Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
Clementine Vulgate, 1598
1Zo gebeurde het ook, dat zeven broers met hun moeder werden gevangen genomen. De koning liet hen met roeden en riemen geselen, om hen te dwingen, het verboden varkensvlees te eten.
1Contigit autem et septem fratres una cum matre sua apprehensos compelli a rege edere contra fas carnes porcinas, flagris et taureis cruciatos.
2Toen sprak een van hen, die als woordvoerder optrad: Wat verlangt ge van ons, en wat wilt ge van ons te weten komen? Wij zijn besloten, liever te sterven, dan de wetten der vaderen te overtreden.
2Unus autem ex illis, qui erat primus, sic ait: Quid quæris, et quid vis discere a nobis? parati sumus mori, magis quam patrias Dei leges prævaricari.
3Hierop ontstak de koning in woede, en gaf bevel, ketels en pannen gloeiend te maken.
3Iratus itaque rex, jussit sartagines et ollas æneas succendi: quibus statim succensis,
4Zodra deze gloeiend waren, liet hij hun woordvoerder de tong uitsnijden volgens Skytengebruik, de huid van het hoofd aftrekken, en zijn handen en voeten afhakken, waarbij de overige broers en de moeder moesten toezien.
4jussit ei qui prior fuerat locutus amputari linguam, et cute capitis abstracta, summas quoque manus et pedes ei præscindi, ceteris ejus fratribus et matre inspicientibus.
5Toen liet hij hem geheel verminkt, maar nog levend, naar het vuur brengen en in de pan braden. Maar terwijl een zware damp uit de pan opwalmde, wakkerden zij elkander nog aan, om met hun moeder heldhaftig te sterven.
5Et cum jam per omnia inutilis factus esset, jussit ignem admoveri, et adhuc spirantem torreri in sartagine: in qua cum diu cruciaretur, ceteri una cum matre invicem se hortabantur mori fortiter,
6Ze riepen: God de Heer ziet het, en zal Zich over ons zeker ontfermen, zoals Moses het in zijn straflied duidelijk voorspeld heeft: “En Hij ontfermt Zich over zijn dienaars!,”
6dicentes: Dominus Deus aspiciet veritatem, et consolabitur in nobis, quemadmodum in protestatione cantici declaravit Moyses: Et in servis suis consolabitur.
7Toen de eerste op deze wijze de geest had gegeven, bracht men den tweede op de folterplaats. Men stroopte hem de huid met haren en al van het hoofd, en vroeg hem dan, of hij niet liever wilde eten, dan zijn lichaam lid voor lid laten folteren.
7Mortuo itaque illo primo hoc modo, sequentem deducebant ad illudendum: et cute capitis ejus cum capillis abstracta, interrogabant si manducaret, priusquam toto corpore per membra singula puniretur.
8Hij antwoordde in zijn moedertaal en riep: Neen!
8At ille respondens patria voce, dixit: Non faciam. Propter quod et iste, sequenti loco, primi tormenta suscepit:
9Daarom onderging ook hij een voor een dezelfde kwellingen als de eerste. En op het laatste ogenblik riep hij nog: Ontaarde booswicht, ge ontneemt ons wel het tijdelijke leven, maar de Koning der wereld zal ons, die voor zijn wetten sterven, opwekken tot de verrijzenis van het eeuwig leven!
9et in ultimo spiritu constitutus, sic ait: Tu quidem scelestissime in præsenti vita nos perdis: sed Rex mundi defunctos nos pro suis legibus in æternæ vitæ resurrectione suscitabit.
10Na hem werd de derde gemarteld. Dadelijk, toen men dit van hem eiste, stak hij zijn tong uit, strekte zijn handen moedig naar voren, en sprak onverschrokken:
10Post hunc tertius illuditur, et linguam postulatus cito protulit, et manus constanter extendit:
11Van de Hemel heb ik deze ledematen gekregen, en uit eerbied voor zijn wetten ontzie ik ze niet; maar ik hoop ze van Hem weer terug te krijgen.
11et cum fiducia ait: E cælo ista possideo, sed propter Dei leges nunc hæc ipsa despicio, quoniam ab ipso me ea recepturum spero:
12Nu stond zelfs de koning met zijn hof verbaasd over de moed van den jongeman, die zich letterlijk niets over de pijnen bekreunde.
12ita ut rex, et qui cum ipso erant, mirarentur adolescentis animum, quod tamquam nihilum duceret cruciatus.
13Toen deze gestorven was, mishandelde en folterde men den vierde op dezelfde wijze.
13Et hoc ita defuncto, quartum vexabant similiter torquentes.
14En terwijl hij lag te zieltogen, riep hij nog: Het is een troost, door mensen te worden gedood, als wij van God mogen hopen en verwachten, dat Hij ons weer doet verrijzen. Maar voor u zal er geen verrijzenis ten leven zijn.
14Et cum jam esset ad mortem, sic ait: Potius est ab hominibus morti datos spem exspectare a Deo, iterum ab ipso resuscitandos: tibi enim resurrectio ad vitam non erit.
15Onmiddellijk haalde men nu den vijfde en martelde hem.
15Et cum admovissent quintum, vexabant eum. At ille respiciens in eum,
16Deze zag den koning aan, en sprak: Gij hebt macht, om met mensen te doen wat ge wilt, ofschoon ge sterfelijk zijt. Meen echter niet, dat God ons volk heeft verlaten.
16dixit: Potestatem inter homines habens, cum sis corruptibilis, facis quod vis: noli autem putare genus nostrum a Deo esse derelictum:
17Heb maar geduld; dan zult ge wel zien, hoe geweldig zijn kracht is, en hoe Hij u en uw kroost zal kastijden.
17tu autem patienter sustine, et videbis magnam potestatem ipsius, qualiter te et semen tuum torquebit.
18Daarna bracht men den zesde, die stervend nog sprak: Bedrieg u niet door ijdele waan! Want wij ondergaan dit alles door eigen schuld, en het heeft ons op ontstellende wijze getroffen, omdat wij tegen onzen God hebben gezondigd.
18Post hunc ducebant sextum, et is, mori incipiens, sic ait: Noli frustra errare: nos enim propter nosmetipsos hæc patimur, peccantes in Deum nostrum, et digna admiratione facta sunt in nobis:
19Maar denk niet, dat gij zelf ongestraft blijft; want gij hebt het gewaagd, u tegen God te verzetten.
19tu autem ne existimes tibi impune futurum, quod contra Deum pugnare tentaveris.
20Maar ook de moeder heeft recht op onze bewondering, en haar nagedachtenis verdient in ere te blijven. Want ofschoon zij op één dag haar zeven zonen zag sterven, hield ze moedig stand, omdat zij op den Heer vertrouwde.
20Supra modum autem mater mirabilis, et bonorum memoria digna, quæ pereuntes septem filios sub unius diei tempore conspiciens, bono animo ferebat propter spem quam in Deum habebat:
21Met een edele overtuiging had zij ieder van hen in hun moedertaal vermaand; en terwijl zij haar vrouwenhart met mannenmoed staalde, had zij tot hen gesproken:
21singulos illorum hortabatur voce patria fortiter, repleta sapientia: et, femineæ cogitationi masculinum animum inserens,
22Ik weet niet, hoe gij in mijn schoot werdt gevormd; want niet ik heb u adem en leven geschonken, of in één van u het groeien geleid.
22dixit ad eos: Nescio qualiter in utero meo apparuistis, neque enim ego spiritum et animam donavi vobis et vitam, et singulorum membra non ego ipsa compegi:
23Neen, het was de Schepper der wereld; Hij bewerkt het ontstaan van den mens, zoals Hij van alles de oorsprong bedenkt. Hij zal u dus in zijn barmhartigheid weer adem schenken en leven, nu gij uit eerbied voor zijn wetten uzelf niet ontziet!
23sed enim mundi Creator, qui formavit hominis nativitatem, quique omnium invenit originem, et spiritum vobis iterum cum misericordia reddet et vitam, sicut nunc vosmetipsos despicitis propter leges ejus.
24Antiochus, die meende, dat zij op hem smaalde, en die haar er van verdacht, dat zij minachtend over hem sprak, trachtte nu den jongsten zoon, den enige, die nog over was, niet alleen met woorden te overtuigen, maar ook onder ede te verzekeren, dat hij hem rijk en gelukkig zou maken, als hij de wetten zijner vaderen wilde verloochenen; hij zou hem zelfs tot zijn vertrouweling maken en hem staatsbetrekkingen geven.
24Antiochus autem, contemni se arbitratus, simul et exprobrantis voce despecta, cum adhuc adolescentior superesset, non solum verbis hortabatur, sed et cum juramento affirmabat se divitem et beatum facturum, et translatum a patriis legibus amicum habiturum, et res necessarias ei præbiturum.
25Maar toen de jongen er in het geheel niet op inging, riep de koning de moeder bij zich, en drong er bij haar op aan, dat zij den jongen voor zijn bestwil zou raden.
25Sed ad hæc cum adolescens nequaquam inclinaretur, vocavit rex matrem, et suadebat ei ut adolescenti fieret in salutem.
26Daar hij lang bij haar aanhield, stemde zij er ten slotte in toe, haar zoon over te halen.
26Cum autem multis eam verbis esset hortatus, promisit suasurum se filio suo.
27Zij boog zich nu over hem heen, en sprak hem, trots den wreden tiran, in haar moedertaal toe: Mijn jongen, heb medelijden met mij. Ik heb je negen maanden in mijn schoot gedragen, je drie jaar zelf gevoed en tot op deze leeftijd verzorgd, grootgebracht en verpleegd.
27Itaque inclinata ad illum, irridens crudelem tyrannum, ait patria voce: Fili mi, miserere mei, quæ te in utero novem mensibus portavi, et lac triennio dedi et alui, et in ætatem istam perduxi.
28Ik smeek je, mijn kind, beschouw de hemel en de aarde, met alles wat zij bevatten, en bedenk, dat God dit uit het niet heeft geschapen, en dat ook het mensengeslacht op dezelfde wijze is ontstaan.
28Peto, nate, ut aspicias ad cælum et terram, et ad omnia quæ in eis sunt, et intelligas quia ex nihilo fecit illa Deus, et hominum genus:
29Wees dus niet bang voor dien beul, maar toon, dat ge uw broers waardig zijt; aanvaard de dood, opdat ik je met de broers op de dag van erbarming terug mag krijgen.
29ita fiet, ut non timeas carnificem istum, sed dignus fratribus tuis effectus particeps, suscipe mortem, ut in illa miseratione cum fratribus tuis te recipiam.
30Nauwelijks had zij dit gezegd of de jongen sprak: Waar wacht ge op? Ik gehoorzaam niet aan het bevel van den koning, maar luister naar het gebod van de wet, welke Moses aan onze vaderen heeft gegeven.
30Cum hæc illa adhuc diceret, ait adolescens: Quem sustinetis? non obedio præcepto regis, sed præcepto legis, quæ data est nobis per Moysen.
31Maar gij, die al deze rampen voor de Hebreën hebt uitgedacht, gij zult de hand van God niet ontvluchten!
31Tu vero, qui inventor omnis malitiæ factus es in Hebræos, non effugies manum Dei.
32Het is waar, wij lijden om onze zonden;
32Nos enim pro peccatis nostris hæc patimur.
33doch al is de levende God voor korte tijd op ons vertoornd, zodat Hij ons tuchtigt en straft, toch zal Hij zich weer met zijn dienaars verzoenen.
33Et si nobis propter increpationem et correptionem Dominus Deus noster modicum iratus est: sed iterum reconciliabitur servis suis.
34Maar gij, ellendigste booswicht onder alle mensen, gij, die u aan zijn dienaars vergrijpt, wees niet vermetel in uw ijdele waan en in uw bedriegelijke hoop.
34Tu autem, o sceleste, et omnium hominum flagitiosissime, noli frustra extolli vanis spebus in servos ejus inflammatus:
35Nog zijt gij het oordeel van den almachtigen en alzienden God niet ontlopen!
35nondum enim omnipotentis Dei, et omnia inspicientis, judicium effugisti.
36Thans zijn onze broeders volgens Gods belofte, na een kortstondig lijden te hebben verduurd, het eeuwige leven binnen gegaan; maar gij zult bij het oordeel van God de verdiende straf voor uw hoogmoed ontvangen.
36Nam fratres mei, modico nunc dolore sustentato, sub testamento æternæ vitæ effecti sunt: tu vero judicio Dei justas superbiæ tuæ pœnas exsolves.
37Evenals mijn broers geef ook ik mijn lichaam en leven uit liefde voor de wetten der vaderen! En ik smeek God, dat Hij het volk weer spoedig genadig mag zijn, dat Hij u door kwelling en pijn tot de bekentenis mag dwingen, dat Hij alleen God is,
37Ego autem, sicut fratres mei, animam et corpus meum trado pro patriis legibus, invocans Deum maturius genti nostræ propitium fieri, teque cum tormentis et verberibus confiteri quod ipse est Deus solus.
38en dat de toorn van den Allerhoogste, die terecht tegen geheel ons volk is ontbrand, in mij en mijn broeders een einde mag vinden!
38In me vero et in fratribus meis desinet Omnipotentis ira, quæ super omne genus nostrum juste superducta est.
39Hierdoor raakte de koning buiten zichzelf van woede, en verbitterd over die smaad, liet hij hem nog erger dan de anderen mishandelen.
39Tunc rex accensus ira in hunc, super omnes crudelius desævit, indigne ferens se derisum.
40Maar ook hij gaf de geest met een rein geweten en in volle overgave aan God.
40Et hic itaque mundus obiit, per omnia in Domino confidens.
41En na haar zonen stierf tenslotte de moeder.
41Novissime autem post filios, et mater consumpta est.
42Hiermee is, naar wij hopen, genoeg gezegd over de offermaaltijden en de ongehoorde folteringen.
42Igitur de sacrificiis et de nimiis crudelitatibus satis dictum est.

Tip: use the ← and → keys to turn chapters.