Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
King James Version with Apocrypha
1Maar nu begon bovengenoemde Sjimon, die tegelijk met de schatten zijn vaderland had verraden, tegen Onias te lasteren, dat hij Heliodórus zou hebben mishandeld, en het onheil zou hebben verwekt.
1This Simon now, of whom we spake afore, having been a betrayer of the money, and of his country, slandered Onias, as if he had terrified Heliodorus, and been the worker of these evils.
2Ja, van hoogverraad durfde hij hèm beschuldigen, die toch de weldoener was van de stad, de beschermer van zijn volksgenoten en de ijveraar voor de wet.
2Thus was he bold to call him a traitor, that had deserved well of the city, and tendered his own nation, and was so zealous of the laws.
3De vijandschap liep zo hoog, dat een van Sjimons aanhangers doodslag beging.
3But when their hatred went so far, that by one of Simon’s faction murders were committed,
4Onias zag heel goed, hoe gevaarlijk deze gespannen toestand kon worden, omdat Apollónius, de zoon van Menésteus en stadhouder van Celesyrië en Fenicië, het vijandig optreden van Sjimon nog steunde.
4Onias seeing the danger of this contention, and that Apollonius, as being the governor of Celosyria and Phenice, did rage, and increase Simon’s malice,
5Daarom begaf hij zich naar den koning, niet om een van zijn medeburgers aan te klagen, maar uit louter bezorgdheid voor het welzijn van het gehele volk.
5He went to the king, not to be an accuser of his countrymen, but seeking the good of all, both publick and private:
6Want hij begreep, dat een vredelievende oplossing onmogelijk zou zijn, en dat Sjimon zijn waanzinnig optreden niet staken zou, zolang de koning niet ingreep.
6For he saw that it was impossible that the state should continue quiet, and Simon leave his folly, unless the king did look thereunto.
7Toen Antiochus Epifanes na de dood van Seleúkus de regering had overgenomen, wist Jáson, de broer van Onias, op slinkse wijze beslag te leggen op de hogepriesterlijke waardigheid.
7But after the death of Seleucus, when Antiochus, called Epiphanes, took the kingdom, Jason the brother of Onias laboured underhand to be high priest,
8Bij een ontmoeting met den koning beloofde hij hem driehonderd zestig talenten zilver uit de tempelschat, en verder nog tachtig talenten uit andere bronnen van inkomsten.
8Promising unto the king by intercession three hundred and threescore talents of silver, and of another revenue eighty talents:
9Bovendien zegde hij hem toe, nog honderd vijftig talenten uit te betalen, als hij van hem verlof kreeg, een athletenschool en een worstelperk voor de jeugd te mogen oprichten, en de inwoners van Jerusalem als burgers van Antiochië te laten inschrijven.
9Beside this, he promised to assign an hundred and fifty more, if he might have licence to set him up a place for exercise, and for the training up of youth in the fashions of the heathen, and to write them of Jerusalem by the name of Antiochians.
10Toen de koning zijn toestemming had gegeven, en Jáson de hogepriesterlijke macht in handen had gekregen, begon hij dadelijk zijn volksgenoten naar grieks model te hervormen.
10Which when the king had granted, and he had gotten into his hand the rule he forthwith brought his own nation to Greekish fashion.
11Hij schafte de voor de Joden gunstige bepalingen af, welke bij de koningen waren bedongen door Johannes, den vader van Eupólemus, die deel had uitgemaakt van het gezantschap naar de Romeinen, om vriend- en bondgenootschap te sluiten. Ook hief hij de gewoonten op, welke in overeenstemming waren met de Wet, en voerde nieuwe gebruiken in, welke tegen de Wet indruisten.
11And the royal privileges granted of special favour to the Jews by the means of John the father of Eupolemus, who went ambassador to Rome for amity and aid, he took away; and putting down the governments which were according to the law, he brought up new customs against the law:
12Met opzet bouwde hij aan de voet van de burcht een athletenschool, en bracht jongens van onze voornaamste burgers er toe, de griekse hoed te dragen.
12For he built gladly a place of exercise under the tower itself, and brought the chief young men under his subjection, and made them wear a hat.
13Geholpen door de verregaande schaamteloosheid van den goddelozen en onpriesterlijken Jáson, dreef men nu de hellenisering zo ver door en voerde men de verspreiding van vreemde elementen zo hoog op,
13Now such was the height of Greek fashions, and increase of heathenish manners, through the exceeding profaneness of Jason, that ungodly wretch, and no high priest;
14dat de priesters niets meer voelden voor de altaardienst, minachting hadden voor de tempel en de offers verwaarloosden, maar liever naar het worstelperk liepen, om de zondige kampspelen bij te wonen, welke na de oproep tot het discuswerpen begonnen.
14That the priests had no courage to serve any more at the altar, but despising the temple, and neglecting the sacrifices, hastened to be partakers of the unlawful allowance in the place of exercise, after the game of Discus called them forth;
15Terwijl zij dus niets meer gaven om wat bij hun vaderen in ere stond, waren zij fel op griekse onderscheidingen.
15Not setting by the honours of their fathers, but liking the glory of the Grecians best of all.
16Maar daardoor raakten zij dan ook in een pijnlijke toestand. Want juist diegenen, wier levenswijze zij overnamen en die zij in alles beproefden na te volgen, werden hun vijanden en verdrukkers.
16By reason whereof sore calamity came upon them: for they had them to be their enemies and avengers, whose custom they followed so earnestly, and unto whom they desired to be like in all things.
17Het is dan ook geen kleinigheid, tegen Gods wetten te zondigen, al wreekt dit zich ook eerst later.
17For it is not a light thing to do wickedly against the laws of God: but the time following shall declare these things.
18Toen in Tyrus de vijfjaarlijkse wedstrijden in tegenwoordigheid van den koning werden gehouden,
18Now when the game that was used every fifth year was kept at Tyrus, the king being present,
19zond de ellendige Jáson als vertegenwoordigers van Jerusalem er enkele afgevaardigden heen, die het burgerrecht van Antiochië hadden verkregen. Dezen brachten driehonderd zilveren drachmen mee als een offergave voor Herkules. Maar toen zij het geld overdroegen, gaven zij als hun wens te kennen, dat men het niet aan offers zou besteden, daar dit niet paste, maar voor een ander doel zou uitgeven.
19This ungracious Jason sent special messengers from Jerusalem, who were Antiochians, to carry three hundred drachms of silver to the sacrifice of Hercules, which even the bearers thereof thought fit not to bestow upon the sacrifice, because it was not convenient, but to be reserved for other charges.
20Ofschoon dus de afzender het inderdaad voor een Herkules-offer had bestemd, werd het enkel ten believen van de overbrengers voor de uitrusting van oorlogsschepen gebruikt.
20This money then, in regard of the sender, was appointed to Hercules’ sacrifice; but because of the bearers thereof, it was employed to the making of gallies.
21Bij gelegenheid van de troonsbestijging van koning Filómetor, was Apollónius, de zoon van Menésteus, als afgevaardigde in Egypte geweest. Van hem hoorde Antiochus, dat Filómetor een vijand was van zijn politiek. Daarom ging hij, op eigen veiligheid bedacht, naar Jóppe en vandaar naar Jerusalem,
21Now when Apollonius the son of Menestheus was sent into Egypt for the coronation of king Ptolemeus Philometor, Antiochus, understanding him not to be well affected to his affairs, provided for his own safety: whereupon he came to Joppa, and from thence to Jerusalem:
22waar hij door Jáson en de bevolking met pracht en praal werd ontvangen, en met fakkellicht en onder gejubel werd ingehaald. Daarna trok hij met zijn leger naar Fenicië.
22Where he was honourably received of Jason, and of the city, and was brought in with torch alight, and with great shoutings: and so afterward went with his host unto Phenice.
23Maar toen Jáson drie jaren later Meneláus, den broer van bovengenoemden Sjimon, naar den koning zond, om het geld af te dragen en de onderhandelingen over enkele dringende staatsaangelegenheden af te wikkelen,
23Three years afterward Jason sent Menelaus, the aforesaid Simon’s brother, to bear the money unto the king, and to put him in mind of certain necessary matters.
24wist deze den koning voor zich te winnen, door zich voor te doen als een invloedrijk man, en op de hogepriesterlijke macht beslag te leggen, door driehonderd talenten meer te bieden dan Jáson.
24But he being brought to the presence of the king, when he had magnified him for the glorious appearance of his power, got the priesthood to himself, offering more than Jason by three hundred talents of silver.
25In het bezit van een koninklijke aanstelling kwam hij thuis. Toch was hij in geen enkel opzicht het hogepriesterschap waardig; integendeel: hij raasde als een wrede tyran, en ging te keer als een wild dier.
25So he came with the king’s mandate, bringing nothing worthy the high priesthood, but having the fury of a cruel tyrant, and the rage of a savage beast.
26Zo werd Jáson zelf, die zijn eigen broer de voet had gelicht, door een ander verdrongen, en genoodzaakt, de vlucht te nemen naar het land der Ammonieten.
26Then Jason, who had undermined his own brother, being undermined by another, was compelled to flee into the country of the Ammonites.
27Nu had Meneláus de macht wel in handen, maar voor het geld, dat hij den koning beloofd had, zorgde hij niet, ondanks de vorderingen van Sostrátes, den bevelhebber van de burcht, die de belastingen moest innen.
27So Menelaus got the principality: but as for the money that he had promised unto the king, he took no good order for it, albeit Sostratis the ruler of the castle required it:
28Daarom werden zij beiden door den koning ontboden.
28For unto him appertained the gathering of the customs. Wherefore they were both called before the king.
29Meneláus liet zijn broer Lusimachus als plaatsvervangend hogepriester achter, en Sostrátes stelde Krátes, den bevelhebber der Cypriërs, als zijn plaatsvervanger aan.
29Now Menelaus left his brother Lysimachus in his stead in the priesthood; and Sostratus left Crates, who was governor of the Cyprians.
30Terwijl deze zaken aanhangig waren, kwamen de inwoners van Tarsus en Mállus in opstand, omdat men hun gebied aan Antiochis, de bijzit van den koning, ten geschenke had gegeven.
30While those things were in doing, they of Tarsus and Mallos made insurrection, because they were given to the king’s concubine, called Antiochus.
31In allerijl trok dus de koning er heen, om het oproer te onderdrukken, en liet Andrónikus, een van zijn hoge ambtenaren, als plaatsvervanger achter.
31Then came the king in all haste to appease matters, leaving Andronicus, a man in authority, for his deputy.
32In de mening, deze gunstige gelegenheid te moeten benutten, roofde Meneláus enkele gouden voorwerpen uit de tempel en schonk die aan Andrónikus, terwijl hij andere in Tyrus en omliggende steden wist te verkopen.
32Now Menelaus, supposing that he had gotten a convenient time, stole certain vessels of gold out of the temple, and gave some of them to Andronicus, and some he sold into Tyrus and the cities round about.
33Toen Onias hierover nauwkeurig was ingelicht, zond hij een heftig protest uit zijn vrijplaats te Dáfne, bij Antiochië, waar hij zich had teruggetrokken.
33Which when Onias knew of a surety, he reproved him, and withdrew himself into a sanctuary at Daphne, that lieth by Antiochia.
34Het gevolg hiervan was, dat Meneláus er in het geheim bij Andrónikus op aandrong, Onias uit de weg te ruimen. Deze ging dus naar Onias toe, stelde hem door een meineed gerust, en stak hem de hand toe. Ofschoon zijn optreden argwaan wekte, wist hij Onias toch uit zijn vrijplaats te lokken, waarop hij hem onmiddellijk van kant maakte, zonder de minste eerbied voor recht.
34Wherefore Menelaus, taking Andronicus apart, prayed him to get Onias into his hands; who being persuaded thereunto, and coming to Onias in deceit, gave him his right hand with oaths; and though he were suspected by him, yet persuaded he him to come forth of the sanctuary: whom forthwith he shut up without regard of justice.
35Hierover waren niet alleen de Joden, maar ook verschillende andere volksgroepen ontdaan; zij waren verontwaardigd over de wederrechtelijke moord op dien man.
35For the which cause not only the Jews, but many also of other nations, took great indignation, and were much grieved for the unjust murder of the man.
36Toen de koning dan ook uit de streken van Cilicië was teruggekeerd, gingen de Joden uit de stad zich bij hem beklagen en de Grieken gaven eveneens hun afkeer te kennen over de onrechtvaardige moord op Onias.
36And when the king was come again from the places about Cilicia, the Jews that were in the city, and certain of the Greeks that abhorred the fact also, complained because Onias was slain without cause.
37Zielsbedroefd en vol medelijden werd Antiochus tot tranen bewogen om de deugdzaamheid en grote rechtschapenheid van den dode;
37Therefore Antiochus was heartily sorry, and moved to pity, and wept, because of the sober and modest behaviour of him that was dead.
38en in woede ontstoken, nam hij Andrónikus onmiddellijk zijn purper af, liet hem de kleren van het lijf rukken, door de gehele stad rondvoeren tot op de plek, waar hij zich aan Onias had vergrepen, en liet daar den moordenaar terechtstellen. Zo had de Heer hem naar verdienste gestraft.
38And being kindled with anger, forthwith he took away Andronicus his purple, and rent off his clothes, and leading him through the whole city unto that very place, where he had committed impiety against Onias, there slew he the cursed murderer. Thus the Lord rewarded him his punishment, as he had deserved.
39Intussen werd er door Lusimachus, met toestemming van Meneláus, in de stad telkens tempelroof gepleegd. Toen het bericht zich naar buiten verspreidde, dat er reeds veel gouden voorwerpen waren weggehaald, liep het volk tegen Lusimachus te hoop.
39Now when many sacrileges had been committed in the city by Lysimachus with the consent of Menelaus, and the fruit thereof was spread abroad, the multitude gathered themselves together against Lysimachus, many vessels of gold being already carried away.
40Maar Lusimachus liet tegen de opgewonden menigte, die van woede kookte, ongeveer drieduizend man bewapenen, en begon met geweld op te treden; een zekere Auránus, die al op jaren was, maar daarom nog niet minder wreed, voerde het bevel.
40Whereupon the common people rising, and being filled with rage, Lysimachus armed about three thousand men, and began first to offer violence; one Auranus being the leader, a man far gone in years, and no less in folly.
41Maar zodra men bemerkte, dat Lusimachus liet aanvallen, greep de een naar stenen, de ander naar zware stukken hout, weer anderen pakten het vuil op, dat er lag, en gooiden alles door elkaar naar de manschappen van Lusimachus.
41They then seeing the attempt of Lysimachus, some of them caught stones, some clubs, others taking handfuls of dust, that was next at hand, cast them all together upon Lysimachus, and those that set upon them.
42Zo verwondden zij een groot aantal van hen, sloegen anderen neer, joegen de hele troep op de vlucht, en vermoordden den tempelrover zelf bij de schatkamer.
42Thus many of them they wounded, and some they struck to the ground, and all of them they forced to flee: but as for the churchrobber himself, him they killed beside the treasury.
43Naar aanleiding hiervan werd er een gerechtelijk onderzoek tegen Meneláus ingesteld,
43Of these matters therefore there was an accusation laid against Menelaus.
44en toen de koning daarvoor naar Tyrus kwam, dienden drie mannen, die door de hoge raad waren afgevaardigd, een aanklacht tegen Meneláus in.
44Now when the king came to Tyrus, three men that were sent from the senate pleaded the cause before him:
45Daar deze zich reeds verloren waande, beloofde hij Ptoleméus, den zoon van Dorúmenes, veel geld, als hij den koning wist om te praten.
45But Menelaus, being now convicted, promised Ptolemee the son of Dorymenes to give him much money, if he would pacify the king toward him.
46Daarom nam Ptoleméus den koning mee naar een zuilengang, schijnbaar om hem wat te laten uitrusten, en deed hem van mening veranderen.
46Whereupon Ptolemee taking the king aside into a certain gallery, as it were to take the air, brought him to be of another mind:
47Deze sprak Meneláus, den hoofdschuldige van het gehele ongeluk, van alle aanklacht vrij, maar velde het doodvonnis over de ongelukkigen, die al hadden zij voor Skyten terechtgestaan, als onschuldigen zouden zijn vrijgesproken.
47Insomuch that he discharged Menelaus from the accusations, who notwithstanding was cause of all the mischief: and those poor men, who, if they had told their cause, yea, before the Scythians, should have been judged innocent, them he condemned to death.
48En de onrechtvaardige straf werd onmiddellijk voltrokken aan mensen, die slechts voor stad en volk en voor de heilige vaten waren opgekomen.
48Thus they that followed the matter for the city, and for the people, and for the holy vessels, did soon suffer unjust punishment.
49Zelfs de inwoners van Tyrus waren hierover zo verontwaardigd, dat zij op vorstelijke wijze voor hun begrafenis zorgden.
49Wherefore even they of Tyrus, moved with hatred of that wicked deed, caused them to be honourably buried.
50Zo behield Meneláus zijn post, dank zij de hebzucht der machthebbers. Hij stapelde misdaad op misdaad, en bleef zijn medeburgers verschrikkelijk vervolgen.
50And so through the covetousness of them that were of power Menelaus remained still in authority, increasing in malice, and being a great traitor to the citizens.

Tip: use the ← and → keys to turn chapters.