Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
Septuagint (Brenton Greek text, with Apocrypha)
1Er heerste volkomen vrede in de heilige stad, en de wetten werden, dank zij de vroomheid van den hogepriester Onias en diens onverbiddelijk optreden tegen de misdaad, zo getrouw mogelijk nageleefd.
1Τῆς ἁγίας τοίνυν πόλεως κατοικουμένης μετὰ πάσης εἰρήνης, καὶ τῶν νόμων ἕτι κάλλιστα συντηρουμένων διὰ τὴν Ὀνίου τοῦ ἀρχιερέως εὐσέβειάν τε καὶ μισοπονηρίαν,
2Het kwam zelfs voor, dat koningen hun ontzag voor de stad betoonden, en de tempel met de kostbaarste geschenken vereerden.
2συνέβαινε καὶ αὐτοὺς τοὺς βασιλεῖς τιμᾷν τὸν τόπον, καὶ τὸ ἱερὸν ἀποστολαῖς ταῖς κρατίσταις δοξάζειν,
3Zo bestreed Seleúkus uit eigen middelen alle uitgaven, die voor de offerdienst nodig waren.
3ὥστε καὶ Σέλευκον τὸν τῆς Ἀσίας βασιλέα χορηγεῖν ἐκ τῶν ἰδίων προσόδων πάντα τὰ πρὸς τὰς λειτουργίας τῶν θυσιῶν ἐπιβάλλοντα δαπανήματα.
4Maar een zekere Sjimon, die tempeloverste was en tot de stam van Levi behoorde, had onenigheid gekregen met den hogepriester over geldelijke aangelegenheden in de stad;
4Σίμων δέ τις ἐκ τῆς Βενιαμὶν φυλῆς προστάτης τοῦ ἱεροῦ καθεσταμένος, διηνέχθη τῷ ἀρχιερεῖ περὶ τῆς κατὰ τὴν πόλιν παρανομίας·
5en daar Onias zich niet gewonnen gaf, wendde hij zich tot Apollónius van Társus, die toen stadhouder was van Celesyrië en Fenicië.
5καὶ νικῆσαι τὸν Ὀνίαν μὴ δυνάμενος, ἦλθε πρὸς Ἀπολλώνιον Θρασαίου, τὸν κατʼ ἐκεῖνον τὸν καιρὸν κοιλῆς Συρίας καὶ Φοινίκης στρατηγόν.
6Hij vertelde, dat er in de schatkamer te Jerusalem onnoemelijke rijkdommen lagen opgestapeld, en dat de sommen gelds niet waren te tellen; dat dit alles bovendien niet in verhouding stond tot wat er voor de offers nodig was, en dat het dus gemakkelijk ter beschikking van den koning kon komen.
6Καὶ προσήγγειλε περὶ τοῦ χρημάτων ἀμυθήτων γέμειν τὸ ἐν Ἱεροσολύμοις γαζοφυλάκιον, ὥστε τὸ πλῆθος τῶν διαφόρων ἐναρίθμητον εἶναι, καὶ μὴ προσήκειν αὐτὰ πρὸς τὸν τῶν θυσιῶν λόγον, εἶναι δὲ δυνατὸν ὑπὸ τὴν τοῦ βασιλέως ἐξουσίαν πεσεῖν ἅπαντα ταῦτα.
7Daarom ging Apollónius naar den koning, en stelde hem op de hoogte van de schatten, die men hem had verraden. Deze wees den rijkskanselier Heliodórus aan, en vaardigde hem af met de opdracht, de bedoelde schatten in beslag te nemen.
7Συμμίξας δὲ ὁ Ἀπολλώνιος τῷ βασιλεῖ, περὶ τῶν μηνυθέντων αὐτῷ χρημάτων ἐνεφάνισεν· ὁ δὲ προχειρισάμενος Ἡλιόδωρον τὸν ἐπὶ τῶν πραγμάτων, ἀπέστειλε δοὺς ἐντολὰς, τὴν τῶν προειρημένων χρημάτων ἐκκομιδὴν ποιήσασθαι.
8Heliodórus ging dus dadelijk op reis, schijnbaar om de steden van Celesyrië en Fenicië te bezoeken, maar feitelijk om het verlangen van den koning ten uitvoer te brengen.
8Εὐθέως δὲ ὁ Ἡλιόδωρος ἐποιεῖτο τὴν παρείαν, τῇ μὲν ἐμφάσει ὡς τὰς κατὰ κοίλην Συρίαν καὶ Φοινίκην πόλεις ἐφοδεύσων, τῷ πράγματι δὲ τὴν τοῦ βασιλέως πρόθεσιν ἐπιτελέσων.
9Toen hij in Jerusalem was aangekomen, en door den hogepriester en de stad eervol was ontvangen, begon hij over het bewuste geld te spreken, en verklaarde, waarvoor hij gekomen was. Op zijn vraag, of de zaken werkelijk zo stonden,
9Παραγενηθεὶς δὲ εἰς Ἱεροσόλυμα, καὶ φιλοφρόνως ὑπὸ τοῦ ἀρχιερέως τῆς πόλεως ἀποδεχθείς, ἀνέθετο περὶ τοῦ γεγονότος ἐμφανισμοῦ, καὶ τίνος ἕνεκεν πάρεστι διεσάφήσεν· ἐπυνθάνετο δὲ εἰ ταῖς ἀληθείαις ταῦτα οὕτως ἔχοντα τυγχάνει.
10legde de hogepriester hem uit, dat het hier ging over een geldbelegging van weduwen en wezen,
10Τοῦ δὲ ἀρχιερέως ὑποδείξαντος παραθήκας εἶναι χηρῶν τε καὶ ὀρφανῶν,
11en dat een gedeelte toebehoorde aan een zekeren Hyrkánus, den zoon van Tobias, een man van zeer grote invloed. De zaken stonden derhalve niet zo, gelijk de goddeloze Sjimon het had voorgelogen; de gehele som bedroeg vierhonderd talenten zilver en tweehonderd talenten goud.
11τινὰ δὲ καὶ Ὑρκανοῦ τοῦ Τωβίου σφόδρα ἀνδρὸς ἐν ὑπεροχῇ κειμένου, οὐχ ὥσπερ ἦν διαβάλλων ὁ δυσσεβὴς Σίμων, τὰ δὲ πάντα ἀργυρίου τετρακόσια τάλαντα, χρυσίου δὲ διακόσια·
12Het zou gewoon een laagheid zijn, mensen te benadelen, die vertrouwd hadden op de heiligheid van de plaats en op de eerbiedwaardigheid en onschendbaarheid van de tempel, welke in de gehele wereld zo hoog in aanzien stond.
12ἀδικηθῆναι δὲ τοὺς πεπιστευκότας τῇ τοῦ τόπου ἁγιωσύνῃ, καὶ τῇ τοῦ τετιμημένου κατὰ τὸν σύμπαντα κόσμον ἱεροῦ σεμνότητι καὶ ἀσυλίᾳ, παντελῶς ἀμήχανον εἶναι.
13Heliodórus echter beriep zich op de bevelen, die de koning hem had gegeven, en verklaarde, dat al het geld aan de koninklijke schatkist moest worden afgedragen.
13Ὁ δὲ Ἡλιόδωρος διʼ ἃς εἶχε βασιλικὰς ἐντολὰς, πάντως ἔλεγεν εἰς τὸ βασιλικὸν ἀναληπτέα ταῦτα εἶναι.
14Na een dag te hebben vastgesteld, ging hij er heen, om alles in ogenschouw te nemen en te regelen. En diepe verslagenheid maakte zich meester van de gehele stad.
14Ταξάμενος δὲ ἡμέραν εἰσῄει τὴν περὶ τούτων ἐπίσκεψιν οἰκονομήσων· ἦν δὲ οὐ μικρὰ καθʼ ὅλην τὴν πόλιν ἀγωνία.
15De priesters wierpen zich in hun heilige gewaden voor het brandofferaltaar op de grond, en zonden smeekbeden op naar de hemel tot Hem, die hun het bezit had toevertrouwd, opdat Hij het onaangetast zou bewaren voor hen, die het daar hadden belegd.
15Οἱ δὲ ἱερεῖς πρὸ τοῦ θυσιαστηρίου ἐν ταῖς ἱερατικαῖς στολαῖς ῥίψαντες ἑαυτοὺς, ἐπεκαλοῦντο εἰς οὐρανὸν τὸν περὶ παραθήκης νομοθετήσαντα τοῖς παρακαταθεμένοις ταῦτα σῶα διαφυλάξαι.
16Het was hartverscheurend, het gelaat van den hogepriester te zien. Want zijn ogen en de verandering van zijn gelaatskleur spraken van de doodsangst in zijn hart.
16Ἦν δὲ ὁρῶντα τὴν τοῦ ἀρχιερέως ἰδέαν, τιτρώσκεσθαι τὴν διάνοιαν· ἡ γὰρ ὄψις καὶ τὸ τῆς χρόας παρηλλαγμένον ἐνέφαινε τὴν κατὰ ψυχὴν ἀγωνίαν.
17Zó grote ontsteltenis had hem bevangen, dat hij over zijn hele lichaam beefde, en dat de toeschouwers duidelijk konden zien, hoe hevig het zielsverdriet was, dat hem kwelde.
17Περιεκέχυτο γὰρ περὶ τὸν ἄνδρα δέος τι καὶ φρικασμὸς σώματος, διʼ ὧν πρόδηλον ἐγένετο τοῖς θεωροῦσι τὸ κατὰ καρδίαν ἐνεστὸς ἄλγος.
18En bij hopen stormde men de huizen uit, om in het openbaar te gaan bidden, omdat het tot een tempelschennis dreigde te komen.
18Οἱ δὲ ἐκ τῶν οἰκιῶν ἀγεληδὸν ἐξεπήδων ἐπὶ πάνδημον ἱκετείαν, διὰ τὸ μέλλειν εἰς καταφρόνησιν ἔρχεσθαι τὸν τόπον.
19Vrouwen in boetekleren, die onder de borst waren vastgemaakt, kwamen in massa de straten op; en de meisjes, die anders thuis bleven opgesloten, liepen nu bij de poorten, anderen op de muren, weer anderen staarden de vensters uit;
19Ὑπεζωσμέναι δὲ ὑπὸ τοὺς μαστοὺς αἱ γυναῖκες σάκκους κατὰ τὰς ὁδοὺς ἐπλήθυον· αἱ δὲ κατάκλειστοι τῶν παρθένων, αἱ μὲν συνέτρεχον ἐπὶ τοὺς πυλῶνας, αἱ δὲ ἐπὶ τὰ τείχη, τινὲς δὲ διὰ τῶν θυρίδων διεξέκυπτον.
20maar allen hielden de armen uitgestrekt naar de hemel, en baden.
20Πᾶσαι δὲ προτείνουσαι τὰς χεῖρας εἰς τὸν οὐρανον, ἐποιοῦντο τὴν λιτανείαν·
21Het was om medelijden te krijgen met het volk, dat ordeloos door elkaar op de knieën lag; medelijden ook met den hogepriester, die vol bezorgdheid was voor wat ging gebeuren.
21Ἐλεεῖν δʼ ἦν τὴν τοῦ πλήθους παμμιγῆ πρόπτωσιν, τήν τε τοῦ μεγάλως διαγωνιῶντος ἀρχιερέως προσδοκίαν.
22En men smeekte den almachtigen God, dat Hij het toevertrouwde bezit zo veilig mogelijk en in ongeschonden staat zou bewaren voor hen, die het daar hadden belegd.
22Οἱ μὲν οὖν ἐπεκαλοῦντο τὸν παντοκράτορα Θεὸν τὰ πεπιστευμένα τοῖς πεπιστευκόσι σῶα διαφυλάγγειν μετὰ πάσης ἀσφαλείας.
23Intussen ging Heliodórus er heen, om zijn plan ten uitvoer te brengen.
23Ὁ δὲ Ἡλιόδωρος τὸ διεγνωσμένον ἐπετέλει.
24En reeds bevond hij zich met zijn lijfwacht op de plaats bij de schatkamer, toen de Heer der geesten, die over alle macht beschikt, zulk een ontzagwekkende verschijning liet komen, dat allen, die het gewaagd hadden binnen te dringen, door Gods macht werden getroffen, en in onmacht vielen van schrik.
24Αὐτόθι δὲ αὐτοῦ σὺν τοῖς δορυφόροις κατὰ τὸ γαζοφυλάκιον ἤδη παρόντος, ὁ τῶν πατέρων Κύριος καὶ πάσης ἐξουσίας δυνάστης ἐπιφάνειαν μεγάλην ἐποίησεν, ὥστε πάντας τοὺς κατατολμήσαντας συνελθεῖν, καταπλαγέντας τὴν τοῦ Θεοῦ δύναμιν, εἰς ἔκλυσιν καὶ δειλίαν τραπῆναι.
25Want er verscheen hun een paard met een angstwekkenden ruiter! Het dier, dat prachtig was opgetuigd, stormde vooruit met geweld, en stoof met zijn voorpoten op Heliodórus af; de ruiter schitterde, in een gouden wapenrusting gedost.
25Ὤφθη γάρ τις ἵππος αὐτοῖς φοβερὸν ἔχων τὸν ἐπιβάτην, καὶ καλλίστῃ σαγῇ διακεκοσμημένος, φερόμενος δὲ ῥύδην ἐνέσεισε τῷ Ἡλιοδώρῳ τὰς ἐμπροσθίους ὁπλάς· ὁ δὲ ἐπικαθήμενος ἐφαίνετο χρυσῆν πανοπλίαν ἔχων.
26Daarna verschenen hem twee jongemannen, geweldig sterk, in schitterende glans en prachtig gekleed; zij stelden zich op aan beide kanten, geselden hem zonder ophouden, en brachten hem gevoelige slagen toe.
26Ἕτεροι δὲ δύο προεφάνησαν αὐτῷ νεανίαι, τῇ ῥώμῃ μὲν ἐκπρεπεῖς, κάλλιστοι δὲ τῇ δόξῃ, διαπρεπεῖς δὲ τὴν περιβολήν· οἳ καὶ παρασταντες ἐξ ἑκατέρου μέρους, ἐμαστίγουν αὐτὸν ἀδιαλείπτως, πολλὰς ἐπιῤῥιπτοῦντες αὐτῷ πληγάς.
27Toen viel hij plotseling op de grond, en een dichte duisternis hield hem omvangen. Ze grepen hem vast, legden hem neer op een baar,
27Ἄφνω δὲ πεσόντα πρὸς τὴν γῆν, καὶ πολλῷ σκότει περιχυθέντα, συναρπάσαντες, καὶ εἰς φορεῖον ἐνθέντες,
28en droegen hem hulpeloos weg: hem, die nog kort te voren met groot gevolg en zijn gehele lijfwacht de voornoemde schatkamer was binnengedrongen. Zo moesten zij er wel duidelijk een teken van Gods macht in erkennen.
28τὸν ἄρτι μετὰ πολλῆς παραδρομῆς καὶ πάσης δορυφορίας εἰς τὸ προειρημένον εἰσελθόντα γαζοφυλάκιον, ἔφερον ἀβοήθητον ἑαυτῷ καθεστῶτα, φανερῶς τὴν τοῦ Θεοῦ δυναστείαν ἐπεγνωκότες.
29Want daar lag hij neergesmakt door Gods kracht, sprakeloos en zonder de minste hoop op herstel.
29Καὶ ὁ μὲν διὰ τὴν θείαν ἐνέργειαν ἄφωνος καὶ πάσης ἐστερημένος ἐλπίδος καὶ σωτηρίας ἔῤῥιπτο.
30Maar de Joden prezen den Heer, die zijn woonplaats zo onverwacht had verheerlijkt. En de tempel, waarin nog kort te voren slechts angst en vrees had geheerst, weergalmde nu van blijdschap en vreugde, omdat Zich de almachtige Heer had doen gelden!
30Οἱ δὲ τὸν κύριον εὐλόγουν τὸν παραδοξάζοντα τὸν ἑαυτοῦ τόπον· καὶ τὸ μικρῷ πρότερον δέους καὶ ταραχῆς γέμον ἱερὸν, τοῦ παντοκράτορος ἐπιφανέντος Κυρίου, χαρᾶς καὶ εὐφροσύνης ἐπεπλήρωτο.
31Nu richtten enigen uit Heliodórus gevolg haastig het verzoek tot Onias, dat hij den Allerhoogste zou smeken, zijn leven te sparen; want hij lag reeds te sterven.
31Ταχὺ δέ τινες τῶν τοῦ Ἡλιοδώρου συνήθων ἠξίουν τὸν Ὀνίαν ἐπικαλέσασθαι τὸν ὕψιστον, καὶ τὸ ζῇν χαρίσασθι τῷ παντελῶς ἐν ἐσχάτῃ πνοῇ κειμένῳ.
32En daar de hogepriester bevreesd was, dat de koning zou menen, dat de Joden zich aan Heliodórus hadden vergrepen, bracht hij een offer voor het herstel van den man.
32Ὕποπτος δὲ γενόμενος ὁ ἀρχιερεῦς, μήποτε διάληψιν ὁ βασιλεὺς σχῇ, κακουργίαν τινὰ περὶ τὸν Ἡλιόδωρον ὑπὸ τῶν Ἰουδαίων συντετελέσθαι, προσήγαγε θυσίαν ὑπὲρ τῆς τοῦ ἀνδρὸς σωτηρίας.
33Terwijl nu de hogepriester het offer bracht, verschenen dezelfde jongelingen, in dezelfde klederen, Heliodórus opnieuw, gingen naast hem staan en spraken: Ge moogt den hogepriester wel dankbaar zijn; want om zijnentwille schenkt God u het leven.
33Ποιουμένου δὲ τοῦ ἀρχιερέως τὸν ἱλασμὸν, οἱ αὐτοὶ νεανίαι πάλιν ἐφάνησαν τῷ Ἡλιοδώρῳ ἐν ταῖς αὐταῖς ἐσθήσεσιν ἐστολισμένοι, καὶ στάντες εἶπον, πολλὰς τῷ Ὀνία τῷ ἀρχιερεῖ χάριτας ἔχε, διὰ γὰρ αὐτὸν σοι κεχάρισται τὸ ζῇν ὁ Κύριος.
34En nu gij van de hemel uit zijt getuchtigd, moet ge overal de geweldige macht van God verkonden. Na deze woorden verdwenen zij.
34Σὺ δὲ ὑπʼ αὐτοῦ μεμαστιγωμένος διάγγελε πᾶσι τὸ μεγαλεῖον τοῦ Θεοῦ κράτος· ταῦτα δὲ εἰπόντες ἀφανεῖς ἐγένοντο.
35Nu bracht Heliodórus den Heer een offer en deed Hem de heiligste geloften, daar Hij zijn leven had gespaard. Daarna nam hij afscheid van Onias, en keerde met zijn troepen naar den koning terug.
35Ὁ δὲ Ἡλιόδωρος θυσίαν ἀνενέγκας τῷ Κυρίῳ, καὶ εὐχὰς μεγίστας εὐξάμενος τῷ τὸ ζῇν περιποιήσαντι, καὶ τὸν Ὀνίαν ἀποδεξάμενος, ἀνεστρατοπέδευσε πρὸς τὸν βασιλέα.
36En voor iedereen legde hij getuigenis af over de wonderwerken van den allerhoogsten God, die hij met eigen ogen aanschouwd had.
36Ἐξεμαρτύρει δὲ πᾶσιν ἅπερ ἦν ὑπʼ ὄψιν τεθεαμένος ἔργα τοῦ μεγίστου Θεοῦ.
37En toen de koning aan Heliodórus vroeg, wie de aangewezen man wel zou zijn, om weer naar Jerusalem te worden gezonden, gaf hij ten antwoord:
37Τοῦ δὲ βασιλέως ἐπερωτήσαντος τὸν Ἡλιόδωρον, ποῖός τις εἴη ἐπιτήδειος ἔτι ἅπαξ διαπεμφθῆναι εἰς Ἱεροσόλυμα, ἔφησεν,
38Als ge een vijand hebt of een oproermaker, stuur hem er heen, en ge krijgt hem terug, gegeseld en wel, àls hij er tenminste het leven nog afbrengt. Waarachtig, daar woont een goddelijke macht!
38εἴ τινα ἔχεις πολέμιον ἢ πραγμάτων ἐπίβουλον, πέμψον αὐτὸν ἐκεῖ, καὶ μεμαστιγωμένον αὐτὸν προσδέξῃ, ἐάνπερ καὶ διασωθείη, διὰ τὸ περὶ τὸν τόπον ἀληθῶς εἶναί τινα Θεοῦ δύναμιν.
39Want Hij, die in de hemel woont, bewaakt en beschermt die plaats, en slaat en vernietigt eenieder, die er met slechte bedoelingen komt.
39Αὐτὸς γὰρ ὁ τὴν κατοικίαν ἐπουράνιον ἔχων, ἐπόπτης ἐστὶ καὶ βοηθὸς ἐκείνου τοῦ τόπου, καὶ τοὺς παραγινομένους ἐπὶ κακώσει, τύπτων ἀπόλλυσι.
40Zo verliep de geschiedenis van Heliodórus en de redding van de tempelschat.
40Καὶ τὰ μὲν κατὰ Ἡλιόδωρον, καὶ τὴν τοῦ γαζοφυλακίου τήρησιν οὕτως ἐχώρησεν.

Tip: use the ← and → keys to turn chapters.