Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
Septuagint (Brenton Greek text, with Apocrypha)
1Na het afsluiten van deze verdragen keerde Lúsias naar den koning terug, en legden de Joden zich weer toe op de landbouw.
1Γενομένων τῶν συνθηκῶν τούτων, ὁ μὲν Λυσίας ἀπῄει πρὸς τὸν βασιλέα, οἱ δὲ Ἰουδαῖοι περὶ τὴν γεωργίαν ἐγίνοντο.
2Maar enkele legeraanvoerders in die streken, als Timóteus en Apollónius, de zoon van Gennaius, Hierónymus en Démofon en verder Nikánor, de stadhouder van Cyprus, gunden hun vrede noch rust.
2Τῶν δὲ κατὰ τόπον στρατηγῶν Τιμόθεος καὶ Ἀπολλώνιος ὁ τοῦ Γενναίου, ἔτι δὲ Ἱερώνυμος καὶ Δημοφὼν, πρὸς δὲ τούτοις Νικάνωρ ὁ Κυπριάρχης, οὐκ εἴων αὐτοὺς εὐσταθεῖς, καὶ τὰ τῆς ἡσυχίας ἄγειν.
3Bovendien begingen de inwoners van Jóppe de volgende misdaad: Ze nodigden de Joden uit, die bij hen woonden, om met vrouwen en kinderen plaats te nemen in een aantal gereedliggende scheepjes. Daar zij niets kwaads in het schild schenen te voeren,
3Ἰοππίται δὲ τηλικοῦτο συνετέλεσαν τὸ δυσσέβημα· παρακαλέσαντες τοὺς σὺν αὐτοῖς οἰκοῦντας Ἰουδαίους ἐμβῆναι εἰς τὰ παρασταθέντα ὑπʼ αὐτῶν σκάφη σὺν γυναιξὶ καὶ τέκνοις, ὡς μηδεμιᾶς ἐνεστώσης πρὸς αὐτοὺς δυσμενείας,
4maar volgens een algemeen stadsbesluit handelden, namen de Joden, die de vrede niet wilden verstoren, het zonder enige argwaan aan. Men bracht hen echter in volle zee en liet hen verdrinken; het waren minstens tweehonderd mensen!
4κατὰ δὲ τὸ κοινὸν τῆς πόλεως ψήφισμα, καὶ τούτων ἐπιδεξαμένων ὡς ἂν εἰρηνεύειν θελόντων, καὶ μηδὲν ὕποπτον ἐχόντων, ἐπαναχθέντας αὐτοὺς ἐβύθισαν, ὄντας οὐκ ἔλαττον τῶν διακοσίων.
5Toen Judas vernam, hoe wreed zijn volksgenoten waren mishandeld, deelde hij het zijn soldaten mede,
5Μεταλαβὼν δὲ Ἰούδας τὴν γεγονυῖαν εἰς τοὺς ὁμοεθνεῖς ὠμότητα, παραγγείλας τοῖς περὶ αὐτὸν ἀνδράσι,
6en rukte, na God, den rechtvaardigen Rechter, te hebben aangeroepen, tegen de moordenaars van zijn broeders op. Bij nacht stak hij de haven in brand, gaf de schepen aan de vlammen prijs, en vermoordde de vluchtelingen, die daarin een schuilplaats hadden gezocht.
6καὶ ἐπικαλεσάμενος τὸν δίκαιον κριτὴν Θεὸν, παρεγένετο ἐπὶ τοὺς μιαιφόνους τῶν ἀδελφῶν· καὶ τὸν μὲν λιμένα νύκτωρ ἐνέπρησε, καὶ τὰ σκάφη κατέφλεξε, τοὺς δὲ ἐκεῖ συμφυγόντας ἐξεκέντησε.
7Daar de stad zelf goed was afgesloten, trok hij af, maar vatte het plan op, terug te komen en de gehele bevolking van Jóppe te vernietigen.
7Τοῦ δὲ χωρίου συγκλεισθέντος, ἀνέλυσεν, ὡς πάλιν ἥξων καὶ τὸ σύμπαν τῶν Ἰοππιτῶν ἐκριζῶσαι πολίτευμα.
8En toen hij hoorde, dat ook de inwoners van Jámnia iets dergelijks tegen de Joden, die daar woonden, wilden ondernemen,
8Μεταλαβὼν δὲ καὶ τοὺς ἐν Ἰαμνείᾳ τὸν αὐτὸν ἐπιτελεῖν βουλομένους τρόπον τοῖς παροικοῦσιν Ἰουδαίοις,
9overviel hij de burgers van Jámnia bij nacht, en stak de haven met de vloot in brand. Tot in Jerusalem, dus op tweehonderd veertig stadiën afstand, zag men de vuurgloed.
9καὶ τοῖς Ἰαμνίταις νυκτὸς ἐπιβαλὼν, ὑφῆψε τὸν λιμένα σὺν τῷ στόλῳ, ὥστε φαίνεσθαι τὰς αὐγὰς τοῦ φέγγους εἰς τὰ Ἱεροσόλυμα, σταδίων ὄντων διακοσίων τεσσαράκοντα.
10Toen zij nu negen stadiën verder waren getrokken, om de veldtocht tegen Timóteus te beginnen, werd hij aangevallen door Arabieren, die ongeveer vijfduizend man voetvolk en vijfhonderd ruiters sterk waren.
10Ἐκεῖθεν δὲ ἀποσπασθέντων σταδίους ἐννέα, ποιουμένων τὴν πορείαν ἐπὶ τὸν Τιμόθεον, προσέβαλον Ἄραβες αὐτῷ οὐκ ἐλάττους τῶν πεντακισχιλίων, ἱππεῖς δὲ πεντακόσιοι.
11Na een verbitterd gevecht behaalden Judas en zijn mannen met Gods hulp de overwinning. De verslagen nomaden smeekten Judas om vrede, en beloofden, dat zij hen van vee zouden voorzien en hun op alle mogelijke manieren behulpzaam zijn.
11Γενομένης δὲ καρτερᾶς μάχης, καὶ τῶν περὶ τὸν Ἰούδαν διὰ τὴν παρὰ τοῦ Θεοῦ βοήθειαν εὐημερησάντων, ἐλαττωθέντες οἱ Νομάδες Ἄραβες ἠξίουν δοῦναι τὸν Ἰούδαν δεξιὰν αὐτοῖς, ὑπισχνούμενοι καὶ βοσκήματα δώσειν, καὶ ἐν τοῖς λοιποῖς ὠφελήσειν αὐτούς.
12Daar Judas van mening was, dat zij hem in veel opzichten werkelijk van nut konden zijn, bood hij hun de vrede aan. Zij gaven hem de hand er op, en trokken naar hun tenten terug.
12Ἰούδας δὲ ὑπολαβὼν ὡς ἀληθῶς ἐν πολλοῖς αὐτοὺς χρησίμους, ἐπεχώρησεν εἰρήνην ἄξειν πρὸς αὐτούς· καὶ λαβόντες δεξιὰς, εἰς τὰς σκηνὰς αὐτῶν ἐχωρίσθησαν.
13Daarna viel hij een stad aan, die Kaspin heette. Deze was met aarden wallen verschanst, van ringmuren voorzien, en bewoond door verschillende heidense stammen.
13Ἐπέβαλε δὲ καὶ ἐπί τινα πόλιν γεφυροῦν ὀχυρὰν καὶ τείχεσι περιπεφραγμένην, καὶ παμμιγέσιν ἔθνεσι κατοικουμένην, ὄνομα δὲ Κάσπιν.
14Daar de inwoners op de sterkte der muren en op de voorraad levensmiddelen vertrouwden, daagden zij de mannen van Juda onbeschoft uit, hoonden hen en schreeuwden hun daarenboven godslasterlijke en onbehoorlijke woorden toe.
14Οἱ δʼ ἔνδον πεποιθότες τῇ τῶν τειχέων ἐρυμνότητι, τῇ τε τῶν βρωμάτων παραθέσει, ἀναγωγότερον ἐχρῶντο, τοῖς περὶ τὸν Ἰούδαν λοιδοροῦντες, καὶ προσέτι βλασφημοῦντες, καὶ λαλοῦντες ἃ μὴ θέμις.
15Toen riepen Judas' soldaten den machtigen Heer der wereld aan, die Jericho in de dagen van Josuë zonder stormram en oorlogswerktuigen had omvergeworpen. Met leeuwenmoed bestormden zij de muren,
15Οἱ δὲ περὶ τὸν Ἰούδαν ἐπικαλεσάμενοι τὸν μέγαν τοῦ κόσμου δυνάστην, τὸν ἄτερ κριῶν καὶ μηχανῶν ὀργανικῶν κατακρημνίσαντα τὴν Ἱεριχὼ κατὰ τοὺς Ἰησοῦ χρόνους, ἐνέσεισαν θηριωδῶς τῷ τείχει.
16en namen de stad in, omdat God het wilde. Zij richtten zulk een onbeschrijfelijk bloedbad aan, dat het naburige meer, dat twee stadiën breed was, met bloed scheen gevuld.
16Καταλαβόμενοί τε τὴν πόλιν τῇ τοῦ Θεοῦ θελήσει, ἀμυθήτους ἐποιήσαντο σφαγὰς, ὥστε τὴν παρακειμένην λίμνην τὸ πλάτος ἔχουσαν σταδίων δύο, κατάῤῥυτον αἵματι πεπληρωμένην φαίνεσθαι.
17Vandaar trokken zij zevenhonderd vijftig stadiën verder, en kwamen in Charaka bij de zogenaamde Toebi-Joden.
17Ἐκεῖθεν δὲ ἀποσπάσαντες σταδίους ἑπτακοσίους πεντήκοντα διήνυσαν εἰς τὸν Χάρακα, πρὸς τοὺς λεγομένους Τουβιήνους Ἰουδαίους.
18Maar Timóteus troffen ze in deze streken niet aan, daar hij onverrichterzake was weggetrokken, en slechts op een bepaald punt een sterke bezetting had achtergelaten.
18Καὶ Τιμόθεον μὲν ἐπὶ τῶν τόπων οὐ κατέλαβον, ἄπρακτόν τε ἀπὸ τῶν τόπων ἐκλελυκότα, καταλελοιπότα δὲ φρουρὰν ἔν τινι τόπῳ, καὶ μάλα ὀχυράν.
19Daar trokken twee veldheren van den Makkabeër, Dositéus en Sosipatros nu op af, en vermoordden allen, die Timóteus in de vesting had achtergelaten; het waren meer dan tienduizend mensen.
19Δωσίθεος δὲ καὶ Σωσίπατρος τῶν περὶ τὸν Μακκαβαῖον ἡγεμόνων, ἐξοδεύσαντες ἀπώλεσαν τοὺς ὑπὸ Τιμοθέου καταλειφθέντας ἐν τῷ ὀχυρώματι πλείους τῶν μυρίων ἀνδρῶν.
20Nu verdeelde de Makkabeër zijn troepen in twee afdelingen, stelde één ervan onder hun bevel, en trok tegen Timóteus op, die honderd twintigduizend man voetvolk en vijftienhonderd ruiters bij zich had.
20Ὁ δὲ Μακκαβαῖος διατάξας τὴν ἑαυτοῦ στρατιὰν σπειρηδὸν, κατέστησεν αὐτοὺς ἐπὶ τῶν σπείρων, καὶ ἐπὶ τὸν Τιμόθεον ὥρμησεν ἔχοντα περὶ αὐτὸν μυριάδας δώδεκα πεζῶν, ἱππεῖς δὲ χιλίους πρὸς τοῖς πεντακοσίοις.
21Zodra Timóteus Judas' opmars vernam, zond hij vrouwen en kinderen en heel de verdere bagage vooruit naar een plaats die Karnion heette; dit punt was namelijk moeilijk in te nemen en vrijwel ontoegankelijk door de enge passen langs alle kanten.
21Τὴν δὲ ἔφοδον μεταλαβὼν Ἰούδα, ὁ Τιμόθεος προεξαπέστειλε τὰς γυναῖκας, καὶ τὰ τέκνα, καὶ τὴν ἄλλην ἀποσκευὴν εἰς τὸ λεγόμενον Καρνίον· ἦν γὰρ δυσπολιόρκητον καὶ δυσπρόσιτον τὸ χωρίον διὰ τὴν τῶν πάντων τῶν τόπων στενότητα.
22Maar toen de eerste afdeling van Judas zich vertoonde, werden de vijanden door de verschijning van den Alziende zó beangst en bevreesd, dat zij ijlings op de vlucht sloegen. De een rende hier- de ander daarheen, zodat zij meermalen door hun eigen mannen werden gewond en met hun puntige zwaarden doorboord.
22Ἐπιφανείσης δὲ τῆς Ἰούδα σπείρας πρώτης, καὶ γενομένου δέους ἐπὶ τοὺς πολεμίους, φόβου τε ἐκ τῆς τοῦ πάντα ἐφορῶντος ἐπιφανείας γενομένου ἐπʼ αὐτοὺς, εἰς φυγὴν ὥρμησαν ἄλλος ἀλλαχῃ φερόμενος, ὥστε πολλάκις ὑπὸ τῶν ἰδίων βλάπτεσθαι, καὶ ταῖς τῶν ξιφῶν ἀκμαῖς ἀναπείρεσθαι.
23Maar Judas stormde ze onstuimig achterna, en stak de booswichten overhoop; dertigduizend soldaten vonden de dood.
23Ἐποιεῖτο δὲ τὸν διωγμὸν εὐτονώτερον Ἰούδας, συγκεντῶν τοὺς ἀλιτηρίους, διέφθειρέ τε εἰς μυριάδας τρεῖς ἀνδρῶν.
24Timóteus zelf werd door de troepen van Dositéus en Sosipatros gevangen genomen, en moest om behoud van zijn leven smeken. Daarom deed hij het heel listig voorkomen, alsof hij van sommigen de ouders en van anderen de broers in zijn macht had, en dat het die anders slecht zou vergaan.
24Αὐτὸς δὲ ὁ Τιμόθεος ἐμπεσὼν τοῖς περὶ τὸν Δωσίθεον καὶ Σωσίπατρον, ἠξίου μετὰ πολλῆς γοητείας ἐξαφεῖναι σῶον αὐτόν· διὰ τὸ πλειόνων μὲν γονεῖς, ὧν δὲ ἀδελφοὺς ἔχειν, καὶ τούτους ἀλογηθῆναι συμβήσεται, εἰ ἀποθάνοι.
25Van de andere kant beloofde en verzekerde hij uitdrukkelijk, dat hij hen ongedeerd zou uitleveren. Om dus hun broeders te redden, lieten zij hem vrij.
25Πιστώσαντος δὲ αὐτοῦ διὰ πλειόνων τὸν ὁρισμὸν ἀποκαταστήσειν τούτους ἀπημάντους, ἀπέλυσαν αὐτὸν ἕνεκα τῆς τῶν ἀδελφῶν σωτηρίας.
26Nu trok Judas op tegen Karnion met het tempelgebied van Atarg tis, en doodde vijf en twintig duizend man.
26Ἐξελθὼν δὲ ἐπὶ τὸ Καρνίον καὶ τὸ Ἀταργατεῖον, κατέσφαξε μυριάδας σωμάτων δύο καὶ πεντακισχιλίους.
27Na ze te hebben ingenomen en verwoest, rukte hij tegen de vesting Efron op, waar allerlei uitheemse troepen waren gelegerd. Sterke jonge soldaten hadden zich voor de muren opgesteld en weerden zich dapper, terwijl men daarbinnen over een grote voorraad oorlogswerktuigen en katapulten beschikte.
27Καὶ μετὰ τὴν τούτων τροπὴν καὶ ἀπώλειαν ἐπεστράτευσεν Ἰούδας καὶ ἐπὶ Ἐφρὼν, πόλιν ὀχυρὰν, ἐν ᾗ κατῴκει Λυσίας, καὶ πάμφυλα πλήθη· νεανίαι δὲ πρὸ τῶν τειχῶν καθεστῶτες ῥωμαλέοι ἀπεμάχοντο εὐρώστως, ἐνθάδε ὀργάνων καὶ βελῶν πολλαὶ παραθέσεις ὑπῆρχον.
28Maar de Joden riepen den Almachtige aan, die met geweld de kracht van den vijand breekt; ze namen de stad in en doodden ongeveer twintigduizend inwoners.
28Ἐπικαλεσάμενοι δὲ τὸν Δυνάστην τὸν μετὰ κράτους συντρίβοντα τὰς τῶν πολεμίων ἀλκὰς, ἔλαβον τὴν πόλιν ὑποχείριον, καὶ κατέστρωσαν τῶν ἔνδον εἰς μυριάδας δύο καὶ πεντακισχιλίους.
29Vandaar trokken ze verder, en rukten naar de stad Skytópolis op, die zeshonderd stadiën van Jerusalem ligt.
29Ἀναζεύξαντες δὲ ἐκεῖθεν, ὥρμησαν ἐπὶ Σκυθῶν πόλιν, ἀπέχουσαν ἀπὸ Ἱεροσολύμων σταδίους ἑξακοσίους.
30Maar de Joden, die daar woonden, verklaarden, dat de bewoners van Skytópolis altijd vriendelijk voor hen waren geweest en hen in de moeilijke tijden goed hadden behandeld.
30Ἀπομαρτυρησάντων δὲ τῶν ἐκεῖ κατοικούντων Ἰουδαίων, ἣν οἱ Σκυθοπολίται ἔσχον πρὸς αὐτοὺς εὔνοιαν, καὶ ἐν τοῖς τῆς ἀτυχίας καιροῖς ἥμερον ἀπάντησιν ἐποιοῦντο,
31Zij dankten hen daarvoor en verzochten hen, ook in het vervolg die vriendschap met hun volk te bestendigen. Daarna keerden zij naar Jerusalem terug, omdat het feest der weken in aantocht was.
31εὐχαριστήσαντες αὐτοῖς, καὶ προσπαρακαλέσαντες καὶ εἰς τὰ λοιπὰ πρὸς τὸ γένος εὐμενεῖς εἶναι, παρεγένοντο εἰς Ἱεροσόλυμα, τῆς τῶν ἑβδομάδων ἑορτῆς οὕσης ὑπογύου.
32Na het zogenaamde Pinksterfeest rukten ze tegen Górgias, den stadhouder van Iduméa, uit.
32Μετὰ δὲ τὴν λεγομένην Πεντηκοστὴν, ὥρμησαν ἐπὶ Γοργίαν τὸν τῆς Ἰδουμαίας στρατηγόν.
33Deze trok hun tegemoet met drieduizend man voetvolk en vierhonderd ruiters.
33Ἐξῆλθε δὲ μετὰ πεζῶν τρισχιλίων, ἱππέων δὲ τετρακοσίων.
34Zodra zij slaags raakten, kwamen er enige Joden te vallen.
34Καὶ παραταξαμένων συνέβη πεσεῖν ὀλίγους τῶν Ἰουδαίων.
35Maar nu wist Dositéus, een van Bakénors soldaten, die een buitengewoon goed ruiter was, Górgias bij zijn mantel te grijpen. Reeds sleepte hij hem met geweld mee, daar hij dien vervloekte levend wilde gevangen nemen, toen een tracische ruiter naar hem toe rende, en hem de arm afsloeg. Zo kon Górgias naar Maresja ontsnappen.
35Δωσίθεος δέ τις τῶν τοῦ Βακήνορος, ἔφιππος ἀνὴρ καὶ καρτερὸς, εἴχετο τοῦ Γοργίου, καὶ λαβόμενος τῆς χλαμύδος, ἦγεν αὐτὸν εὐρώστως, καὶ βουλόμενος τὸν κατάρατον λαβεῖν ζωγρίαν, τῶν ἱππέων Θρακῶν τινὸς ἐπενεχθέντος αὐτῷ καὶ τὸν ὦμον καθελόντος, διέφυγεν ὁ Γοργίας εἰς Μαρισά.
36Intussen waren de soldaten van Ésdris door het lange vechten uitgeput. Daarom smeekte Judas den Heer, hun aanvoerder en medestrijder te zijn,
36Τῶν δὲ περὶ τὸν Ἔσδριν ἐπιπλεῖον μαχομένων, καὶ κατακόπων ὄντων, ἐπικαλεσάμενος ὁ Ἰούδας τὸν Κύριον σύμμαχον φανῆναι καὶ προοδηγὸν τοῦ πολέμου,
37hief in zijn moedertaal een strijdlied aan, stormde onverwacht op de troepen van Górgias los, en joeg hen op de vlucht.
37καταρξάμενος τῇ πατρίῳ φωνῇ τὴν μεθʼ ὕμνων κραυγὴν, ἀναβοήσας, καὶ ἐνσείσας ἀπροσδοκήτως τοῖς περὶ τὸν Γοργίαν, τροπὴν αὐτῶν ἐποιήσατο.
38Daarna verzamelde Judas zijn leger, en voerde het naar de stad Adoellam. En daar de zevende dag in aantocht was, heiligden zij zich, zoals door het gebruik was voorgeschreven, en brachten daar de sabbat door.
38Ἰούδας δὲ ἀναλαβὼν τὸ στράτευμα, ἦγεν εἰς Ὀδολλὰμ πόλιν· τῆς δὲ ἑβδομάδος ἐπιβαλλούσης, κατὰ τὸν ἐθισμὸν ἁγνισθέντες αὐτόθι τὸ σάββατον διήγαγον.
39Daar het echter hoog tijd was, trokken Judas' mannen de volgende dag er op uit, om de lijken van de gesneuvelden te gaan halen, en bij hun bloedverwanten in de graven hunner vaderen bij te zetten.
39Τῇ δὲ ἐχομένῃ ἦλθον οἱ περὶ τὸν Ἰούδαν καθʼ ὃν τρόπον τὸ τῆς χρείας ἐγεγόνει, τὰ τῶν προπεπτωκότων σώματα ἀνακομίσασθαι, καὶ μετὰ τῶν συγγενῶν ἀποκαταστῆσαι εἰς τοὺς πατρῴους τάφους.
40Maar nu ontdekte men onder de kleren van alle gesneuvelden amuletten van de afgoden uit Jámnia; iets wat aan de Joden door de wet was verboden. Toen werd het allen duidelijk, waarom zij waren gevallen.
40Εὗρον δὲ ἑκάστου τῶν τεθνηκότων ὑπὸ τοὺς χιτῶνας ἱερώματα τῶν ἀπὸ Ἰαμνείας εἰδώλων, ἀφʼ ὧν ὁ νόμος ἀπείργει τοὺς Ἰουδαίους· τοῖς δὲ πᾶσι σαφὲς ἐγένετο διὰ τήνδε τὴν αἰτίαν τούσδε πεπτωκέναι.
41Allen prezen den Heer, den rechtvaardigen Rechter, die het verborgene aan het licht weet te brengen.
41Πάντες οὖν εὐλογήσαντες τοῦ δικαιοκρίτου Κυρίου τοῦ τὰ κεκρυμμένα φανερὰ ποιοῦντος,
42Daarna gingen ze bidden, en smeekten, dat deze overtreding geheel en al mocht worden vergeven. En de edele Judas vermaande het volk, zich toch van zonde vrij te houden, daar ze bij de gesneuvelden met eigen ogen de gevolgen der zonde hadden kunnen aanschouwen.
42εἰς ἱκετείαν ἐτράπησαν, ἀξιώσαντες τὸ γεγονὸς ἁμάρτημα τελείως ἐξαλειφθῆναι· ὁ δὲ γενναῖος Ἰούδας παρεκάλεσε τὸ πλῆθος συντηρεῖν ἑαυτοὺς ἀναμαρτήτους εἶναι, ὑπʼ ὄψιν ἑωρακότας τὰ γεγονότα, διὰ τὴν τῶν προπεπτωκότων ἁμαρτίαν.
43Vervolgens liet hij onder de soldaten een collecte houden, die tweeduizend drachmen opbracht. Hij zond het geld naar Jerusalem, om een offer voor de zonde te laten opdragen. Dit was een zeer goede en edele daad, daar hij aan de verrijzenis dacht.
43Ποιησάμενός τε κατʼ ἀνδραλογίαν κατασκευάσματα εἰς ἀργυρίου δραχμὰς δισχιλίας, ἀπέστειλεν εἰς Ἱεροσόλυμα προσαγαγεῖν περὶ ἁμαρτίας θυσίαν, πάνυ καλῶς καὶ ἀστείως πράττων, ὑπὲρ ἀναστάσεως διαλογιζόμενος·
44Want als hij niet had verwacht, dat de gesneuvelden zouden verrijzen, dan zou het nutteloos en dwaas zijn geweest, voor de doden te bidden.
44εἰ γὰρ μὴ τοὺς προπεπτωκότας ἀναστῆναι προσεδόκα, περισσὸν ἂν ἦν καὶ ληρῶδες ὑπὲρ νεκρῶν προσεύχεσθαι·
45Bovendien overwoog hij, dat hun, die godvruchtig zijn ontslapen, een heerlijke beloning te wachten staat. Inderdaad, een heilige en vrome gedachte! Daarom liet hij voor de doden een zoenoffer opdragen, opdat zij van hun zonde zouden worden verlost.
45εἶτʼ ἐμβλέπων τοῖς μετʼ εὐσεβείας κοιμωμένοις κάλλιστον ἀποκείμενον χαριστήριον· ὁσία καὶ εὐσεβὴς ἡ ἐπίνοια· ὅθεν περὶ τῶν τεθνηκότων τὸν ἐξιλασμὸν ἐποιήσατο, τῆς ἁμαρτίας ἀπολυθῆναι.

Tip: use the ← and → keys to turn chapters.