2 Makkabeeen 7
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
Septuagint (Greek Old Testament), second edition
1Zo gebeurde het ook, dat zeven broers met hun moeder werden gevangen genomen. De koning liet hen met roeden en riemen geselen, om hen te dwingen, het verboden varkensvlees te eten.
1Ωσπερ γὰρ ἄριστος κυβερνήτης ὁ τοῦ πατρὸς ἡμῶν Ἐλεαζάρου λογισμὸς πηδαλιουχῶν τὴν τῆς εὐσεβείας ναῦν ἐν τῷ τῶν παθῶν πελάγει
2Toen sprak een van hen, die als woordvoerder optrad: Wat verlangt ge van ons, en wat wilt ge van ons te weten komen? Wij zijn besloten, liever te sterven, dan de wetten der vaderen te overtreden.
2καὶ καταικιζόμενος ταῖς τοῦ τυράννου ἀπειλαῖς καὶ καταντλούμενος ταῖς τῶν βασάνων τρικυμίαις,
3Hierop ontstak de koning in woede, en gaf bevel, ketels en pannen gloeiend te maken.
3κατ' οὐδένα τρόπον μετέτρεψε τοὺς τῆς εὐσεβείας οἴακας, ἕως οὗ ἔπλευσεν ἐπὶ τὸν τῆς ἀθανάτου νίκης λιμένα.
4Zodra deze gloeiend waren, liet hij hun woordvoerder de tong uitsnijden volgens Skytengebruik, de huid van het hoofd aftrekken, en zijn handen en voeten afhakken, waarbij de overige broers en de moeder moesten toezien.
4οὐχ οὕτως πόλις πολλοῖς καὶ ποικίλοις μηχανήμασιν ἀντέσχε ποτὲ πολιορκουμένη, ὡς ὁ πανάγιος Ἐλεάζαρος· τὴν ἱερὰν ψυχὴν αἰκισμοῖς τε καὶ στρέβλαις πυρπολούμενος ἐνίκησε τοὺς πολιορκοῦντας διὰ τὸν ὑπερασπίζοντα τῆς εὐσεβείας λογισμόν.
5Toen liet hij hem geheel verminkt, maar nog levend, naar het vuur brengen en in de pan braden. Maar terwijl een zware damp uit de pan opwalmde, wakkerden zij elkander nog aan, om met hun moeder heldhaftig te sterven.
5ὥσπερ γὰρ πρόκρημνον ἄκραν τὴν ἑαυτοῦ διάνοιαν ὁ πατὴρ Ἐλεάζαρος ἐκτείνας, περιέκλασεν τοὺς ἐπιμαινομένους τῶν παθῶν κλύδωνας.
6Ze riepen: God de Heer ziet het, en zal Zich over ons zeker ontfermen, zoals Moses het in zijn straflied duidelijk voorspeld heeft: “En Hij ontfermt Zich over zijn dienaars!,”
6ὦ ἄξιε τῆς ἱερωσύνης ἱερεῦ, οὐκ ἐμίανας τοὺς ἱεροὺς ὀδόντας οὐδὲ τὴν θεοσέβειαν καὶ καθαρισμὸν νόμιμον χωρήσασαν γαστέρα ἐκοινώνησας μιαροφαγίᾳ.
7Toen de eerste op deze wijze de geest had gegeven, bracht men den tweede op de folterplaats. Men stroopte hem de huid met haren en al van het hoofd, en vroeg hem dan, of hij niet liever wilde eten, dan zijn lichaam lid voor lid laten folteren.
7ᾦ σύμφωνε νόμου καὶ φιλόσοφε θείου βίου.
8Hij antwoordde in zijn moedertaal en riep: Neen!
8τοιούτους δὴ δεῖ εἶναι τοὺς ἱερουργοῦντας τὸν νόμον ἰδίῳ αἵματι καὶ γενναίῳ ἱδρῶτι τοῖς μέχρι θανάτου πάθεσιν ὑπερασπίζοντας.
9Daarom onderging ook hij een voor een dezelfde kwellingen als de eerste. En op het laatste ogenblik riep hij nog: Ontaarde booswicht, ge ontneemt ons wel het tijdelijke leven, maar de Koning der wereld zal ons, die voor zijn wetten sterven, opwekken tot de verrijzenis van het eeuwig leven!
9σὺ πάτερ, τὴν εὐνομίαν ἡμῶν διὰ τῶν ὑπομονῶν εἰς δόξαν ἐκύρωσας καὶ τὴν ἁγιστείαν σεμνολογήσας οὐ κατέλυσας καὶ διὰ τῶν ἔργων ἐπιστοποίησας τοὺς τῆς θείας φιλοσοφίας λόγους,
10Na hem werd de derde gemarteld. Dadelijk, toen men dit van hem eiste, stak hij zijn tong uit, strekte zijn handen moedig naar voren, en sprak onverschrokken:
10ὦ βασάνων βιαιότερε γέρον, καὶ πυρὸς εὐτονώτερε πρεσβῦτα, καὶ παθῶν μέγιστε βασιλεῦ Ἐλεάζαρε.
11Van de Hemel heb ik deze ledematen gekregen, en uit eerbied voor zijn wetten ontzie ik ze niet; maar ik hoop ze van Hem weer terug te krijgen.
11ὥσπερ γὰρ ὁ πατὴρ Ἀαρὼν τῷ θυμιατηρίῳ καθωπλισμένος διὰ τοῦ ἐθνοπλήθους ἐπιτρέχων τὸν ἐμπυριστὴν ἐνίκησεν ἄγγελον,
12Nu stond zelfs de koning met zijn hof verbaasd over de moed van den jongeman, die zich letterlijk niets over de pijnen bekreunde.
12οὕτως ὁ Ἀαρωνίδης Ἐλεάζαρος διὰ τοῦ πυρὸς ὑπερτηκόμενος οὐ μετετράπη τὸν λογισμόν.
13Toen deze gestorven was, mishandelde en folterde men den vierde op dezelfde wijze.
13καίτοι τὸ θαυμασιώτατον, γέρων ὤν, λελυμένων μὲν ἤδη τῶν τοῦ σώματος τόνων, περικεχαλασμένων δὲ τῶν σαρκῶν, κεκμηκότων δὲ καὶ τῶν νεύρων, ἀνενέασε
14En terwijl hij lag te zieltogen, riep hij nog: Het is een troost, door mensen te worden gedood, als wij van God mogen hopen en verwachten, dat Hij ons weer doet verrijzen. Maar voor u zal er geen verrijzenis ten leven zijn.
14τῷ πνεύματι διὰ τοῦ λογισμοῦ καὶ τῷ ἰσακίῳ λογισμῷ τὴν πολυκέφαλον στρέβλαν ἠκύρωσεν.
15Onmiddellijk haalde men nu den vijfde en martelde hem.
15ὦ μακαρίου γήρως καὶ σεμνῆς πολιᾶς καὶ βίου νομίμου, ὃν πιστὴ θανάτου σφραγὶς ἐτελείωσεν.
16Deze zag den koning aan, en sprak: Gij hebt macht, om met mensen te doen wat ge wilt, ofschoon ge sterfelijk zijt. Meen echter niet, dat God ons volk heeft verlaten.
16εἰ δέ τοίνυν γέρων ἀνὴρ τῶν μέχρι θανάτου βασάνων περιεφρόνησε δι' εὐσέβειαν, ὁμολογουμένως ἡγεμών ἐστι τῶν παθῶν ὁ εὐσεβὴς λογισμός.
17Heb maar geduld; dan zult ge wel zien, hoe geweldig zijn kracht is, en hoe Hij u en uw kroost zal kastijden.
17Ἴσως δ' ἂν εἴποιέν τινες· τῶν παθῶν οὐ πάντες περικρατοῦσιν, ὅτι οὐδὲ πάντες φρόνιμον ἔχουσι τὸν λογισμόν.
18Daarna bracht men den zesde, die stervend nog sprak: Bedrieg u niet door ijdele waan! Want wij ondergaan dit alles door eigen schuld, en het heeft ons op ontstellende wijze getroffen, omdat wij tegen onzen God hebben gezondigd.
18ἀλλ' ὅσοι εὐσεβείας προνοοῦσιν ἐξ ὅλης καρδίας, οὗτοι μόνοι δύνανται κρατεῖν τῶν τῆς σαρκὸς παθῶν,
19Maar denk niet, dat gij zelf ongestraft blijft; want gij hebt het gewaagd, u tegen God te verzetten.
19πιστεύοντες, ὅτι Θεῷ οὐκ ἀποθνήσκουσιν, ὥσπερ οὐδὲ οἱ πατριάρχαι ἡμῶν Ἁβραάμ, Ἰσαάκ, Ἰακώβ, ἀλλὰ ζῶσι τῷ Θεῷ.
20Maar ook de moeder heeft recht op onze bewondering, en haar nagedachtenis verdient in ere te blijven. Want ofschoon zij op één dag haar zeven zonen zag sterven, hield ze moedig stand, omdat zij op den Heer vertrouwde.
20οὐδὲν οὖν ἐναντιοῦται τὸ φαίνεσθαί τινας παθοκρατεῖσθαι διὰ τὸν ἀσθενῆ λογισμόν.
21Met een edele overtuiging had zij ieder van hen in hun moedertaal vermaand; en terwijl zij haar vrouwenhart met mannenmoed staalde, had zij tot hen gesproken:
21ἐπεὶ τίς πρὸς ὅλον τὸν τῆς φιλοσοφίας κανόνα εὐσεβῶς φιλοσοφῶν
22Ik weet niet, hoe gij in mijn schoot werdt gevormd; want niet ik heb u adem en leven geschonken, of in één van u het groeien geleid.
22καὶ πεπιστευκὼς Θεῷ καὶ εἰδὼς ὅτι τὸ διὰ τὴν ἀρετὴν πάντα πόνον ὑπομένειν μακάριόν ἐστιν, οὐκ ἂν περικρατήσειεν τῶν παθῶν διὰ τὴν θεοσέβειαν;
23Neen, het was de Schepper der wereld; Hij bewerkt het ontstaan van den mens, zoals Hij van alles de oorsprong bedenkt. Hij zal u dus in zijn barmhartigheid weer adem schenken en leven, nu gij uit eerbied voor zijn wetten uzelf niet ontziet!
23μόνος γὰρ ὁ σοφὸς καὶ σώφρων ἀνδρεῖός ἐστι τῶν παθῶν κύριος.
24Antiochus, die meende, dat zij op hem smaalde, en die haar er van verdacht, dat zij minachtend over hem sprak, trachtte nu den jongsten zoon, den enige, die nog over was, niet alleen met woorden te overtuigen, maar ook onder ede te verzekeren, dat hij hem rijk en gelukkig zou maken, als hij de wetten zijner vaderen wilde verloochenen; hij zou hem zelfs tot zijn vertrouweling maken en hem staatsbetrekkingen geven.
no verse 24 in this text
25Maar toen de jongen er in het geheel niet op inging, riep de koning de moeder bij zich, en drong er bij haar op aan, dat zij den jongen voor zijn bestwil zou raden.
no verse 25 in this text
26Daar hij lang bij haar aanhield, stemde zij er ten slotte in toe, haar zoon over te halen.
no verse 26 in this text
27Zij boog zich nu over hem heen, en sprak hem, trots den wreden tiran, in haar moedertaal toe: Mijn jongen, heb medelijden met mij. Ik heb je negen maanden in mijn schoot gedragen, je drie jaar zelf gevoed en tot op deze leeftijd verzorgd, grootgebracht en verpleegd.
no verse 27 in this text
28Ik smeek je, mijn kind, beschouw de hemel en de aarde, met alles wat zij bevatten, en bedenk, dat God dit uit het niet heeft geschapen, en dat ook het mensengeslacht op dezelfde wijze is ontstaan.
no verse 28 in this text
29Wees dus niet bang voor dien beul, maar toon, dat ge uw broers waardig zijt; aanvaard de dood, opdat ik je met de broers op de dag van erbarming terug mag krijgen.
no verse 29 in this text
30Nauwelijks had zij dit gezegd of de jongen sprak: Waar wacht ge op? Ik gehoorzaam niet aan het bevel van den koning, maar luister naar het gebod van de wet, welke Moses aan onze vaderen heeft gegeven.
no verse 30 in this text
31Maar gij, die al deze rampen voor de Hebreën hebt uitgedacht, gij zult de hand van God niet ontvluchten!
no verse 31 in this text
32Het is waar, wij lijden om onze zonden;
no verse 32 in this text
33doch al is de levende God voor korte tijd op ons vertoornd, zodat Hij ons tuchtigt en straft, toch zal Hij zich weer met zijn dienaars verzoenen.
no verse 33 in this text
34Maar gij, ellendigste booswicht onder alle mensen, gij, die u aan zijn dienaars vergrijpt, wees niet vermetel in uw ijdele waan en in uw bedriegelijke hoop.
no verse 34 in this text
35Nog zijt gij het oordeel van den almachtigen en alzienden God niet ontlopen!
no verse 35 in this text
36Thans zijn onze broeders volgens Gods belofte, na een kortstondig lijden te hebben verduurd, het eeuwige leven binnen gegaan; maar gij zult bij het oordeel van God de verdiende straf voor uw hoogmoed ontvangen.
no verse 36 in this text
37Evenals mijn broers geef ook ik mijn lichaam en leven uit liefde voor de wetten der vaderen! En ik smeek God, dat Hij het volk weer spoedig genadig mag zijn, dat Hij u door kwelling en pijn tot de bekentenis mag dwingen, dat Hij alleen God is,
no verse 37 in this text
38en dat de toorn van den Allerhoogste, die terecht tegen geheel ons volk is ontbrand, in mij en mijn broeders een einde mag vinden!
no verse 38 in this text
39Hierdoor raakte de koning buiten zichzelf van woede, en verbitterd over die smaad, liet hij hem nog erger dan de anderen mishandelen.
no verse 39 in this text
40Maar ook hij gaf de geest met een rein geweten en in volle overgave aan God.
no verse 40 in this text
41En na haar zonen stierf tenslotte de moeder.
no verse 41 in this text
42Hiermee is, naar wij hopen, genoeg gezegd over de offermaaltijden en de ongehoorde folteringen.
no verse 42 in this text
Tip: use the ← and → keys to turn chapters.