Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
Douay-Rheims Bible, American Edition (1899)
1Drie jaar later vernam de aanhang van Judas, dat Demétrius, de zoon van Seleúkus, met een sterk leger en een grote vloot de haven van Tripolis was uitgevaren,
1But after the space of three years Judas, and they that were with him, understood that Demetrius the son of Seleucus was come up with a great power, and a navy by the haven of Tripolis to places proper for his purpose.
2zich van het land had meester gemaakt, en Antiochus met diens voogd Lúsias uit de weg had geruimd.
2And had made himself master of the countries against Antiochus, and his general Lysias.
3Er was toen een zekere Alkimus, die vroeger hogepriester was geweest, maar ten tijde der vijandelijkheden uit eigen beweging was afgevallen. Daar hij inzag, dat hij met geen mogelijkheid meer iets kon bereiken en geen toegang zou krijgen tot het heilige altaar,
3Now one Alcimus, who had been chief priest, but had wilfully defiled himself in the time of mingling with the heathens, seeing that there was no safety for him, nor access to the altar,
4ging hij in het jaar 15 naar koning Demétrius, en bracht hem een gouden krans met een palmtak, en verder nog de gebruikelijke olijftakken uit de tempel. Overigens hield hij zich die dag nog rustig.
4Came to king Demetrius in the year one hundred and fifty, presenting unto him a crown of gold, and a palm, and besides these, some boughs which seemed to belong to the temple. And that day indeed he held his peace.
5Maar hij nam de eerste de beste gelegenheid te baat, om zijn schandelijk plan ten uitvoer te brengen. Want toen Demétrius hem eens op een raadsvergadering liet komen en hem naar de stemming en de plannen der Joden vroeg, gaf hij ten antwoord:
5But having gotten a convenient time to further his madness, being called to counsel by Demetrius, and asked what the Jews relied upon, and what were their counsels,
6De Joden, die chasidéen worden genoemd, en die ander leiding staan van Judas, den Makkabeër, maken telkens oorlog en oproer, en laten het rijk niet tot rust komen.
6He answered thereunto: They among the Jews that are called Assideans, of whom Judas Machabeus is captain, nourish wars, and raise seditions, and will not suffer the realm to be in peace.
7Dit is de reden, dat ik van mijn erfelijke waardigheid, ik bedoel het hogepriesterschap, werd beroofd, en dat ik nu hier ben gekomen,
7For I also being deprived of my ancestors’ glory (I mean of the high priesthood) am now come hither:
8vooreerst uit oprechte bezorgdheid voor de rechten van den koning, maar vervolgens ook in het belang van mijn eigen landgenoten. Want door het domme drijven van genoemde mannen lijdt ons gehele volk ontzaglijke schade.
8Principally indeed out of fidelity to the king’s interests, but in the next place also to provide for the good of my countrymen: for all our nation suffereth much from the evil proceedings of those men.
9Koning, het is dus gewenst, dat gij u over dit alles nauwkeurig laat inlichten, en dan voor ons land en ons verdrukt volk maatregelen treft, die ingegeven zijn door de welwillendheid, die gij allen bewijst.
9Wherefore, O king, seeing thou knowest all these things, take care, I beseech thee, both of the country, and of our nation, according to thy humanity which is known to all men,
10Want zolang Judas nog leeft, komt de staat nooit tot rust.
10For as long as Judas liveth, it is not possible that the state should be quiet.
11Na deze woorden hitsten de andere gunstelingen, die Judas vijandig gezind waren, Demétrius nog meer op.
11Now when this man had spoken to this effect, the rest also of the king’s friends, who were enemies of Judas, incensed Demetrius against him.
12En onmiddellijk ontbood hij Nikánor, den vroegeren hoofdman over de olifanten, en stelde hem aan tot bevelhebber over Judea. Hij liet hem vertrekken,
12And forthwith he sent Nicanor, the commander over the elephants, governor into Judea:
13en gaf hem de schriftelijke opdracht mee, Judas te doden, zijn aanhang uit elkaar te jagen en Alkimus aan te stellen tot hogepriester van de verheven tempel.
13Giving him in charge, to take Judas himself: and disperse all them that were with him, and to make Alcimus the high priest of the great temple.
14Met hele groepen sloten zich nu bij Nikánor al de heidenen aan, die voor Judas uit Judea waren weggevlucht, en die nu hoopten, dat de tegenslag en het ongeluk der Joden hun eigen geluk zouden worden.
14Then the Gentiles who had fled out of Judea from Judas, came to Nicanor by docks, thinking the miseries and calamities of the Jews to be the welfare of their affairs.
15Bij het bericht van Nikánors opmars en van de vijandige houding der heidenen, bestrooiden de Joden zich met stof, en richtten zich smekend tot Hem, die zijn volk voor eeuwig had bevestigd, en die altijd zichtbaar zijn erfdeel beschermt.
15Now when the Jews heard of Nicanor’s coming, and that the nations were assembled against them, they cast earth upon their heads, and made supplication to him, who chose his people to keep them for ever, and who protected his portion by evident signs.
16Op bevel van hun aanvoerder trokken zij in allerijl op, en stietten bij het dorp Dessaoe op den vijand.
16Then at the commandment of their captain, they forthwith removed from the place where they were, and went to the town of Dessau, to meet them.
17Sjimon, de broer van Judas, raakte met Nikánor slaags, maar werd door het plotseling verschijnen van den vijand min of meer aan het wankelen gebracht.
17Now Simon the brother of Judas had joined battle with Nicanor, but was frightened with the sudden coming of the adversaries.
18Toch waagde Nikánor het niet, het pleit met een bloedbad te beslechten, daar hij gehoord had, hoe groot de moed was van Judas' mannen, en hoe onverschrokken zij voor hun vaderland vochten.
18Nevertheless Nicanor hearing of the valour of Judas’ companions, and the greatness of courage with which they fought for their country, was afraid to try the matter by the sword.
19Daarom vaardigde hij Posidónius, Teodótus en Mattatias af, om vredesvoorstellen in te dienen en in ontvangst te nemen.
19Wherefore he sent Posidonius, and Theodotius, and Matthias before to present and receive the right hands.
20Na vrij langdurige besprekingen stelde de veldheer zijn soldaten op de hoogte van de toestand, waarna de overeenkomst met algemene stemmen werd goedgekeurd.
20And when there had been a consultation thereupon, and the captain had acquainted the multitude with it, the) were all of one mind to consent to covenants.
21Zij bepaalden een dag, waarop zij elkaar onder vier ogen zouden treffen. Van beide partijen reed een strijdwagen voor, en er waren zetels klaar gezet.
21So they appointed a day upon which they might commune together by themselves: and seats were brought out, and set for each one.
22Intussen had Judas op verschillende belangrijke punten gewapende soldaten geplaatst voor het geval dat de vijand onverwachts verraad mocht plegen. De onderhandelingen verliepen echter ongestoord.
22But Judas ordered men to be ready in convenient places, lest some mischief might he suddenly practiced by the enemies: so they made an agreeable conference.
23Daarna bracht Nikánor een bezoek aan Jerusalem, waar hij niets afkeurenswaardigs deed; hij dankte zelfs de legers af, die zich met hele groepen bij hem hadden aangesloten.
23And Nicanor abode in Jerusalem, and did no wrong, but sent away the flocks of the multitudes that had been gathered together.
24Voortdurend zocht hij het gezelschap van Judas, daar hij zich met hart en ziel tot hem voelde aangetrokken.
24And Judas was always dear to him from the heart, and he was well affected to the man.
25Ook gaf hij hem de raad, te trouwen en een gezin te stichten. Hij trouwde dan ook, was gelukkig en genoot van zijn leven.
25And he desired him to marry a wife, and to have children. So he married: he lived quietly, and they lived in common.
26Maar toen Alkimus deze wederzijdse vriendschap bemerkte, verschafte hij zich een afschrift van de afgesloten verdragen, ging er mee naar Demétrius, en beschuldigde Nikánor van hoogverraad, omdat hij den rijksvijand Judas als zijn opvolger zou hebben aangewezen.
26But Alcimus seeing the love they had one to another, and the covenants, came to Demetrius, and told him that Nicanor assented to the foreign interest, for that he meant to make Judas, who was a traitor to the kingdom, his successor.
27De koning was woedend, en opgehitst door de lasterpraatjes van den schurk, schreef hij Nikánor, dat de verdragen zijn goedkeuring niet hadden, en dat hij hem beval, den Makkabeër zo snel mogelijk geboeid naar Antiochië te zenden.
27Then the king being in a rage and provoked with this man’s wicked accusations, wrote to Nicanor, signifying, that he was greatly displeased with the covenant of friendship: and that he commanded him nevertheless to send Machabeus prisoner in all haste to Antioch.
28Dit bericht bracht Nikánor in de grootste verwarring. Want van de ene kant viel het hem zwaar, het verdrag te schenden, daar de ander geen onrecht gepleegd had;
28When this was known, Nicanor was in a consternation, and took it grievously that he should make void the articles that were agreed upon, having received no injury from the man.
29maar van de andere kant was het niet mogelijk, zich tegen den koning te verzetten. Hij wachtte dus een geschikte gelegenheid af, om de opdracht langs een omweg uit te voeren.
29But because he could not oppose the king, he watched an opportunity to comply with the orders.
30Intussen had Judas bemerkt, dat Nikánor hem minder vriendelijk was gaan behandelen, en bij de regelmatige samenkomsten tamelijk terughoudend was geworden. Hij besloot er uit, dat deze onvriendelijkheid niets goeds kon voorspellen. Daarom verzamelde hij een flink aantal soldaten om zich heen, en hield zich voor Nikánor schuil.
30But when Machabeus perceived that Nicanor was more stern to him, and that when they met together as usual he behaved himself in a rough manner: and was sensible that this rough behaviour came not of good, he gathered together a few of his men, and hid himself from Nicanor.
31Toen deze begreep, dat hij door het besliste optreden van Judas was overtroefd, begaf hij zich naar de hoogheilige tempel juist op het ogenblik, dat de priesters de voorgeschreven offers brachten, en eiste van hen, dat zij den man zouden uitleveren.
31But he finding himself notably prevented by the man, came to the great and holy temple: and commanded the priests that were offering the accustomed sacrifices, to deliver him the man.
32Zij verklaarden echter onder ede, dat zij niet wisten, waar de bedoelde zich ophield.
32And when they swore unto him, that they knew not where the man was whom he sought, he stretched out his hand to the temple,
33Daarop stak hij zijn rechterhand dreigend tegen de tempel uit en zwoer: Als gij mij Judas niet geboeid uitlevert, zal ik dit gebouw met de grond gelijk maken, het offeraltaar vernielen en op dezelfde plaats een prachtige tempel voor Dionúsus bouwen.
33And swore, saying: Unless you deliver Judas prisoner to me, I will lay this temple of God even with the ground, and will beat down the altar, and I will dedicate this temple to Bacchus.
34Na deze bedreiging trok hij af. Toen hieven de priesters de handen ten hemel, en smeekten Hem, die altijd strijdt voor ons volk; ze zeiden:
34And when he had spoken thus he departed. But the priests stretching forth their hands to heaven, called upon him that was ever the defender of their nation, saying in this manner:
35Heer, Gij hebt van niemand iets nodig, en toch hebt Gij een tempel gewild, om onder ons te wonen.
35Thou, O Lord of all things, who wantest nothing, wast pleased that the temple of thy habitation should be amongst us.
36Heilige Heer, Bron van alle heiligheid, bewaar dus dit huis, dat nog pas is gereinigd, steeds voor ontering.
36Therefore now, O Lord the holy of all holies, keep this house for ever undefiled which was lately cleansed.
37Daarop werd een van de oudsten uit Jerusalem, Rages genaamd, bij Nikánor aangeklaagd. Hij was een man, die zijn medeburgers liefhad, zeer gunstig bekend stond, en om zijn goedhartigheid “Vader der Joden” werd genoemd.
37Now Razias, one of the ancients of Jerusalem, was accused to Nicanor, a man that was a lover of the city, and of good report, who for his affection was called the father of the Jews.
38Reeds onder de vroegste vijandelijkheden had hij de zaak van het jodendom verdedigd, en vol vuur lijf en leven voor de joodse godsdienst op het spel gezet.
38This man, for a long time, had held fast his purpose of keeping himself pure in the Jews’ religion, and was ready to expose his body and life, that he might persevere therein.
39Maar juist daarom zond Nikánor, die een openlijk bewijs wilde leveren van zijn haat tegen de Joden, meer dan vijfhonderd soldaten, om hem gevangen te nemen.
39So Nicanor being willing to declare the hatred that he bore the Jews, sent five hundred soldiers to take him.
40Want hij was overtuigd, dat deze aanhouding voor de Joden een zware slag zou betekenen.
40For he thought by insnaring him to hurt the Jews very much.
41Maar toen de troepen zich van zijn verschanste woning dreigden meester te maken, en reeds de hoofdpoort met geweld openbraken, en vuur lieten halen, om de deuren te verbranden, doorstak hij zich met zijn zwaard, nu hij zich aan alle kanten zag ingesloten.
41Now as the multitude sought to rush into his house, and to break open the door, and to set fire to it, when he was ready to be taken, he struck himself with his sword:
42Hij wilde liever een eervolle dood sterven, dan in de handen van schurken vallen, die hem zouden mishandelen op een wijze, die zijn hoge afkomst onwaardig was.
42Choosing to die nobly rather than to fall into the hands of the wicked, and to suffer abuses unbecoming his noble birth.
43Doch daar de stoot, tengevolge van opwinding en haast, minder goed was gelukt, en de troep reeds door de deuren binnendrong, klom hij moedig op de muur, en wierp zich onverschrokken naar beneden, boven op de troepen.
43But whereas through haste he missed of giving himself a sure wound, and the crowd was breaking into the doors, he ran boldly to the wall, and manfully threw himself down to the crowd:
44Deze weken echter snel achteruit, zodat er een open ruimte ontstond, waar hij midden op terecht kwam.
44But they quickly making room for his fall, he came upon the midst of the neck.
45Maar hij leefde nog, en ofschoon het bloed bij stromen uit zijn smartelijke wonden vloeide, sprong hij ziedend van toorn overeind, rende door de troepen heen, klom op een steile rots,
45And as he had yet breath in him, being inflamed in mind he arose: and while his blood ran down with a great stream, and he was grievously wounded, he ran through the crowd:
46en reeds geheel en al leeggebloed, rukte hij zich nog de ingewanden uit het lijf, en wierp ze met beide handen boven op de troepen. En nadat hij den Heer over ziel en leven nog had gesmeekt, dat Hij ze hem terug zou geven, gaf hij de geest.
46And standing upon a steep rock, when he was now almost without blood, grasping his bowels with both hands, he cast them upon the throng, calling upon the Lord of life and spirit, to restore these to him again: and so he departed this life.

Tip: use the ← and → keys to turn chapters.