Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
Douay-Rheims Bible, American Edition (1899)
1In het jaar 149 vernamen de aanhangers van Judas, dat Antiochus Eúpator met een leger tegen Juda oprukte,
1In the year one hundred and forty-nine, Judas understood that Antiochus Eupator was coming with a multitude against Judea,
2en dat hij vergezeld was van zijn voogd Lúsias, den rijkskanselier. Met hen beiden beschikten ze over een grieks leger van honderd tienduizend man voetvolk, drie en vijftighonderd ruiters, twee en twintig olifanten en driehonderd zeiswagens.
2And with him Lysias the regent, who had charge over the affairs of the realm, having with him a hundred and ten thousand footmen, five thousand horsemen, twenty-two elephants, and three hundred chariots armed with hooks.
3Ook Meneláus had zich bij hen aangesloten en hitste met zijn aanhoudende huichelarij Antiochus nog op. Want het was hem niet om het welzijn van het land te doen, doch hij hoopte, in zijn ambt te worden hersteld.
3Menelaus also joined himself with them: and with great deceitfulness besought Antiochus, not for the welfare of his country, but in hopes that he should be appointed chief ruler.
4Maar de Koning der koningen wist de toorn van Antiochus tegen den booswicht op te wekken; en toen Lúsias kon aantonen, dat hij de oorzaak was van alle rampen, gaf Antiochus bevel, hem naar Beréa te brengen en hem daar volgens plaatselijk gebruik terecht te stellen.
4But the King of kings stirred up the mind of Antiochus against the sinner, and upon Lysias suggesting that he was the cause of all the evils, he commanded (as the custom is with them) that he should be apprehended and put to death in the same place.
5Hier bevond zich namelijk een vijftig el hoge toren, die gevuld was met gloeiende as en voorzien van een draaibaar toestel, waarmee de slachtoffers van alle kanten in de as konden worden geworpen.
5Now there was in that place a tower fifty cubits high, having a heap of ashes on every side: this had a prospect steep down.
6Daar werden in aller bijzijn tempelrovers en andere grote misdadigers aan de ondergang prijs gegeven.
6From thence he commanded the sacrilegious wretch to be thrown down into the ashes, all men thrusting him forward unto death.
7Zulk een dood moest de goddeloze Meneláus nu sterven,
7And by such a law it happened that Menelaus the transgressor of the law was put to death: not having so much as burial in the earth.
8en hij kreeg terecht geen graf in de aarde; want hij had zoveel misdaden bedreven tegen het altaar, waarvan het vuur en de as heilig zijn, dat hij in de as de dood moest vinden.
8And indeed very justly, for insomuch as he had committed many sins against the altar of God, the fire and ashes of which were holy: he was condemned to die in ashes.
9Intussen rukte de koning in wilde vaart vooruit, met het plan, de Joden nog gruwelijker te mishandelen, dan zijn vader gedaan had.
9But the king, with his mind full of rage, came on to shew himself worse to the Jews than his father was.
10Judas hoorde het, en spoorde allen aan, om den Heer dag en nacht te smeken, dat Hij hun thans, evenals vroeger, zou bijstaan, omdat er gevaar dreigde, de wet, het vaderland en de heilige tempel te verliezen,
10Which, when Judas understood, he commanded the people to call upon the Lord day and night, that as he had always done, so now also he would help them:
11en dat Hij het volk, dat zich eerst sedert korte tijd een weinig hersteld had, toch niet opnieuw door de goddeloze heidenen zou laten overmeesteren.
11Because they were afraid to be deprived of the law, and of their country, and of the holy temple: and that he would not suffer the people, that had of late taken breath for a little while, to be again in subjection to blasphemous nations.
12Ze deden dit allen eensgezind, en op hun knieën liggend, smeekten zij drie dagen lang zonder ophouden en onder wenen en vasten tot den barmhartigen Heer. Maar toen wist Judas hun moed in te spreken, en gaf bevel, zich bereid te houden.
12So when they had all done this together, and had craved mercy of the Lord with weeping and fasting, lying prostrate on the ground for three days continually, Judas exhorted them to make themselves ready.
13In overleg met de oudsten nam hij het besluit, om op te rukken en met de hulp des Heren de strijd uit te vechten, nog eer het leger van den koning Judea was binnengevallen en de stad zou bemachtigen.
13But he with the ancients determined, before the king should bring his army into Judea, and make himself master of the city, to go out, and to commit the event of the thing to the judgment of the Lord.
14En terwijl hij de uitslag aan den Schepper der wereld toevertrouwde, spoorde hij zijn mannen aan, moedig tot in de dood voor wet, tempel, stad, vaderland en regering te strijden. Daarna sloeg hij zijn legerkamp bij Modin op,
14So committing all to God, the creator of the world, and having exhorted his people to fight manfully, and to stand up even to death for the laws, the temple, the city, their country, and citizens: he placed his army about Modin.
15en gaf aan zijn soldaten het parool: God overwint! Nu koos hij uit de jongere soldaten de dappersten uit, deed een nachtelijke overval op de koninklijke tent, doodde in het kamp ongeveer tweeduizend man, en wist zelfs den grootsten olifant met zijn drijver te vellen.
15And having given his company for a watchword, The victory of God, with most valiant chosen young men, he set upon the king’s quarter by night, and slew four thousand men in the camp, and the greatest of the elephants, with them that had been upon him,
16Ten leste sloegen zij het gehele kamp met angst en ontzetting, en trokken zegevierend af,
16And having filled the camp of the enemies with exceeding greet fear and tumult, they went off with good success.
17toen de dag was aangebroken. Deze uitslag dankten zij aan de hulp en de steun van den Heer.
17Now this was done at the break of day, by the protection and help of the Lord.
18De koning, die nu een voorproef had gekregen van de dapperheid der Joden, trachtte daarom met list de versterkte plaatsen in zijn handen te krijgen.
18But the king having taken a taste of the hardiness of the Jews, attempted to take the strong places by policy:
19Hij rukte op tegen de sterke joodse vesting Bet-Soer, maar werd teruggeslagen; hij deed een nieuwe aanval, welke eveneens mislukte.
19And he marched with his army to Bethsura, which was a strong hold of the Jews: but he was repulsed, he failed, he rest his men.
20Intussen bleef Judas de bezetting van al het nodige voorzien.
20Now Judas sent necessaries to them that were within.
21Maar een joodse soldaat, Rodokus geheten, verried hun geheimen aan den vijand; hij werd echter betrapt, gegrepen en terechtgesteld.
21But Rhodocus, one of the Jews’ army, disclosed the secrets to the enemies, so he was sought out, and taken up, and put in prison.
22Nu knoopte de koning voor de tweede maal onderhandelingen aan met de inwoners van Bet-Soer, en deed een vredesvoorstel, dat werd aangenomen. Hij trok dus af, maar stiet toen op het leger van Judas en werd verslagen.
22Again the king treated with them that were in Bethsura: gave his right hand: took theirs: and went away.
23Daar hoorde hij eensklaps, dat zijn rijksbestuurder Filippus in Antiochië een opstand was begonnen. In zijn verwarring riep hij de Joden te hulp; hij werd heel inschikkelijk, en willigde onder ede al hun rechtmatige eisen in. Na de verzoening bracht hij zelfs een offer, en betuigde zijn eerbied voor de tempel en zijn welwillendheid voor de stad.
23He fought with Jucias: and was overcome. And when he understood that Philip, who had been left over the affairs, had rebelled at Antioch, he was in a consternation of mind, and entreating the Jews, and yielding to them, he swore to all things that seemed reasonable, and, being reconciled, offered sacrifices, honoured the temple, and left gifts.
24Hij ontving den Makkabeër vriendschappelijk, en benoemde hem tot stadhouder over het gebied tussen Ptolemáis en Gerar.
24He embraced Machabeus, and made him governor and prince from Ptolemais unto the Cerrenians.
25Vervolgens begaf hij zich naar Ptolemáis, waar de inwoners zich ontevreden toonden over het verdrag; zij ergerden zich aan de bepalingen, en wilden, dat ze werden ingetrokken.
25But when he was come to Ptolemais, the men of that city were much displeased with the conditions of the peace, being angry for fear they should break the covenant.
26Toen beklom Lúsias het spreekgestoelte, verdedigde de beslissing zo goed hij kon, en wist hen met kalmerende woorden te overreden en tevreden te stellen. Daarna keerde hij naar Antiochië terug. Zo verliepen de opmars en de aftocht van den koning.
26Then Lysias went up to the judgment seat, and set forth the reason, and appeased the people, and returned to Antioch: and thus matters went with regard to the king’s coming and his return.

Tip: use the ← and → keys to turn chapters.