werden er twee vrouwen opgebracht, die haar kinderen hadden besneden. Men hing haar de kinderen aan de hals, voerde ze openlijk door de stad, en slingerde ze toen van de muur.
10For two women were accused to have circumcised their children: whom, when they had openly led about through the city with the infants hanging at their breasts, they threw down headlong from the walls.
11Anderen, die ijlings in de nabijgelegen spelonken waren samengekomen, om in het geheim de sabbat te vieren, werden aan Filippus verraden, en stierven tezamen de vuurdood, daar zij uit eerbied voor de hoogheilige dag zich niet durfden verdedigen.
11And others that had met together in caves that were near, and were keeping the sabbath day privately, being discovered by Philip, were burnt with fire, because they made a conscience to help themselves with their hands, by reason of the religious observance of the day.
12Nu verzoek ik allen, die dit boek in handen krijgen, zich niet te ergeren aan deze rampen, maar te bedenken, dat zulke straffen niet de ondergang, maar de verbetering van ons volk ten doel hebben gehad.
12Now I beseech those that shall read this book, that they be not shocked at these calamities, but that they consider the things that happened, not as being for the destruction, but for the correction of our nation.
13Want als de zondaars slechts korte tijd met rust worden gelaten, en dadelijk hun straf krijgen, dan is dat een bewijs van grote genade.
13For it is a token of great goodness when sinners are not suffered to go on in their ways for a long time, but are presently punished.
14Bij andere volken toch wacht de Heer geduldig en Hij straft hen eerst dan, wanneer zij de volle maat van hun zonden hebben bereikt. Maar met ons besloot Hij, anders te handelen,
14For, not as with other nations (whom the Lord patiently expecteth, that when the day of judgment shall come, he may punish them in the fulness of their sins:)
15daar Hij ons niet op het laatste ogenblik met zijn wraak wilde treffen, als onze zonden haar hoogtepunt zouden hebben bereikt.
15Doth he also deal with us, so as to suffer our sins to come to their height, and then take vengeance on us.
16Want ons onttrekt Hij zijn barmhartigheid niet; wel kastijdt Hij zijn volk met rampen, maar verlaten doet Hij het nooit!
16And therefore he never withdraweth his mercy from us: but though he chastise his people with adversity, he forsaketh them not.
17Dit zij ons ter overweging gezegd. Na deze korte onderbreking gaan we verder met ons verhaal.
17But let this suffice in a few words for a warning to the readers. And now we must come to the narration.
18Elazar, een der meest vooraanstaande schriftgeleerden, tevens een hoogbejaarde, indrukwekkende verschijning, werd gedwongen, varkensvlees te eten, nadat men hem met geweld de mond had geopend.
18Eleazar one of the chief of the scribes, a man advanced in years, and of a comely countenance, was pressed to open his mouth to eat swine’s flesh.
19Daar hij liever eervol wilde sterven, dan in verachting leven, spuwde hij het uit, en ging vrijwillig naar de pijnbank.
19But he, choosing rather a most glorious death than a hateful life, went forward voluntarily to the torment.
20Want zo wilde hij het voorbeeld geven aan allen, om standvastig de spijzen te weigeren, die verboden waren, ten koste zelfs van het leven, dat zij liefhadden.
20And considering in what manner he was come to it, patiently bearing, he determined not to do any unlawful things for the love of life.
21Maar zij, die met het toezicht op de onwettige offermaaltijd waren belast, namen den man, dien zij van vroeger kenden, terzijde, en drongen er bij hem op aan, vlees te laten komen, dat hij eten mocht. Hij zou het zelf klaar kunnen maken, maar moest de schijn aannemen, alsof hij van het offervlees at, dat door den koning was voorgeschreven.
21But they that stood by, being moved with wicked pity, for the old friendship they had with the man, taking him aside, desired that flesh might be brought, which it was lawful for him to eat, that he might make as if he had eaten, as the king had commanded of the flesh of the sacrifice:
22Deed hij dit, dan zou hij de dood ontlopen, en op grond van de oude vriendschap welwillend worden behandeld.
22That by so doing he might be delivered from death: and for the sake of their old friendship with the man they did him this courtesy.
23Maar hij nam een heerlijk besluit, dat paste bij zijn leeftijd, bij het aanzien van zijn ouderdom, bij de adel van zijn grijze haren, die hij met ere droeg, en bij het voorbeeldig leven, dat hij van zijn jeugd af geleid had, maar dat vooral in overeenstemming was met de heilige en door God gegeven wetten. Hij verklaarde openlijk, dat men hem maar onverwijld ter dood moest brengen.
23But he began to consider the dignity of his age, and his ancient years, and the inbred honour of his grey head, and his good life and conversation from a child: and he answered without delay, according to the ordinances of the holy law made by God, saying, that he would rather be sent into the other world.
24Want hij sprak: Op onze leeftijd past het niet, te huichelen. Want dan zouden veel jonge mannen gaan menen, dat de negentigjarige Elazar naar het heidendom is overgelopen,
24For it doth not become our age, said he, to dissemble: whereby many young persons might think that Eleazar, at the age of fourscore and ten years, was gone over to the life of the heathens:
25en door mijn huichelarij en door mijn gehechtheid aan dit klein stukje leven op een dwaalspoor worden gebracht, terwijl ik zelf in smaad en schande mijn oude dagen zou slijten.
25And so they, through my dissimulation, and for a little time of a corruptible life, should be deceived, and hereby I should bring a stain and a curse upon my old age.
26En al zou ik voor dit ogenblik de kwellingen der mensen ontgaan, toch zou ik, levend of dood, niet kunnen ontkomen aan de handen van den almachtigen God.
26For though, for the present time, I should be delivered from the punishments of men, yet should I not escape the hand of the Almighty neither alive nor dead.
27Daarom geef ik nu manmoedig mijn leven, en zal ik tonen, mijn hoge leeftijd waardig te zijn.
27Wherefore by departing manfully out of this life, I shall shew myself worthy of my old age:
28Zo laat ik ook aan de jongeren een edel voorbeeld achter, hoe men met moed en overtuiging een schone dood kan sterven voor de verheven en heilige wetten. Toen hij dit had gezegd, ging hij onmiddellijk naar de pijnbank.
28And I shall leave an example of fortitude to young men, if with a ready mind and constancy I suffer an honourable death, for the most venerable and most holy laws. And having spoken thus, he was forthwith carried to execution.
29Maar bij deze woorden sloeg de mildheid, die men hem nog kort te voren betoond had, in woede om. Men sleepte hem voort en geselde hem, daar men meende, dat hij dol was geworden.
29And they that led him, and had been a little before more mild, were changed to wrath for the words he had spoken, which they thought were uttered out of arrogancy.
30Toen hij op het punt stond onder de geselslagen te bezwijken, sprak hij kreunend: De Heer weet in zijn heilige wijsheid, dat ik, die de dood kon ontlopen, de gruwelijkste geselpijnen in mijn lichaam verduur, maar dat ik ze uit ontzag voor God met graagte lijd in mijn ziel.
30But when he was now ready to die with the stripes, he groaned, and said: O Lord, who hast the holy knowledge, thou knowest manifestly that whereas I might be delivered from death, I suffer grevious pains in body: but in soul am well content to suffer these things because I fear thee.
31Zo stierf hij, en liet door zijn dood niet alleen aan de jongeren, maar ook aan het grootste deel van het volk een voorbeeld na van edele gezindheid en een herinnering aan waarachtige moed!
31Thus did this man die, leaving not only to young men, but also to the whole nation, the memory of his death for an example of virtue and fortitude.

Tip: use the ← and → keys to turn chapters.