Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
Clementine Vulgate, 1598
1Er heerste volkomen vrede in de heilige stad, en de wetten werden, dank zij de vroomheid van den hogepriester Onias en diens onverbiddelijk optreden tegen de misdaad, zo getrouw mogelijk nageleefd.
1Igitur cum sancta civitas habitaretur in omni pace, leges etiam adhuc optime custodirentur, propter Oniæ pontificis pietatem, et animos odio habentes mala,
2Het kwam zelfs voor, dat koningen hun ontzag voor de stad betoonden, en de tempel met de kostbaarste geschenken vereerden.
2fiebat ut et ipsi reges et principes locum summo honore dignum ducerent, et templum maximis muneribus illustrarent:
3Zo bestreed Seleúkus uit eigen middelen alle uitgaven, die voor de offerdienst nodig waren.
3ita ut Seleucus Asiæ rex de redditibus suis præstaret omnes sumptus ad ministerium sacrificiorum pertinentes.
4Maar een zekere Sjimon, die tempeloverste was en tot de stam van Levi behoorde, had onenigheid gekregen met den hogepriester over geldelijke aangelegenheden in de stad;
4Simon autem de tribu Benjamin, præpositus templi constitutus, contendebat, obsistente sibi principe sacerdotum, iniquum aliquid in civitate moliri.
5en daar Onias zich niet gewonnen gaf, wendde hij zich tot Apollónius van Társus, die toen stadhouder was van Celesyrië en Fenicië.
5Sed cum vincere Oniam non posset, venit ad Apollonium Tharsææ filium, qui eo tempore erat dux Cœlesyriæ et Phœnicis:
6Hij vertelde, dat er in de schatkamer te Jerusalem onnoemelijke rijkdommen lagen opgestapeld, en dat de sommen gelds niet waren te tellen; dat dit alles bovendien niet in verhouding stond tot wat er voor de offers nodig was, en dat het dus gemakkelijk ter beschikking van den koning kon komen.
6et nuntiavit ei pecuniis innumerabilibus plenum esse ærarium Jerosolymis, et communes copias immensas esse, quæ non pertinent ad rationem sacrificiorum: esse autem possibile sub potestate regis cadere universa.
7Daarom ging Apollónius naar den koning, en stelde hem op de hoogte van de schatten, die men hem had verraden. Deze wees den rijkskanselier Heliodórus aan, en vaardigde hem af met de opdracht, de bedoelde schatten in beslag te nemen.
7Cumque retulisset ad regem Apollonius de pecuniis quæ delatæ erant, illæ accitum Heliodorum, qui erat super negotia ejus, misit, cum mandatis ut prædictam pecuniam transportaret.
8Heliodórus ging dus dadelijk op reis, schijnbaar om de steden van Celesyrië en Fenicië te bezoeken, maar feitelijk om het verlangen van den koning ten uitvoer te brengen.
8Statimque Heliodorus iter est agressus, specie quidem quasi per Cœlesyriam et Phœnicen civitates esset peragraturus, re vera autem regis propositum perfecturus.
9Toen hij in Jerusalem was aangekomen, en door den hogepriester en de stad eervol was ontvangen, begon hij over het bewuste geld te spreken, en verklaarde, waarvoor hij gekomen was. Op zijn vraag, of de zaken werkelijk zo stonden,
9Sed cum venisset Jerosolymam, et benigne a summo sacerdote in civitate esset exceptus, narravit de dato indicio pecuniarum, et cujus rei gratia adesset, aperuit: interrogabat autem si vere hæc ita essent.
10legde de hogepriester hem uit, dat het hier ging over een geldbelegging van weduwen en wezen,
10Tunc summus sacerdos ostendit deposita esse hæc, et victualia viduarum et pupillorum:
11en dat een gedeelte toebehoorde aan een zekeren Hyrkánus, den zoon van Tobias, een man van zeer grote invloed. De zaken stonden derhalve niet zo, gelijk de goddeloze Sjimon het had voorgelogen; de gehele som bedroeg vierhonderd talenten zilver en tweehonderd talenten goud.
11quædam vero esse Hircani Tobiæ viri valde eminentis, in his quæ detulerat impius Simon: universa autem argenti talenta esse quadringenta, et auri ducenta:
12Het zou gewoon een laagheid zijn, mensen te benadelen, die vertrouwd hadden op de heiligheid van de plaats en op de eerbiedwaardigheid en onschendbaarheid van de tempel, welke in de gehele wereld zo hoog in aanzien stond.
12decipi vero eos qui credidissent loco et templo quod per universum mundum honoratur pro sui veneratione et sanctitate, omnino impossibile esse.
13Heliodórus echter beriep zich op de bevelen, die de koning hem had gegeven, en verklaarde, dat al het geld aan de koninklijke schatkist moest worden afgedragen.
13At ille pro his quæ habebat in mandatis a rege, dicebat omni genere regi ea esse deferenda.
14Na een dag te hebben vastgesteld, ging hij er heen, om alles in ogenschouw te nemen en te regelen. En diepe verslagenheid maakte zich meester van de gehele stad.
14Constituta autem die, intrabat de his Heliodorus ordinaturus. Non modica vero per universam civitatem erat trepidatio.
15De priesters wierpen zich in hun heilige gewaden voor het brandofferaltaar op de grond, en zonden smeekbeden op naar de hemel tot Hem, die hun het bezit had toevertrouwd, opdat Hij het onaangetast zou bewaren voor hen, die het daar hadden belegd.
15Sacerdotes autem ante altare cum stolis sacerdotalibus jactaverunt se, et invocabant de cælo eum qui de depositis legem posuit, ut his qui deposuerant ea salva custodiret.
16Het was hartverscheurend, het gelaat van den hogepriester te zien. Want zijn ogen en de verandering van zijn gelaatskleur spraken van de doodsangst in zijn hart.
16Jam vero qui videbat summi sacerdotis vultum, mente vulnerabatur: facies enim et color immutatus declarabat internum animi dolorem:
17Zó grote ontsteltenis had hem bevangen, dat hij over zijn hele lichaam beefde, en dat de toeschouwers duidelijk konden zien, hoe hevig het zielsverdriet was, dat hem kwelde.
17circumfusa enim erat mœstitia quædam viro, et horror corporis, per quem manifestus aspicientibus dolor cordis ejus efficiebatur.
18En bij hopen stormde men de huizen uit, om in het openbaar te gaan bidden, omdat het tot een tempelschennis dreigde te komen.
18Alii etiam gregatim de domibus confluebant, publica supplicatione obsecrantes, pro eo quod in contemptum locus esset venturus.
19Vrouwen in boetekleren, die onder de borst waren vastgemaakt, kwamen in massa de straten op; en de meisjes, die anders thuis bleven opgesloten, liepen nu bij de poorten, anderen op de muren, weer anderen staarden de vensters uit;
19Accinctæque mulieres ciliciis pectus, per plateas confluebant: sed et virgines quæ conclusæ erant, procurrebant ad Oniam, aliæ autem ad muros, quædam vero per fenestras aspiciebant:
20maar allen hielden de armen uitgestrekt naar de hemel, en baden.
20universæ autem protendentes manus in cælum, deprecabantur:
21Het was om medelijden te krijgen met het volk, dat ordeloos door elkaar op de knieën lag; medelijden ook met den hogepriester, die vol bezorgdheid was voor wat ging gebeuren.
21erat enim misera commistæ multitudinis, et magni sacerdotis in agone constituti exspectatio.
22En men smeekte den almachtigen God, dat Hij het toevertrouwde bezit zo veilig mogelijk en in ongeschonden staat zou bewaren voor hen, die het daar hadden belegd.
22Et hi quidem invocabant omnipotentem Deum, ut credita sibi his qui crediderant, cum omni integritate conservarentur.
23Intussen ging Heliodórus er heen, om zijn plan ten uitvoer te brengen.
23Heliodorus autem, quod decreverat, perficiebat eodem loco ipse cum satellitibus circa ærarium præsens.
24En reeds bevond hij zich met zijn lijfwacht op de plaats bij de schatkamer, toen de Heer der geesten, die over alle macht beschikt, zulk een ontzagwekkende verschijning liet komen, dat allen, die het gewaagd hadden binnen te dringen, door Gods macht werden getroffen, en in onmacht vielen van schrik.
24Sed spiritus omnipotentis Dei magnam fecit suæ ostensionis evidentiam, ita ut omnes qui ausi fuerant parere ei, ruentes Dei virtute, in dissolutionem et formidinem converterentur.
25Want er verscheen hun een paard met een angstwekkenden ruiter! Het dier, dat prachtig was opgetuigd, stormde vooruit met geweld, en stoof met zijn voorpoten op Heliodórus af; de ruiter schitterde, in een gouden wapenrusting gedost.
25Apparuit enim illis quidam equus terribilem habens sessorem, optimis operimentis adornatus: isque cum impetu Heliodoro priores calces elisit: qui autem ei sedebat, videbatur arma habere aurea.
26Daarna verschenen hem twee jongemannen, geweldig sterk, in schitterende glans en prachtig gekleed; zij stelden zich op aan beide kanten, geselden hem zonder ophouden, en brachten hem gevoelige slagen toe.
26Alii etiam apparuerunt duo juvenes virtute decori, optimi gloria, speciosique amictu: qui circumsteterunt eum, et ex utraque parte flagellabant, sine intermissione multis plagis verberantes.
27Toen viel hij plotseling op de grond, en een dichte duisternis hield hem omvangen. Ze grepen hem vast, legden hem neer op een baar,
27Subito autem Heliodorus concidit in terram, eumque multa caligine circumfusum rapuerunt, atque in sella gestatoria positum ejecerunt.
28en droegen hem hulpeloos weg: hem, die nog kort te voren met groot gevolg en zijn gehele lijfwacht de voornoemde schatkamer was binnengedrongen. Zo moesten zij er wel duidelijk een teken van Gods macht in erkennen.
28Et is, qui cum multis cursoribus et satellitibus prædictum ingressus est ærarium, portabatur nullo sibi auxilium ferente, manifesta Dei cognita virtute:
29Want daar lag hij neergesmakt door Gods kracht, sprakeloos en zonder de minste hoop op herstel.
29et ille quidem per divinam virtutem jacebat mutus, atque omni spe et salute privatus.
30Maar de Joden prezen den Heer, die zijn woonplaats zo onverwacht had verheerlijkt. En de tempel, waarin nog kort te voren slechts angst en vrees had geheerst, weergalmde nu van blijdschap en vreugde, omdat Zich de almachtige Heer had doen gelden!
30Hi autem Dominum benedicebant, quia magnificabat locum suum: et templum, quod paulo ante timore ac tumultu erat plenum, apparente omnipotente Domino, gaudio et lætitia impletum est.
31Nu richtten enigen uit Heliodórus gevolg haastig het verzoek tot Onias, dat hij den Allerhoogste zou smeken, zijn leven te sparen; want hij lag reeds te sterven.
31Tunc vero ex amicis Heliodori quidam rogabant confestim Oniam, ut invocaret Altissimum ut vitam donaret ei qui in supremo spiritu erat constitutus.
32En daar de hogepriester bevreesd was, dat de koning zou menen, dat de Joden zich aan Heliodórus hadden vergrepen, bracht hij een offer voor het herstel van den man.
32Considerans autem summus sacerdos ne forte rex suspicaretur malitiam aliquam ex Judæis circa Heliodorum consummatum, obtulit pro salute viri hostiam salutarem.
33Terwijl nu de hogepriester het offer bracht, verschenen dezelfde jongelingen, in dezelfde klederen, Heliodórus opnieuw, gingen naast hem staan en spraken: Ge moogt den hogepriester wel dankbaar zijn; want om zijnentwille schenkt God u het leven.
33Cumque summus sacerdos exoraret, iidem juvenes eisdem vestibus amicti astantes Heliodoro, dixerunt: Oniæ sacerdoti gratias age: nam propter eum Dominus tibi vitam donavit.
34En nu gij van de hemel uit zijt getuchtigd, moet ge overal de geweldige macht van God verkonden. Na deze woorden verdwenen zij.
34Tu autem a Deo flagellatus, nuntia omnibus magnalia Dei, et potestatem. Et his dictis, non comparuerunt.
35Nu bracht Heliodórus den Heer een offer en deed Hem de heiligste geloften, daar Hij zijn leven had gespaard. Daarna nam hij afscheid van Onias, en keerde met zijn troepen naar den koning terug.
35Heliodorus autem, hostia Deo oblata, et votis magnis promissis ei qui vivere illi concessit, et Oniæ gratias agens, recepto exercitu, repedabat ad regem.
36En voor iedereen legde hij getuigenis af over de wonderwerken van den allerhoogsten God, die hij met eigen ogen aanschouwd had.
36Testabatur autem omnibus ea quæ sub oculis suis viderat opera magni Dei.
37En toen de koning aan Heliodórus vroeg, wie de aangewezen man wel zou zijn, om weer naar Jerusalem te worden gezonden, gaf hij ten antwoord:
37Cum autem rex interrogasset Heliodorum, quis esset aptus adhuc semel Jerosolymam mitti, ait:
38Als ge een vijand hebt of een oproermaker, stuur hem er heen, en ge krijgt hem terug, gegeseld en wel, àls hij er tenminste het leven nog afbrengt. Waarachtig, daar woont een goddelijke macht!
38Si quem habes hostem, aut regni tui insidiatorem, mitte illuc, et flagellatum eum recipies, si tamen evaserit: eo quod in loco sit vere Dei quædam virtus.
39Want Hij, die in de hemel woont, bewaakt en beschermt die plaats, en slaat en vernietigt eenieder, die er met slechte bedoelingen komt.
39Nam ipse, qui habet in cælis habitationem, visitator et adjutor est loci illius, et venientes ad malefaciendum percutit ac perdit.
40Zo verliep de geschiedenis van Heliodórus en de redding van de tempelschat.
40Igitur de Heliodoro et ærarii custodia ita res se habet.

Tip: use the ← and → keys to turn chapters.