Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
Bíblia Portuguesa Mundial (Brazilian Portuguese)
1Zo gebeurde het ook, dat zeven broers met hun moeder werden gevangen genomen. De koning liet hen met roeden en riemen geselen, om hen te dwingen, het verboden varkensvlees te eten.
1Aconteceu que sete irmãos e sua mãe foram presos por ordem do rei e tratados vergonhosamente com açoites e cordas, para obrigá-los a provar a abominável carne de porco.
2Toen sprak een van hen, die als woordvoerder optrad: Wat verlangt ge van ons, en wat wilt ge van ons te weten komen? Wij zijn besloten, liever te sterven, dan de wetten der vaderen te overtreden.
2Um deles tomou a palavra e disse: “O que você pretende perguntar e saber de nós? Estamos prontos para morrer antes que transgredir as leis de nossos antepassados.”
3Hierop ontstak de koning in woede, en gaf bevel, ketels en pannen gloeiend te maken.
3O rei ficou furioso e ordenou que aquecessem frigideiras e caldeirões.
4Zodra deze gloeiend waren, liet hij hun woordvoerder de tong uitsnijden volgens Skytengebruik, de huid van het hoofd aftrekken, en zijn handen en voeten afhakken, waarbij de overige broers en de moeder moesten toezien.
4Quando ficaram imediatamente quentes, ordenou que cortassem a língua daquele que havia falado em nome dos irmãos, arrancassem-lhe o couro cabeludo e cortassem suas extremidades, enquanto os outros irmãos e a mãe assistiam.
5Toen liet hij hem geheel verminkt, maar nog levend, naar het vuur brengen en in de pan braden. Maar terwijl een zware damp uit de pan opwalmde, wakkerden zij elkander nog aan, om met hun moeder heldhaftig te sterven.
5Quando ele já estava completamente mutilado, o rei ordenou que, ainda vivo, fosse levado ao fogo e assado na frigideira. Enquanto a fumaça da frigideira se espalhava, os irmãos e a mãe encorajavam uns aos outros a morrer nobremente, dizendo:
6Ze riepen: God de Heer ziet het, en zal Zich over ons zeker ontfermen, zoals Moses het in zijn straflied duidelijk voorspeld heeft: “En Hij ontfermt Zich over zijn dienaars!,”
6“O Senhor Deus vê e verdadeiramente se compadece de nós, como Moisés declarou em seu cântico, que testemunha contra o povo face a face, dizendo: ‘Ele terá compaixão de seus servos.’”
7Toen de eerste op deze wijze de geest had gegeven, bracht men den tweede op de folterplaats. Men stroopte hem de huid met haren en al van het hoofd, en vroeg hem dan, of hij niet liever wilde eten, dan zijn lichaam lid voor lid laten folteren.
7Depois que o primeiro morreu dessa maneira, levaram o segundo para ser ridicularizado. Arrancaram-lhe a pele da cabeça juntamente com os cabelos e perguntaram: “Você vai comer antes que seu corpo seja castigado membro por membro?”
8Hij antwoordde in zijn moedertaal en riep: Neen!
8Ele respondeu na língua de seus antepassados: “Não.” Por isso sofreu, em seguida, a mesma tortura do primeiro.
9Daarom onderging ook hij een voor een dezelfde kwellingen als de eerste. En op het laatste ogenblik riep hij nog: Ontaarde booswicht, ge ontneemt ons wel het tijdelijke leven, maar de Koning der wereld zal ons, die voor zijn wetten sterven, opwekken tot de verrijzenis van het eeuwig leven!
9Quando estava no último suspiro, disse: “Você, criminoso, nos liberta desta vida presente; mas o Rei do mundo nos ressuscitará, a nós que morremos por suas leis, para uma renovação eterna da vida.”
10Na hem werd de derde gemarteld. Dadelijk, toen men dit van hem eiste, stak hij zijn tong uit, strekte zijn handen moedig naar voren, en sprak onverschrokken:
10Depois dele, o terceiro foi feito objeto de zombaria. Quando exigiram sua língua, ele a estendeu rapidamente e apresentou corajosamente as mãos,
11Van de Hemel heb ik deze ledematen gekregen, en uit eerbied voor zijn wetten ontzie ik ze niet; maar ik hoop ze van Hem weer terug te krijgen.
11dizendo com nobreza: “Recebi estas coisas do céu. Por causa de suas leis, eu as desprezo, e dele espero recebê-las novamente.”
12Nu stond zelfs de koning met zijn hof verbaasd over de moed van den jongeman, die zich letterlijk niets over de pijnen bekreunde.
12O próprio rei e os que estavam com ele ficaram admirados com a coragem do jovem, pois ele considerava as dores como nada.
13Toen deze gestorven was, mishandelde en folterde men den vierde op dezelfde wijze.
13Depois que ele também morreu, torturaram e maltrataram vergonhosamente o quarto da mesma maneira.
14En terwijl hij lag te zieltogen, riep hij nog: Het is een troost, door mensen te worden gedood, als wij van God mogen hopen en verwachten, dat Hij ons weer doet verrijzen. Maar voor u zal er geen verrijzenis ten leven zijn.
14Quando estava perto da morte, disse: “É bom morrer pelas mãos dos homens tendo a esperança dada por Deus de que seremos ressuscitados novamente por ele. Para você, porém, não haverá ressurreição para a vida.”
15Onmiddellijk haalde men nu den vijfde en martelde hem.
15Depois dele, trouxeram o quinto e o maltrataram vergonhosamente.
16Deze zag den koning aan, en sprak: Gij hebt macht, om met mensen te doen wat ge wilt, ofschoon ge sterfelijk zijt. Meen echter niet, dat God ons volk heeft verlaten.
16Ele olhou para o rei e disse: “Embora seja mortal, você tem autoridade entre os homens e faz o que quer. Mas não pense que nossa raça foi abandonada por Deus.
17Heb maar geduld; dan zult ge wel zien, hoe geweldig zijn kracht is, en hoe Hij u en uw kroost zal kastijden.
17Continue assim e verá como seu soberano poder castigará você e seus descendentes!”
18Daarna bracht men den zesde, die stervend nog sprak: Bedrieg u niet door ijdele waan! Want wij ondergaan dit alles door eigen schuld, en het heeft ons op ontstellende wijze getroffen, omdat wij tegen onzen God hebben gezondigd.
18Depois dele trouxeram o sexto. Quando estava prestes a morrer, disse: “Não se engane inutilmente. Sofremos estas coisas por causa de nossas próprias ações, porque pecamos contra nosso Deus. Por isso nos aconteceram coisas espantosas.
19Maar denk niet, dat gij zelf ongestraft blijft; want gij hebt het gewaagd, u tegen God te verzetten.
19Mas não pense que ficará sem castigo por ter tentado lutar contra Deus!”
20Maar ook de moeder heeft recht op onze bewondering, en haar nagedachtenis verdient in ere te blijven. Want ofschoon zij op één dag haar zeven zonen zag sterven, hield ze moedig stand, omdat zij op den Heer vertrouwde.
20Mais admirável que todos, porém, foi a mãe, digna de honrosa memória. Viu sete filhos morrerem no espaço de um só dia e suportou tudo com coragem por causa de sua esperança no Senhor.
21Met een edele overtuiging had zij ieder van hen in hun moedertaal vermaand; en terwijl zij haar vrouwenhart met mannenmoed staalde, had zij tot hen gesproken:
21Ela encorajava cada um deles na língua de seus antepassados, cheia de nobre espírito e unindo a seus sentimentos maternos uma coragem viril, dizendo-lhes:
22Ik weet niet, hoe gij in mijn schoot werdt gevormd; want niet ik heb u adem en leven geschonken, of in één van u het groeien geleid.
22“Não sei como vocês apareceram em meu ventre. Não fui eu quem lhes deu o espírito e a vida, nem fui eu quem organizou os elementos de cada um de vocês.
23Neen, het was de Schepper der wereld; Hij bewerkt het ontstaan van den mens, zoals Hij van alles de oorsprong bedenkt. Hij zal u dus in zijn barmhartigheid weer adem schenken en leven, nu gij uit eerbied voor zijn wetten uzelf niet ontziet!
23Portanto, o Criador do mundo, que formou a origem do ser humano e concebeu a origem de todas as coisas, em sua misericórdia devolverá novamente a vocês tanto o espírito como a vida, porque agora vocês desprezam a si mesmos por causa das leis dele.”
24Antiochus, die meende, dat zij op hem smaalde, en die haar er van verdacht, dat zij minachtend over hem sprak, trachtte nu den jongsten zoon, den enige, die nog over was, niet alleen met woorden te overtuigen, maar ook onder ede te verzekeren, dat hij hem rijk en gelukkig zou maken, als hij de wetten zijner vaderen wilde verloochenen; hij zou hem zelfs tot zijn vertrouweling maken en hem staatsbetrekkingen geven.
24Antíoco pensou que estava sendo desprezado e suspeitou que aquelas palavras fossem uma censura. Enquanto o filho mais novo ainda estava vivo, não apenas procurou persuadi-lo com palavras, mas também lhe prometeu sob juramento que o enriqueceria e o elevaria a grande honra se abandonasse os caminhos de seus antepassados. Prometeu ainda recebê-lo como seu amigo e confiar-lhe funções públicas.
25Maar toen de jongen er in het geheel niet op inging, riep de koning de moeder bij zich, en drong er bij haar op aan, dat zij den jongen voor zijn bestwil zou raden.
25Como o jovem não lhe dava atenção de modo algum, o rei chamou a mãe e insistiu que aconselhasse o rapaz a salvar a própria vida.
26Daar hij lang bij haar aanhield, stemde zij er ten slotte in toe, haar zoon over te halen.
26Depois de insistir com muitas palavras, ela concordou em persuadir o filho.
27Zij boog zich nu over hem heen, en sprak hem, trots den wreden tiran, in haar moedertaal toe: Mijn jongen, heb medelijden met mij. Ik heb je negen maanden in mijn schoot gedragen, je drie jaar zelf gevoed en tot op deze leeftijd verzorgd, grootgebracht en verpleegd.
27Inclinando-se para ele e zombando do tirano cruel, falou na língua de seus antepassados: “Meu filho, tenha compaixão de mim, que carreguei você nove meses no ventre, amamentei-o por três anos, alimentei-o, criei-o até esta idade e cuidei de você.
28Ik smeek je, mijn kind, beschouw de hemel en de aarde, met alles wat zij bevatten, en bedenk, dat God dit uit het niet heeft geschapen, en dat ook het mensengeslacht op dezelfde wijze is ontstaan.
28Eu lhe peço, meu filho: olhe para o céu e para a terra, veja tudo o que existe neles e reconheça que Deus os fez não a partir de coisas que já existiam, e que a raça humana veio à existência da mesma maneira.
29Wees dus niet bang voor dien beul, maar toon, dat ge uw broers waardig zijt; aanvaard de dood, opdat ik je met de broers op de dag van erbarming terug mag krijgen.
29Não tenha medo deste carrasco. Mostre-se digno de seus irmãos e aceite a morte, para que, pela misericórdia de Deus, eu receba você novamente junto com seus irmãos.”
30Nauwelijks had zij dit gezegd of de jongen sprak: Waar wacht ge op? Ik gehoorzaam niet aan het bevel van den koning, maar luister naar het gebod van de wet, welke Moses aan onze vaderen heeft gegeven.
30Antes que ela terminasse de falar, o jovem disse: “O que vocês estão esperando? Não obedeço ao mandamento do rei, mas ao mandamento da Lei que foi dada a nossos antepassados por meio de Moisés.
31Maar gij, die al deze rampen voor de Hebreën hebt uitgedacht, gij zult de hand van God niet ontvluchten!
31E você, que inventou toda espécie de mal contra os hebreus, de modo algum escapará das mãos de Deus.
32Het is waar, wij lijden om onze zonden;
32Nós sofremos por causa de nossos próprios pecados.
33doch al is de levende God voor korte tijd op ons vertoornd, zodat Hij ons tuchtigt en straft, toch zal Hij zich weer met zijn dienaars verzoenen.
33Se nosso Senhor vivo ficou irado conosco por pouco tempo para nos repreender e disciplinar, ele voltará a se reconciliar com seus próprios servos.
34Maar gij, ellendigste booswicht onder alle mensen, gij, die u aan zijn dienaars vergrijpt, wees niet vermetel in uw ijdele waan en in uw bedriegelijke hoop.
34Mas você, homem profano e o mais perverso de todos, não se exalte inutilmente em seu orgulho selvagem com esperanças incertas, levantando a mão contra os filhos do céu.
35Nog zijt gij het oordeel van den almachtigen en alzienden God niet ontlopen!
35Você ainda não escapou do julgamento do Deus Todo-Poderoso, que vê todas as coisas.
36Thans zijn onze broeders volgens Gods belofte, na een kortstondig lijden te hebben verduurd, het eeuwige leven binnen gegaan; maar gij zult bij het oordeel van God de verdiende straf voor uw hoogmoed ontvangen.
36Estes nossos irmãos, depois de suportarem uma breve dor que conduz à vida eterna, agora morreram sob a aliança de Deus. Você, porém, pelo julgamento de Deus, receberá na medida justa os castigos de sua arrogância.
37Evenals mijn broers geef ook ik mijn lichaam en leven uit liefde voor de wetten der vaderen! En ik smeek God, dat Hij het volk weer spoedig genadig mag zijn, dat Hij u door kwelling en pijn tot de bekentenis mag dwingen, dat Hij alleen God is,
37Eu, assim como meus irmãos, entrego corpo e alma pelas leis de nossos antepassados, suplicando a Deus que rapidamente volte a ser misericordioso com nossa nação e que você, por meio de provações e pragas, confesse que somente ele é Deus,
38en dat de toorn van den Allerhoogste, die terecht tegen geheel ons volk is ontbrand, in mij en mijn broeders een einde mag vinden!
38e que, por meio de mim e de meus irmãos, você faça chegar ao fim a ira do Todo-Poderoso que justamente veio sobre toda a nossa raça.”
39Hierdoor raakte de koning buiten zichzelf van woede, en verbitterd over die smaad, liet hij hem nog erger dan de anderen mishandelen.
39O rei ficou furioso e tratou esse jovem pior do que todos os outros, exasperado com sua zombaria.
40Maar ook hij gaf de geest met een rein geweten en in volle overgave aan God.
40Assim ele também morreu puro, colocando toda a sua confiança no Senhor.
41En na haar zonen stierf tenslotte de moeder.
41Por último, depois dos filhos, morreu a mãe.
42Hiermee is, naar wij hopen, genoeg gezegd over de offermaaltijden en de ongehoorde folteringen.
42Basta, portanto, o que foi dito sobre os banquetes sacrificiais e as torturas extremas.

Tip: use the ← and → keys to turn chapters.