2 Makkabeeen 8
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
Douay-Rheims Bible, American Edition (1899)
1Ondertussen gingen Judas de Makkabeër en zijn aanhang in het geheim de dorpen af, riepen hun verwanten op, verzamelden allen, die het jodendom waren trouw gebleven, en brachten zo ongeveer zesduizend man op de been.
1But Judas Machabeus, and they that were with him, went privately into the towns: and calling together their kinsmen and friends, and taking unto them such as continued in the Jews’ religion, they assembled six thousand men.
2Zij smeekten den Heer, dat Hij zou neerzien op het volk, dat van alle kanten in het nauw was gedreven, en Zich zou ontfermen over de tempel, die door de goddelozen was onteerd;
2And they called upon the Lord that he would look upon his people that was trodden down by all, and would have pity on the temple, that was defiled by the wicked:
3dat Hij medelijden zou hebben met de stad, die op het punt stond, aan de vernietiging en de ondergang te worden prijsgegeven, en dat Hij zou luisteren naar het om wraak roepende bloed;
3That he would have pity also upon the city that was destroyed, that was ready to be made even with the ground, and would hear the voice of the blood that cried to him:
4dat Hij zou denken aan het meedogenloos vermoorden van onschuldige kinderen en aan de godslasteringen tegen zijn Naam, en er wraak op zou nemen.
4That he would remember also the most unjust deaths of innocent children, and the blasphemies offered to his name, and would shew his indignation on this occasion.
5Toen de Makkabeër zo zijn leger bijeen had gebracht, konden de heidenen weldra niet meer tegen hen op, omdat de toorn des Heren in barmhartigheid was verkeerd.
5Now when Machabeus had gathered a multitude, he could not be withstood by the heathens: for the wrath of the Lord was turned into mercy.
6Onverwacht viel hij steden en dorpen aan, en stak ze in brand; en daar hij gunstig gelegen stellingen veroverde, wist hij een niet gering aantal vijanden op de vlucht te jagen.
6So coming unawares upon the towns and cities, he set them on fire, and taking possession of the most commodious places, he made no small slaughter of the enemies,
7Voor dergelijke overvallen gebruikte hij bij voorkeur de nacht. Zo kwam het, dat de roep van zijn dapperheid zich alom verspreidde.
7And especially in the nights he went upon these expeditions, and the fame of his valour was spread abroad every where.
8Toen Filippus zag, dat de man in korte tijd grote vorderingen maakte, en dat hij, aangemoedigd door het succes, hoe langer hoe meer ondernam, schreef hij Ptoleméus, den stadhouder van Celesyrië en Fenicië, een brief, en verzocht hem, de zaak van den koning te steunen.
8Then Philip, seeing that the man gained ground by little and little, and that things for the most part succeeded prosperously with him, wrote to Ptolemee the governor of Celesyria and Phenicia, to send aid to the king’s affairs.
9Dadelijk ontbood deze Nikánor, den zoon van Pátroklos, en een van zijn eerste vertrouwelingen, en zond hem met een leger van niet minder dan twintigduizend man uit alle mogelijke volksstammen aangeworven, om het gehele joodse volk te vernietigen; bovendien gaf hij hem Górgias mee, een veldheer van grote strategische ervaring.
9And he with all speed sent Nicanor the son of Patroclus, one of his special friends, giving him no fewer than twenty thousand armed men of different nations, to root out the whole race of the Jews, joining also with him Gorgias, a good soldier, and of great experience in matters of war.
10Nikánor had zich voorgesteld, aan den koning het gehele bedrag van tweeduizend talenten, dat deze als schatting aan de Romeinen schuldig was, te kunnen aanbieden door joodse krijgsgevangenen te verkopen.
10And Nicanor purposed to raise for the king the tribute of two thousand talents, that was to be given to the Romans, by making so much money of the captive Jews:
11Daarom liet hij terstond de kustplaatsen waarschuwen, dat er joodse slaven te koop waren, en beloofde, negentig stuks voor één talent te zullen leveren. Want hij had niet het flauwste vermoeden, met welke zware straf de Allerhoogste hem spoedig zou treffen.
11Wherefore he sent immediately to the cities upon the sea coast, to invite men together to buy up the Jewish slaves, promising that they should have ninety slaves for one talent, not reflecting on the vengeance, which was to follow him from the Almighty.
12Toen Judas het bericht vernam, dat Nikánor oprukte, en zijn aanhang de tijding deed, dat het leger in aantocht was,
12Now when Judas found that Nicanor was coming, he imparted to the Jews that were with him, that the enemy was at hand.
13liepen de kleinmoedigen en die niet op Gods gerechtigheid vertrouwden, weg en maakten zich uit de voeten.
13And some of them being afraid, and distrusting the justice of God, fled away:
14De overigen verkochten wat ze nog hadden, en smeekten tevens den Heer, dat Hij hen zou bevrijden van den goddelozen Nikánor, die hen reeds vóór de strijd had verkocht.
14Others sold all that they had left, and withal besought the Lord, that he would deliver them from the wicked Nicanor, who had sold them before he came near them:
15En zo Hij dit niet ter wille van hen zelf wilde doen, dan toch terwille van het verbond met de vaderen en van zijn eigen heerlijke en verheven Naam, die zij droegen!
15And if not for their sakes, yet for the covenant that he had made with their fathers, and for the sake of his holy and glorious name that was invoked upon them.
16Toen de Makkabeër dus zijn troepen ten getale van zesduizend man had verzameld, vermaande hij hen, niet bang te zijn voor den vijand, en de moed niet op te geven tegenover het grote aantal heidenen, die zonder schijn van recht tegen hen oprukten. Neen, zij moesten dapper strijden,
16But Machabeus calling together seven thousand that were with him, exhorted them not to be reconciled to the enemies, nor to fear the multitude of the enemies who came wrongfully against them, but to fight manfully:
17en er aan blijven denken, hoe goddeloos en brutaal de heidenen tegen de heilige plaats waren opgetreden, welke gruwelen zij in de geteisterde stad hadden bedreven, en hoe zij bovendien de eeuwenoude staatsinrichting hadden afgeschaft.
17Setting before their eyes the injury they had unjustly done the holy place, and also the injury they had done to the city, which had been shamefully abused, besides their destroying the ordinances of the fathers.
18En hij vervolgde: Zij steunen op hun wapenen en hun waaghalzerij, maar wij vertrouwen op den almachtigen God, die niet alleen onze vijanden, maar zelfs de gehele aarde met één wenk kan vernietigen.
18For, said he, they trust in their weapons, and in their boldness: but we trust in the Almighty Lord, who at a beck can utterly destroy both them that come against us, and the whole world.
19Daarbij herinnerde hij hen aan de hulp, die hun vaderen hadden ondervonden: hoe onder Sinacherib honderd vijf en tachtigduizend man waren gevallen,
19Moreover he put them in mind also of the helps their fathers had received from God: and how under Sennacherib a hundred and eighty-five thousand had been destroyed.
20hoe in de slag tegen de Galaten in Babylonië, waarbij slechts achtduizend Joden en vierduizend Macedoniërs het veld in kwamen, die achtduizend man, toen de Macedoniërs in het nauw werden gedreven, honderd twintigduizend man wisten te verslaan en een rijke buit konden bemachtigen, dank zij de hulp van de Hemel!
20And of the battle that they had fought against the Galatians in Babylonia, how they, being in all but six thousand, when it came to the point, and Macedonians their companions were a stand, slew a hundred and twenty thousand, because of the help they had from heaven, and for this they received many favours.
21Zo moedigde hij hen aan; en nu waren zij bereid, voor de wet en het vaderland hun leven te geven. Daarna verdeelde hij het leger in vier afdelingen,
21With these words they were greatly encouraged, and disposed even to die for the laws and their country.
22stelde over elke afdeling een van zijn broers aan, namelijk Sjimon, Johannes en Jonatan, en gaf aan ieder van hen het bevel over vijftienhonderd man.
22So he appointed his brethren cap over each division of his army, Simon, and Joseph, and Jonathan, giving to one fifteen hundred men.
23Vervolgens liet hij Elazar uit het heilige boek voorlezen, en gaf als parool: Met Gods hulp! Zelf stelde hij zich aan het hoofd van de eerste afdeling, en trok zo tegen Nikánor op.
23And after the holy Book had been read to them by Esdras, and he had given them for a watchword, The help of God: himself leading the first band, he joined battle with Nicanor:
24En omdat de Almachtige hun bondgenoot was, sloegen ze negenduizend vijanden neer, verwondden en verminkten het grootste gedeelte van Nikánors leger, dwongen de rest de vlucht te nemen,
24And the Almighty being their helper, they slew above nine thousand men: and having wounded and disabled the greater part of Nicanor’s army, they obliged them to fly.
25en legden beslag op het geld van hen, die reeds waren toegesneld, om hen op te kopen. Daarna zetten ze hen een eind ver achterna, en keerden eerst terug, toen de tijd begon te nijpen;
25And they took the money of them that came to buy them, and they pursued them on every side.
26het was namelijk daags voor de sabbat, en daarom konden zij hen niet verder vervolgen.
26But they came back for want of time: for it was the day before the sabbath: and therefore they did not continue the pursuit.
27En na zich meester te hebben gemaakt van de wapens en de buit van den vijand, vierden zij sabbat, en prezen en loo fden vol jubel den Heer, omdat Hij hen op die dag had geholpen, en weer was begonnen, zijn barmhartigheid te tonen.
27But when they had gathered together their arms and their spoils, they kept the sabbath: blessing the Lord who had delivered them that day, distilling the beginning of mercy upon them.
28Na de sabbat gaven zij een deel van de buit aan hen, die hadden geleden door de vervolging, en aan de weduwen en wezen; de rest verdeelden zij onder elkaar en hun kinderen.
28Then after the sabbath they divided the spoils to the feeble and the orphans, and the widows: and the rest they took for themselves and their servants.
29Toen ze dit hadden volbracht, baden zij gezamenlijk tot den barmhartigen God en smeekten Hem, dat Hij Zich met zijn dienaars geheel zou verzoenen.
29When this was done, and they had all made a common supplication, they besought the merciful Lord to be reconciled to his servants unto the end.
30Zo werd Nikánor, de schurk, die al duizend slavenhandelaars had laten komen, om de Joden op te kopen,
30Moreover they slew above twenty thousand of them that were with Timotheus and Bacchides who fought them, and they made themselves masters of the high strong holds: and they divided amongst them many spoils, giving equal portions to the feeble, the fatherless and the widows, yea and the aged also.
31met Gods hulp juist door hen vernederd, die hij zo had veracht. Hij moest zijn prachtige uitrusting afleggen, vluchtte als een weggelopen slaaf door het land over eenzame wegen, en kwam in Antiochië als een gebroken man, omdat zijn leger verslagen was.
31And when they had carefully gathered together their arms, they laid them all up in convenient places, and the residue of their spoils they carried to Jerusalem:
32Hij die beloofd had, de belastingen aan de Romeinen te betalen uit de opbrengst van de krijgsgevangenen uit Jerusalem, moest nu gaan melden, dat de Joden God tot bondgenoot hadden, en dat de Joden onkwetsbaar waren, omdat zij zich hielden aan de wetten, die God hun gegeven had.
32They slew also Philarches who was with Timotheus, a wicked man, who had many ways afflicted the Jews.
33Daarna raakten zij slaags met de soldaten van Timóteus en Bakchides, doodden van hen meer dan twintigduizend man, en bezetten de hoogstgelegen vestingen. Zij verdeelden de rijke buit eerlijk onder elkaar en onder de misdeelden, wezen, weduwen en grijsaards;
33And when they kept the feast of the victory at Jerusalem, they burnt Callisthenes, that had set fire to the holy gates, who had taken refuge in a certain house, rendering to him a worthy reward for his impieties:
34al hun buitgemaakte wapens brachten zij zorgvuldig op geschikte plaatsen bijeen, terwijl zij de rest van de buit meenamen naar Jerusalem.
34But as for that most wicked man Nicanor, who had brought a thousand merchants to the sale of the Jews,
35Ook doodden zij Fulárches, den wreedsten van Timóteus' soldaten, die de Joden op allerlei manieren had mishandeld.
35Being through the help of the Lord brought down by them, of whom he had made no account, laying; aside his garment of glory, fleeing through the midland country, he came alone to Antioch, being rendered very unhappy by the destruction of his army.
36Bij de viering van het overwinningsfeest in hun vaderstad verbrandden zij Kallistenes, die de heilige poorten in brand had gestoken, en die nu in een woonhuis gevlucht was. Hij kreeg dus het verdiende loon voor zijn goddeloosheid.
36And he that had promised to levy the tribute for the Romans by the means of the captives of Jerusalem, now professed that the Jews had God for their protector, and therefore they could not be hurt, because they followed the laws appointed by him.
Tip: use the ← and → keys to turn chapters.