Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
Douay-Rheims Bible, American Edition (1899)
1Het gebeurde ongeveer in dezelfde tijd, dat Antiochus met schade en schande uit de steden van Perzië moest wegtrekken.
1At that time Antiochus returned with dishonour out of Persia.
2Hij was namelijk de stad Persépolis binnengedrongen, en had pogingen aangewend, om de tempel leeg te plunderen en de stad in zijn macht te krijgen. Daarom had het volk als één man naar de wapenen gegrepen en de aanval afgeslagen. Antiochus werd door de inwoners op de vlucht gedreven en moest beschaamd de aftocht blazen.
2For he had entered into the city called Persepolis, and attempted to rob the temple, and to oppress the city: but the multitude running together to arms, put them to flight: and so it fell out that Antiochus being put to flight returned with disgrace.
3Toen hij zich nu op weg naar Ekbátana bevond, hoorde hij, wat er met Nikánor en het leger van Timóteus was gebeurd.
3Now when he was come about Ecbatana, he received the news of what had happened to Nicanor and Timotheus.
4En in razende woede maakte hij het plan, de schande van zijn vlucht op de Joden te wreken. Hij gaf dus aan zijn wagenmenner bevel, om aan één stuk door te rijden, en een einde te maken aan de tocht. Maar de straf van de hemel achterhaalde hem. Want in zijn overmoed had hij nog gezegd: Ik maak van Jerusalem een jodenbegraafplaats, zodra ik er ben.
4And swelling with anger he thought to revenge upon the Jews the injury done by them that had put him to flight. And therefore he commanded his chariot to be driven, without stopping in his journey, the judgment of heaven urging him forward, because he had spoken so proudly, that he would come to Jerusalem, and make it a common burying place of the Jews.
5De alziende Heer, de God van Israël, sloeg hem met een ongeneeslijke en onbekende kwaal. Want nauwelijks had hij opgehouden te spreken, of hij kreeg een onuitstaanbare ziekte in de ingewanden en ontzettende inwendige pijnen.
5But the Lord the God of Israel, that seeth all things, struck him with an incurable and an invisible plague. For as soon as he had ended these words, a dreadful pain in his bowels came upon him, and bitter torments of the inner parts.
6Dit was inderdaad zijn verdiende loon, omdat hij anderen met allerlei doortrapte folteringen in hun binnenste had gekweld.
6And indeed very justly, seeing he had tormented the bowels of others with many and new torments, albeit he by no means ceased from his malice.
7Toch legde hij zijn hoogmoed niet af, maar bleef trots als te voren. In zijn woede spuwde hij vuur en vlam tegen de Joden, en gaf hij bevel, nog sneller te rijden. Toen viel hij in zijn duizelingwekkende vaart opeens zo ongelukkig van de wagen, dat hij al zijn ledematen verrekte.
7Moreover being filled with pride, breathing out fire in his rage against the Jews, and commanding the matter to be hastened, it happened as he was going with violence that he fell from the chariot, so that his limbs were much pained by a grievous bruising of the body.
8En de man, die in zijn onmenselijke hoogmoed zo even nog meende, de golven der zee te kunnen bedwingen, en de hoogste bergen op een schaal te kunnen wegen, lag nu neergesmakt op de grond, en moest in een draagstoel worden vervoerd, als een voor allen duidelijk bewijs van Gods macht.
8Thus he that seemed to himself to command even the waves of the sea, being proud above the condition of man, and to weigh the heights of the mountains in a balance, now being cast down to the ground, was carried in a litter, bearing witness to the manifest power of God in himself:
9Ten leste kropen er wormen uit het lichaam van den onverlaat, en onder afschuwelijke pijnen ging zijn vlees nog bij zijn leven tot ontbinding over, zodat de hele legerplaats door, de stank van zijn verrottend lichaam verpest werd.
9So that worms swarmed out of the body of this man, and whilst he lived in sorrow and pain, his flesh fell off, and the filthiness of his smell was noisome to the army.
10Bij den man, die kort te voren nog meende, de sterren des hemels te kunnen grijpen, kon niemand het meer uithouden door de ondragelijke stank.
10And the man that thought a little to before he could reach the stars of heaven, no man could endure to carry, for the intolerable stench.
11Eindelijk begon hij in de nood zijn hoogmoed ernstig in te binden, en door Gods geselslagen gedwongen, daar de pijnen elk ogenblik nog erger werden, kwam hij tot inkeer.
11And by this means, being brought from his great pride, he began to come to the knowledge of himself, being admonished by the scourge of God, his pains increasing every moment.
12Toen hij tenslotte zijn eigen stank niet kon verdragen, zeide hij: Het voegt, dat men zich voor God vernedert, en dat een sterfelijk mens zich geen goddelijke macht aanmatigt.
12And when he himself could not now abide his own stench, he spoke thus: It is just to be subject to God, and that a mortal man should not equal himself to God.
13En de onverlaat deed aan den Heer, die Zich niet meer over hem zou ontfermen, de gelofte,
13Then this wicked man prayed to the Lord, of whom he was not like to obtain mercy.
14dat hij de vrijheid zou erkennen van de heilige stad, waarheen hij ijlings op reis was, om haar met de grond gelijk te maken en in een begraafplaats te veranderen.
14And the city to which he was going in haste to lay it even with the ground, and to make it a, common buryingplace, he now desireth to make free.
15Ook zou hij alle Joden, die hij zelfs geen begrafenis had waardig gekeurd, maar die hij met hun kinderen als aas voor de roofvogels en wilde dieren had willen werpen, met de burgers van Athene gelijkstellen.
15And the Jews whom he said he would not account worthy to be so much as buried, but would give them up to be devoured by the birds and wild beasts, and would utterly destroy them with their children, he now promiseth to make equal with the Athenians.
16De tempel, die hij vroeger had leeggeplunderd, zou hij met de prachtigste wijgeschenken versieren, de heilige vaten ruimschoots vergoeden, en bovendien de onkosten voor de offers uit eigen middelen bestrijden.
16The holy temple also which before he had spoiled, he promiseth to adorn with goodly gifts, and to multiply the holy vessels, and to allow out of his revenues the charges pertaining to the sacrifices.
17Ja, hij zou zelfs jood willen worden, en de gehele bewoonde wereld willen rondtrekken, om Gods macht te verkondigen.
17Yea also, that he would become a Jew himself, and would go through every place of the earth, and declare the power of God.
18Maar toen de pijnen in het geheel niet verminderden, daar Gods rechtvaardig vonnis zich aan hem had voltrokken, en hij zichzelf geen hoop meer kon geven, schreef hij aan de Joden de volgende brief, die eerder op een smeekschrift geleek, en aldus luidde:
18But his pains not ceasing (for the just judgment of God was come upon him) despairing of life he wrote to the Jews in the manner of a supplication, a letter in these words:
19Antiochus, koning en veldheer, zendt aan zijn uitstekende onderdanen, de Joden, veel groeten en wenst hun gezondheid en welvaart.
19To his very good subjects the Jews, Antiochus king and ruler wisheth much health and welfare, and happiness.
20Wanneer het u en uw kinderen goed gaat en alles bij u naar wens verloopt, dan dank ik daar God allerhartelijkst voor. Want op de Hemel is mijn hoop gevestigd.
20If you and your children are well, and if all matters go with you to your mind, we give very great thanks.
21Aan mijn legerstede gekluisterd, denk ik in tedere liefde aan de hoogachting en welwillendheid, welke gij mij toedraagt. Toen ik uit de streken van Perzië terugkeerde, werd ik door een ernstige ziekte overvallen, waarom ik het nodig oordeel, maatregelen te nemen voor de algemene veiligheid.
21As for me, being infirm, but yet kindly remembering you, returning out of the places of Persia, and being taken with a grievous disease, I thought it necessary to take care for the common good:
22Wel wanhoop ik nog niet aan mijn herstel, en heb zelfs de beste verwachtingen, dat ik deze ziekte te boven zal komen.
22Not distrusting my life, but having great hope to escape the sickness.
23Maar toch bedenk ik, hoe mijn vader, bij gelegenheid van zijn veldtocht in de noordelijke streken, een opvolger aanwees,
23But considering that my father also, at what time she led an army into the higher countries, appointed who should reign after him:
24opdat als er iets onverwachts mocht gebeuren of iets hachelijks mocht geschieden, de bewoners van het land niet verontrust zouden worden, daar zij wisten, aan wien de regering was overgedragen.
24To the end that if any thing contrary to expectation should fall out, or ally bad tidings should be brought, they that were in the countries, knowing to whom the whole government was left, might not be troubled.
25Tevens bedenk ik, hoe de vorsten uit de omtrek en in de nabuurstaten op het gunstigste ogenblik zitten te wachten en de afloop van mijn ziekte bespieden. Met het oog op dit alles wijs ik bij deze mijn zoon Antiochus als koning aan. Ik heb hem reeds meermalen, tijdens mijn tochten in de noordelijke streken, vol vertrouwen bij de meesten van u aanbevolen. Hem heb ik de brief geschreven, die ik hierbij insluit.
25Moreover, considering that neighbouring princes and borderers wait for opportunities, and expect what shall be the event, I have appointed my son Antiochus king, whom I often recommended to many of you, when I went into the higher provinces: and I have written to him what I have joined here below.
26Ik verzoek u nu dringend, te willen bedenken, hoeveel goedheid ik u heb bewezen in het algemeen en in het bizonder, en allen te blijven volharden in uw goede gezindheid jegens mij en mijn zoon.
26I pray you therefore, and request of you, that remembering favours both public and private, you will every man of you continue to be faithful to me and to my son.
27Ik ben er van overtuigd, dat hij mijn richtlijnen mild en menslievend zal volgen, en in goede verstandhouding met u zal leven.
27For I trust that he will behave with I moderation and humanity, and following my intentions, will be gracious unto you.
28Zo stierf deze moordenaar en godslasteraar onder ontzettende pijnen, juist zoals hij anderen had aangedaan, een jammerlijke dood in de bergen, en ver in den vreemde.
28Thus the murderer and blasphemer, being grievously struck, as himself had treated others, died a miserable death in a strange country among the mountains.
29Zijn lijk werd begraven door zijn gunsteling Filippus, die daarop, uit vrees voor Antiochus' zoon, de vlucht nam naar Ptoleméus Filómetor in Egypte.
29But Philip that was brought up with him, carried away his body: and out of fear of the son of Antiochus, went into Egypt to Ptolemee Philometor.

Tip: use the ← and → keys to turn chapters.