2 Makkabeeen 4
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
Douay-Rheims Bible, American Edition (1899)
1Maar nu begon bovengenoemde Sjimon, die tegelijk met de schatten zijn vaderland had verraden, tegen Onias te lasteren, dat hij Heliodórus zou hebben mishandeld, en het onheil zou hebben verwekt.
1But Simon, of whom we spoke before, and of his country, spoke ill of Onias, as though he had incited Heliodorus to do these things, and had been the promoter of evils:
2Ja, van hoogverraad durfde hij hèm beschuldigen, die toch de weldoener was van de stad, de beschermer van zijn volksgenoten en de ijveraar voor de wet.
2And he presumed to call him a traitor to the kingdom, who provided for the city, and defended his nation, and wed zealous for the law of God.
3De vijandschap liep zo hoog, dat een van Sjimons aanhangers doodslag beging.
3But when the enmities proceeded so far, that murders also were committed by some of Simon’s friends:
4Onias zag heel goed, hoe gevaarlijk deze gespannen toestand kon worden, omdat Apollónius, de zoon van Menésteus en stadhouder van Celesyrië en Fenicië, het vijandig optreden van Sjimon nog steunde.
4Onias considering the danger of this contention, and that Apollonius, who was the governor of Celesyria and Phenicia, was outrageous, which increased the malice of Simon, went to the king,
5Daarom begaf hij zich naar den koning, niet om een van zijn medeburgers aan te klagen, maar uit louter bezorgdheid voor het welzijn van het gehele volk.
5Not to be an accuser of his countrymen, but with a view to the common good of all the people.
6Want hij begreep, dat een vredelievende oplossing onmogelijk zou zijn, en dat Sjimon zijn waanzinnig optreden niet staken zou, zolang de koning niet ingreep.
6For he saw that, except the king took care, it was impossible that matters should be settled in peace, or that Simon would cease from his folly.
7Toen Antiochus Epifanes na de dood van Seleúkus de regering had overgenomen, wist Jáson, de broer van Onias, op slinkse wijze beslag te leggen op de hogepriesterlijke waardigheid.
7But after the death of Seleucus, when Antiochus, who was called the Illustrious, had taken possession of the kingdom, Jason the brother of Onias ambitiously sought the high priesthood:
8Bij een ontmoeting met den koning beloofde hij hem driehonderd zestig talenten zilver uit de tempelschat, en verder nog tachtig talenten uit andere bronnen van inkomsten.
8And went to the king, promising him three hundred and sixty talents of silver, and out of other revenues fourscore talents.
9Bovendien zegde hij hem toe, nog honderd vijftig talenten uit te betalen, als hij van hem verlof kreeg, een athletenschool en een worstelperk voor de jeugd te mogen oprichten, en de inwoners van Jerusalem als burgers van Antiochië te laten inschrijven.
9Besides this he promised also a hundred and fifty more, if he might have license to set him up a place for exercise, and a place for youth, and to entitle them, that were at Jerusalem, Antiochians.
10Toen de koning zijn toestemming had gegeven, en Jáson de hogepriesterlijke macht in handen had gekregen, begon hij dadelijk zijn volksgenoten naar grieks model te hervormen.
10Which when the king had granted, and he had gotten the rule into his hands, forthwith he began to bring over his countrymen to the fashion of the heathens.
11Hij schafte de voor de Joden gunstige bepalingen af, welke bij de koningen waren bedongen door Johannes, den vader van Eupólemus, die deel had uitgemaakt van het gezantschap naar de Romeinen, om vriend- en bondgenootschap te sluiten. Ook hief hij de gewoonten op, welke in overeenstemming waren met de Wet, en voerde nieuwe gebruiken in, welke tegen de Wet indruisten.
11And abolishing those things, which had been decreed of special favour by the kings in behalf of the Jews, by the means of John the father of that Eupolemus, who went ambassador to Rome to make amity and alliance, he disannulled the lawful ordinances of the citizens, and brought in fashions that were perverse.
12Met opzet bouwde hij aan de voet van de burcht een athletenschool, en bracht jongens van onze voornaamste burgers er toe, de griekse hoed te dragen.
12For he had the boldness to set up, under the very castle, a place of exercise, and to put all the choicest youths in brothel houses.
13Geholpen door de verregaande schaamteloosheid van den goddelozen en onpriesterlijken Jáson, dreef men nu de hellenisering zo ver door en voerde men de verspreiding van vreemde elementen zo hoog op,
13Now this was not the beginning, but an increase, and progress of heathenish and foreign manners, through the abominable and unheard of wickedness of Jason, that impious wretch and no priest.
14dat de priesters niets meer voelden voor de altaardienst, minachting hadden voor de tempel en de offers verwaarloosden, maar liever naar het worstelperk liepen, om de zondige kampspelen bij te wonen, welke na de oproep tot het discuswerpen begonnen.
14Insomuch that the priests were not now occupied about the offices of the altar, but despising the temple and neglecting the sacrifices, hastened to be partakers of the games, and of the unlawful allowance thereof, and of the exercise of the discus.
15Terwijl zij dus niets meer gaven om wat bij hun vaderen in ere stond, waren zij fel op griekse onderscheidingen.
15And setting nought by the honours of their fathers, they esteemed the Grecian glories for the best:
16Maar daardoor raakten zij dan ook in een pijnlijke toestand. Want juist diegenen, wier levenswijze zij overnamen en die zij in alles beproefden na te volgen, werden hun vijanden en verdrukkers.
16For the sake of which they incurred a dangerous contention, and followed earnestly their ordinances, and in all things they coveted to be like them, who were their enemies and murderers.
17Het is dan ook geen kleinigheid, tegen Gods wetten te zondigen, al wreekt dit zich ook eerst later.
17For acting wickedly against the laws of God doth not pass unpunished: but this the time following will declare.
18Toen in Tyrus de vijfjaarlijkse wedstrijden in tegenwoordigheid van den koning werden gehouden,
18Now when the game that was used every fifth year was kept at Tyre, the king being present,
19zond de ellendige Jáson als vertegenwoordigers van Jerusalem er enkele afgevaardigden heen, die het burgerrecht van Antiochië hadden verkregen. Dezen brachten driehonderd zilveren drachmen mee als een offergave voor Herkules. Maar toen zij het geld overdroegen, gaven zij als hun wens te kennen, dat men het niet aan offers zou besteden, daar dit niet paste, maar voor een ander doel zou uitgeven.
19The wicked Jason sent from Jerusalem sinful men to carry three hundred didrachmas of silver for the sacrifice of Hercules; but the bearers thereof desired it might not be bestowed on the sacrifices, because it was not necessary, but might be deputed for other charges.
20Ofschoon dus de afzender het inderdaad voor een Herkules-offer had bestemd, werd het enkel ten believen van de overbrengers voor de uitrusting van oorlogsschepen gebruikt.
20So the money was appointed by him that sent it to the sacrifice of Hercules: but because of them that carried it was employed for the making of galleys.
21Bij gelegenheid van de troonsbestijging van koning Filómetor, was Apollónius, de zoon van Menésteus, als afgevaardigde in Egypte geweest. Van hem hoorde Antiochus, dat Filómetor een vijand was van zijn politiek. Daarom ging hij, op eigen veiligheid bedacht, naar Jóppe en vandaar naar Jerusalem,
21Now when Apollonius the son of Mnestheus was sent into Egypt to treat with the nobles of king Philometor, and Antiochus understood that he was wholly excluded from the affairs of the kingdom, consulting his own interest, he departed thence and came to Joppe, and from thence to Jerusalem:
22waar hij door Jáson en de bevolking met pracht en praal werd ontvangen, en met fakkellicht en onder gejubel werd ingehaald. Daarna trok hij met zijn leger naar Fenicië.
22Where he was received in a, magnificent manner by Jason, and the city, and came in with torch lights, and with praises, and from thence he returned with his army into Phenicia.
23Maar toen Jáson drie jaren later Meneláus, den broer van bovengenoemden Sjimon, naar den koning zond, om het geld af te dragen en de onderhandelingen over enkele dringende staatsaangelegenheden af te wikkelen,
23Three years afterwards Jason sent Menelaus, brother of the aforesaid Simon, to carry money to the king, and to bring answers from him concerning certain necessary affairs.
24wist deze den koning voor zich te winnen, door zich voor te doen als een invloedrijk man, en op de hogepriesterlijke macht beslag te leggen, door driehonderd talenten meer te bieden dan Jáson.
24But he being recommended to the king, when he had magnified the appearance of his power, got the high priesthood for himself, by offering more than Jason by three hundred talents of silver.
25In het bezit van een koninklijke aanstelling kwam hij thuis. Toch was hij in geen enkel opzicht het hogepriesterschap waardig; integendeel: hij raasde als een wrede tyran, en ging te keer als een wild dier.
25So having received the king’s mandate, he returned bringing nothing worthy of the high priesthood: but having the mind of a cruel tyrant, and the rage of a savage beast.
26Zo werd Jáson zelf, die zijn eigen broer de voet had gelicht, door een ander verdrongen, en genoodzaakt, de vlucht te nemen naar het land der Ammonieten.
26Then Jason, who had undermined his own brother, being himself undermined, was driven out a fugitive into the country of the Ammonites.
27Nu had Meneláus de macht wel in handen, maar voor het geld, dat hij den koning beloofd had, zorgde hij niet, ondanks de vorderingen van Sostrátes, den bevelhebber van de burcht, die de belastingen moest innen.
27So Menelaus got the principality: but as for the money he had promised to the king he took no care, when Sostratus the governor of the castle called for it.
28Daarom werden zij beiden door den koning ontboden.
28For to him appertained the gathering of the taxes: wherefore they were both called before the king.
29Meneláus liet zijn broer Lusimachus als plaatsvervangend hogepriester achter, en Sostrátes stelde Krátes, den bevelhebber der Cypriërs, als zijn plaatsvervanger aan.
29And Menelaus was removed from the priesthood, Lysimachus his brother succeeding: and Sostratus was made governor of the Cyprians.
30Terwijl deze zaken aanhangig waren, kwamen de inwoners van Tarsus en Mállus in opstand, omdat men hun gebied aan Antiochis, de bijzit van den koning, ten geschenke had gegeven.
30When these things were in doing, it fell out that they of Tharsus and Mallos raised a sedition, because they were given for a gift to Antiochis, the king’s concubine.
31In allerijl trok dus de koning er heen, om het oproer te onderdrukken, en liet Andrónikus, een van zijn hoge ambtenaren, als plaatsvervanger achter.
31The king therefore went in all haste to appease them, leaving Andronicus, one of his nobles, for his deputy.
32In de mening, deze gunstige gelegenheid te moeten benutten, roofde Meneláus enkele gouden voorwerpen uit de tempel en schonk die aan Andrónikus, terwijl hij andere in Tyrus en omliggende steden wist te verkopen.
32Then Menelaus supposing that he had found a convenient time, having stolen certain vessels of gold out of the temple, gave them to Andronicus, and others he had sold at Tyre, and in the neighbouring cities.
33Toen Onias hierover nauwkeurig was ingelicht, zond hij een heftig protest uit zijn vrijplaats te Dáfne, bij Antiochië, waar hij zich had teruggetrokken.
33Which when Onias understood most certainly, he reproved him, keeping himself in a safe place at Antioch beside Daphne.
34Het gevolg hiervan was, dat Meneláus er in het geheim bij Andrónikus op aandrong, Onias uit de weg te ruimen. Deze ging dus naar Onias toe, stelde hem door een meineed gerust, en stak hem de hand toe. Ofschoon zijn optreden argwaan wekte, wist hij Onias toch uit zijn vrijplaats te lokken, waarop hij hem onmiddellijk van kant maakte, zonder de minste eerbied voor recht.
34Whereupon Menelaus coming to Andronicus, desired him to kill Onias. And he went to Onias, and gave him his right hand with an oath, and (though he were suspected by him) persuaded him to come forth out of the sanctuary, and immediately slew him, without any regard to justice.
35Hierover waren niet alleen de Joden, maar ook verschillende andere volksgroepen ontdaan; zij waren verontwaardigd over de wederrechtelijke moord op dien man.
35For which cause not only the Jews, but also the other nations, conceived indignation, and were much grieved for the unjust murder of so great a man.
36Toen de koning dan ook uit de streken van Cilicië was teruggekeerd, gingen de Joden uit de stad zich bij hem beklagen en de Grieken gaven eveneens hun afkeer te kennen over de onrechtvaardige moord op Onias.
36And when the king was come back from the places of Cilicia, the Jews that were at Antioch, and also the Creaks went to him: complaining of the unjust murder of Onias.
37Zielsbedroefd en vol medelijden werd Antiochus tot tranen bewogen om de deugdzaamheid en grote rechtschapenheid van den dode;
37Antiochus therefore was grieved in his mind for Onias, and being moved to pity, shed tears, remembering the sobriety and modesty of the deceased.
38en in woede ontstoken, nam hij Andrónikus onmiddellijk zijn purper af, liet hem de kleren van het lijf rukken, door de gehele stad rondvoeren tot op de plek, waar hij zich aan Onias had vergrepen, en liet daar den moordenaar terechtstellen. Zo had de Heer hem naar verdienste gestraft.
38And being inflamed to anger, he commanded Andronicus to be stripped of his purple, and to be led about through all the city: and that in the same place wherein he had committed the impiety against Onias, the sacrilegious wretch should be put to death, the Lord repaying him his deserved punishment.
39Intussen werd er door Lusimachus, met toestemming van Meneláus, in de stad telkens tempelroof gepleegd. Toen het bericht zich naar buiten verspreidde, dat er reeds veel gouden voorwerpen waren weggehaald, liep het volk tegen Lusimachus te hoop.
39Now when many sacrileges had been committed by Lysimachus in the temple by the counsel of Menelaus, and the rumour of it was spread abroad, the multitude gathered themselves together against Lysimachus, a great quantity of gold being already carried away.
40Maar Lusimachus liet tegen de opgewonden menigte, die van woede kookte, ongeveer drieduizend man bewapenen, en begon met geweld op te treden; een zekere Auránus, die al op jaren was, maar daarom nog niet minder wreed, voerde het bevel.
40Wherefore the multitude making an insurrection, and their minds being filled with anger, Lysimachus armed about three thousand men, and began to use violence, one Tyrannus being captain, a man far gone both in age, and in madness.
41Maar zodra men bemerkte, dat Lusimachus liet aanvallen, greep de een naar stenen, de ander naar zware stukken hout, weer anderen pakten het vuil op, dat er lag, en gooiden alles door elkaar naar de manschappen van Lusimachus.
41But when they perceived the attempt of Lysimachus, some caught up stones, some strong clubs: and some threw ashes upon Lysimachus,
42Zo verwondden zij een groot aantal van hen, sloegen anderen neer, joegen de hele troep op de vlucht, en vermoordden den tempelrover zelf bij de schatkamer.
42And many of them were wounded, and some struck down to the ground, but all were put to flight: and as for the sacrilegious fellow himself, they slew him beside the treasury.
43Naar aanleiding hiervan werd er een gerechtelijk onderzoek tegen Meneláus ingesteld,
43Now concerning these matters, an accusation was laid against Menelaus.
44en toen de koning daarvoor naar Tyrus kwam, dienden drie mannen, die door de hoge raad waren afgevaardigd, een aanklacht tegen Meneláus in.
44And when the king was come to Tyre, three men were sent from the ancients to plead the cause before him.
45Daar deze zich reeds verloren waande, beloofde hij Ptoleméus, den zoon van Dorúmenes, veel geld, als hij den koning wist om te praten.
45But Menelaus being convicted, promised Ptolemee to give him much money to persuade the king to favour him.
46Daarom nam Ptoleméus den koning mee naar een zuilengang, schijnbaar om hem wat te laten uitrusten, en deed hem van mening veranderen.
46So Ptolemee went to the king in a certain court where he was, as it were to cool himself, and brought him to be of another mind:
47Deze sprak Meneláus, den hoofdschuldige van het gehele ongeluk, van alle aanklacht vrij, maar velde het doodvonnis over de ongelukkigen, die al hadden zij voor Skyten terechtgestaan, als onschuldigen zouden zijn vrijgesproken.
47So Menelaus who was guilty of all the evil, was acquitted by him of the accusations: and those poor men, who, if they had pleaded their cause even before Scythians, should have been judged innocent, were condemned to death.
48En de onrechtvaardige straf werd onmiddellijk voltrokken aan mensen, die slechts voor stad en volk en voor de heilige vaten waren opgekomen.
48Thus they that prosecuted the cause for the city, and for the people, and the sacred vessels, did soon suffer unjust punishment.
49Zelfs de inwoners van Tyrus waren hierover zo verontwaardigd, dat zij op vorstelijke wijze voor hun begrafenis zorgden.
49Wherefore even the Tyrians being moved with indignation, were liberal towards their burial.
50Zo behield Meneláus zijn post, dank zij de hebzucht der machthebbers. Hij stapelde misdaad op misdaad, en bleef zijn medeburgers verschrikkelijk vervolgen.
50And so through the covetousness of them that were in power, Menelaus continued in authority, increasing in malice to the betraying of the citizens.
Tip: use the ← and → keys to turn chapters.