2 Makkabeeen 14
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
Clementine Vulgate, 1598
1Drie jaar later vernam de aanhang van Judas, dat Demétrius, de zoon van Seleúkus, met een sterk leger en een grote vloot de haven van Tripolis was uitgevaren,
1Sed post triennii tempus, cognovit Judas et qui cum eo erant Demetrium Seleuci cum multitudine valida et navibus per portam Tripolis ascendisse ad loca opportuna,
2zich van het land had meester gemaakt, en Antiochus met diens voogd Lúsias uit de weg had geruimd.
2et tenuisse regiones adversus Antiochum, et ducem ejus Lysiam.
3Er was toen een zekere Alkimus, die vroeger hogepriester was geweest, maar ten tijde der vijandelijkheden uit eigen beweging was afgevallen. Daar hij inzag, dat hij met geen mogelijkheid meer iets kon bereiken en geen toegang zou krijgen tot het heilige altaar,
3Alcimus autem quidam, qui summus sacerdos fuerat, sed voluntarie coinquinatus est temporibus commistionis, considerans nullo modo sibi esse salutem neque accessum ad altare,
4ging hij in het jaar 15 naar koning Demétrius, en bracht hem een gouden krans met een palmtak, en verder nog de gebruikelijke olijftakken uit de tempel. Overigens hield hij zich die dag nog rustig.
4venit ad regem Demetrium centesimo quinquagesimo anno, offerens ei coronam auream et palmam, super hæc et thallos, qui templi esse videbantur. Et ipsa quidem die siluit.
5Maar hij nam de eerste de beste gelegenheid te baat, om zijn schandelijk plan ten uitvoer te brengen. Want toen Demétrius hem eens op een raadsvergadering liet komen en hem naar de stemming en de plannen der Joden vroeg, gaf hij ten antwoord:
5Tempus autem opportunum dementiæ suæ nactus, convocatus a Demetrio ad consilium, et interrogatus quibus rebus et consiliis Judæi niterentur,
6De Joden, die chasidéen worden genoemd, en die ander leiding staan van Judas, den Makkabeër, maken telkens oorlog en oproer, en laten het rijk niet tot rust komen.
6respondit: Ipsi qui dicuntur Assidæi Judæorum, quibus præest Judas Machabæus, bella nutriunt, et seditiones movent, nec patiuntur regnum esse quietum:
7Dit is de reden, dat ik van mijn erfelijke waardigheid, ik bedoel het hogepriesterschap, werd beroofd, en dat ik nu hier ben gekomen,
7nam et ego defraudatus parentum gloria (dico autem summo sacerdotio) huc veni:
8vooreerst uit oprechte bezorgdheid voor de rechten van den koning, maar vervolgens ook in het belang van mijn eigen landgenoten. Want door het domme drijven van genoemde mannen lijdt ons gehele volk ontzaglijke schade.
8primo quidem utilitatibus regis fidem servans, secundo autem etiam civibus consulens: nam illorum pravitate universum genus nostrum non minime vexatur.
9Koning, het is dus gewenst, dat gij u over dit alles nauwkeurig laat inlichten, en dan voor ons land en ons verdrukt volk maatregelen treft, die ingegeven zijn door de welwillendheid, die gij allen bewijst.
9Sed oro his singulis, o rex, cognitis, et regioni et generi, secundum humanitatem tuam pervulgatam omnibus, prospice:
10Want zolang Judas nog leeft, komt de staat nooit tot rust.
10nam, quamdiu superest Judas, impossibile est pacem esse negotiis.
11Na deze woorden hitsten de andere gunstelingen, die Judas vijandig gezind waren, Demétrius nog meer op.
11Talibus autem ab hoc dictis, et ceteri amici hostiliter se habentes adversus Judam, inflammaverunt Demetrium.
12En onmiddellijk ontbood hij Nikánor, den vroegeren hoofdman over de olifanten, en stelde hem aan tot bevelhebber over Judea. Hij liet hem vertrekken,
12Qui statim Nicanorem præpositum elephantorum ducem misit in Judæam:
13en gaf hem de schriftelijke opdracht mee, Judas te doden, zijn aanhang uit elkaar te jagen en Alkimus aan te stellen tot hogepriester van de verheven tempel.
13datis mandatis ut ipsum quidem Judam caperet: eos vero qui cum illo erant, dispergeret, et constitueret Alcimum maximi templi summum sacerdotem.
14Met hele groepen sloten zich nu bij Nikánor al de heidenen aan, die voor Judas uit Judea waren weggevlucht, en die nu hoopten, dat de tegenslag en het ongeluk der Joden hun eigen geluk zouden worden.
14Tunc gentes quæ de Judæa fugerant Judam, gregatim se Nicanori miscebant, miserias et clades Judæorum prosperitates rerum suarum existimantes.
15Bij het bericht van Nikánors opmars en van de vijandige houding der heidenen, bestrooiden de Joden zich met stof, en richtten zich smekend tot Hem, die zijn volk voor eeuwig had bevestigd, en die altijd zichtbaar zijn erfdeel beschermt.
15Audito itaque Judæi Nicanoris adventu, et conventu nationum, conspersi terra rogabant eum qui populum suum constituit, ut in æternum custodiret, quique suam portionem signis evidentibus protegit.
16Op bevel van hun aanvoerder trokken zij in allerijl op, en stietten bij het dorp Dessaoe op den vijand.
16Imperante autem duce, statim inde moverunt, conveneruntque ad castellum Dessau.
17Sjimon, de broer van Judas, raakte met Nikánor slaags, maar werd door het plotseling verschijnen van den vijand min of meer aan het wankelen gebracht.
17Simon vero frater Judæ commiserat cum Nicanore: sed conterritus est repentino adventu adversariorum.
18Toch waagde Nikánor het niet, het pleit met een bloedbad te beslechten, daar hij gehoord had, hoe groot de moed was van Judas' mannen, en hoe onverschrokken zij voor hun vaderland vochten.
18Nicanor tamen, audiens virtutem comitum Judæ, et animi magnitudinem quam pro patriæ certaminibus habebant, sanguine judicium facere metuebat.
19Daarom vaardigde hij Posidónius, Teodótus en Mattatias af, om vredesvoorstellen in te dienen en in ontvangst te nemen.
19Quam ob rem præmisit Posidonium, et Theodotium, et Matthiam, ut darent dextras atque acciperent.
20Na vrij langdurige besprekingen stelde de veldheer zijn soldaten op de hoogte van de toestand, waarna de overeenkomst met algemene stemmen werd goedgekeurd.
20Et cum diu de his consilium ageretur, et ipse dux ad multitudinem retulisset, omnium una fuit sententia amicitiis annuere.
21Zij bepaalden een dag, waarop zij elkaar onder vier ogen zouden treffen. Van beide partijen reed een strijdwagen voor, en er waren zetels klaar gezet.
21Itaque diem constituerunt, qua secreto inter se agerent: et singulis sellæ prolatæ sunt, et positæ.
22Intussen had Judas op verschillende belangrijke punten gewapende soldaten geplaatst voor het geval dat de vijand onverwachts verraad mocht plegen. De onderhandelingen verliepen echter ongestoord.
22Præcepit autem Judas armatos esse locis opportunis, ne forte ab hostibus repente mali aliquid oriretur: et congruum colloquium fecerunt.
23Daarna bracht Nikánor een bezoek aan Jerusalem, waar hij niets afkeurenswaardigs deed; hij dankte zelfs de legers af, die zich met hele groepen bij hem hadden aangesloten.
23Morabatur autem Nicanor Jerosolymis, nihilque inique agebat: gregesque turbarum quæ congregatæ fuerant, dimisit.
24Voortdurend zocht hij het gezelschap van Judas, daar hij zich met hart en ziel tot hem voelde aangetrokken.
24Habebat autem Judam semper carum ex animo, et erat viro inclinatus.
25Ook gaf hij hem de raad, te trouwen en een gezin te stichten. Hij trouwde dan ook, was gelukkig en genoot van zijn leven.
25Rogavitque eum ducere uxorem, filiosque procreare. Nuptias fecit: quiete egit, communiterque vivebant.
26Maar toen Alkimus deze wederzijdse vriendschap bemerkte, verschafte hij zich een afschrift van de afgesloten verdragen, ging er mee naar Demétrius, en beschuldigde Nikánor van hoogverraad, omdat hij den rijksvijand Judas als zijn opvolger zou hebben aangewezen.
26Alcimus autem, videns caritatem illorum ad invicem et conventiones, venit ad Demetrium, et dicebat Nicanorem rebus alienis assentire, Judamque regni insidiatorem successorem sibi destinasse.
27De koning was woedend, en opgehitst door de lasterpraatjes van den schurk, schreef hij Nikánor, dat de verdragen zijn goedkeuring niet hadden, en dat hij hem beval, den Makkabeër zo snel mogelijk geboeid naar Antiochië te zenden.
27Itaque rex exasperatus, et pessimis hujus criminationibus irritatus, scripsit Nicanori, dicens graviter quidem se ferre de amicitiæ conventione, jubere tamen Machabæum citius vinctum mittere Antiochiam.
28Dit bericht bracht Nikánor in de grootste verwarring. Want van de ene kant viel het hem zwaar, het verdrag te schenden, daar de ander geen onrecht gepleegd had;
28Quibus cognitis, Nicanor consternabatur, et graviter ferebat, si ea quæ convenerant irrita faceret, nihil læsus a viro:
29maar van de andere kant was het niet mogelijk, zich tegen den koning te verzetten. Hij wachtte dus een geschikte gelegenheid af, om de opdracht langs een omweg uit te voeren.
29sed quia regi resistere non poterat, opportunitatem observabat qua præceptum perficeret.
30Intussen had Judas bemerkt, dat Nikánor hem minder vriendelijk was gaan behandelen, en bij de regelmatige samenkomsten tamelijk terughoudend was geworden. Hij besloot er uit, dat deze onvriendelijkheid niets goeds kon voorspellen. Daarom verzamelde hij een flink aantal soldaten om zich heen, en hield zich voor Nikánor schuil.
30At Machabæus, videns secum austerius agere Nicanorem, et consuetum occursum ferocius exhibentem, intelligens non ex bono esse austeritatem istam, paucis suorum congregatis, occultavit se a Nicanore.
31Toen deze begreep, dat hij door het besliste optreden van Judas was overtroefd, begaf hij zich naar de hoogheilige tempel juist op het ogenblik, dat de priesters de voorgeschreven offers brachten, en eiste van hen, dat zij den man zouden uitleveren.
31Quod cum ille cognovit, fortiter se a viro præventum, venit ad maximum et sanctissimum templum: et sacerdotibus solitas hostias offerentibus, jussit sibi tradi virum.
32Zij verklaarden echter onder ede, dat zij niet wisten, waar de bedoelde zich ophield.
32Quibus cum juramento dicentibus nescire se ubi esset qui quærebatur, extendens manum ad templum,
33Daarop stak hij zijn rechterhand dreigend tegen de tempel uit en zwoer: Als gij mij Judas niet geboeid uitlevert, zal ik dit gebouw met de grond gelijk maken, het offeraltaar vernielen en op dezelfde plaats een prachtige tempel voor Dionúsus bouwen.
33juravit, dicens: Nisi Judam mihi vinctum tradideritis, istud Dei fanum in planitiem deducam, et altare effodiam, et templum hoc Libero patri consecrabo.
34Na deze bedreiging trok hij af. Toen hieven de priesters de handen ten hemel, en smeekten Hem, die altijd strijdt voor ons volk; ze zeiden:
34Et his dictis abiit. Sacerdotes autem protendentes manus in cælum, invocabant eum qui semper propugnator esset gentis ipsorum, hæc dicentes:
35Heer, Gij hebt van niemand iets nodig, en toch hebt Gij een tempel gewild, om onder ons te wonen.
35Tu, Domine universorum, qui nullius indiges, voluisti templum habitationis tuæ fieri in nobis.
36Heilige Heer, Bron van alle heiligheid, bewaar dus dit huis, dat nog pas is gereinigd, steeds voor ontering.
36Et nunc, Sancte sanctorum, omnium Domine, conserva in æternum impollutam domum istam, quæ nuper mundata est.
37Daarop werd een van de oudsten uit Jerusalem, Rages genaamd, bij Nikánor aangeklaagd. Hij was een man, die zijn medeburgers liefhad, zeer gunstig bekend stond, en om zijn goedhartigheid “Vader der Joden” werd genoemd.
37Razias autem quidam de senioribus ab Jerosolymis delatus est Nicanori, vir amator civitatis, et bene audiens: qui pro affectu pater Judæorum appellabatur.
38Reeds onder de vroegste vijandelijkheden had hij de zaak van het jodendom verdedigd, en vol vuur lijf en leven voor de joodse godsdienst op het spel gezet.
38Hic multis temporibus continentiæ propositum tenuit in Judaismo, corpusque et animam tradere contentus pro perseverantia.
39Maar juist daarom zond Nikánor, die een openlijk bewijs wilde leveren van zijn haat tegen de Joden, meer dan vijfhonderd soldaten, om hem gevangen te nemen.
39Volens autem Nicanor manifestare odium quod habebat in Judæos, misit milites quingentos ut eum comprehenderent.
40Want hij was overtuigd, dat deze aanhouding voor de Joden een zware slag zou betekenen.
40Putabat enim, si illum decepisset, se cladem Judæis maximam illaturum.
41Maar toen de troepen zich van zijn verschanste woning dreigden meester te maken, en reeds de hoofdpoort met geweld openbraken, en vuur lieten halen, om de deuren te verbranden, doorstak hij zich met zijn zwaard, nu hij zich aan alle kanten zag ingesloten.
41Turbis autem irruere in domum ejus, et januam dirumpere: atque ignem admovere cupientibus, cum jam comprehenderetur, gladio se petiit,
42Hij wilde liever een eervolle dood sterven, dan in de handen van schurken vallen, die hem zouden mishandelen op een wijze, die zijn hoge afkomst onwaardig was.
42eligens nobiliter mori potius quam subditus fieri peccatoribus, et contra natales suos indignis injuriis agi.
43Doch daar de stoot, tengevolge van opwinding en haast, minder goed was gelukt, en de troep reeds door de deuren binnendrong, klom hij moedig op de muur, en wierp zich onverschrokken naar beneden, boven op de troepen.
43Sed cum per festinationem non certo ictu plagam dedisset, et turbæ intra ostia irrumperent, recurrens audacter ad murum præcipitavit semetipsum viriliter in turbas:
44Deze weken echter snel achteruit, zodat er een open ruimte ontstond, waar hij midden op terecht kwam.
44quibus velociter locum dantibus casui ejus, venit per mediam cervicem.
45Maar hij leefde nog, en ofschoon het bloed bij stromen uit zijn smartelijke wonden vloeide, sprong hij ziedend van toorn overeind, rende door de troepen heen, klom op een steile rots,
45Et cum adhuc spiraret, accensus animo, surrexit, et cum sanguis ejus magno fluxu deflueret, et gravissimis vulneribus esset saucius, cursu turbam pertransiit:
46en reeds geheel en al leeggebloed, rukte hij zich nog de ingewanden uit het lijf, en wierp ze met beide handen boven op de troepen. En nadat hij den Heer over ziel en leven nog had gesmeekt, dat Hij ze hem terug zou geven, gaf hij de geest.
46et stans supra quamdam petram præruptam, et jam exsanguis effectus, complexus intestina sua, utrisque manibus projecit super turbas, invocans dominatorem vitæ ac spiritus ut hæc illi iterum redderet: atque ita vita defunctus est.
Tip: use the ← and → keys to turn chapters.