2 Makkabeeen 10
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
King James Version with Apocrypha
1Daarop namen de Makkabeër en zijn aanhang met de hulp des Heren de tempel en de stad weer in bezit.
1Now Maccabeus and his company, the Lord guiding them, recovered the temple and the city:
2Zij vernielden de altaren, die de heidenen op de markt hadden opgericht, en hun gewijde plaatsen eveneens.
2But the altars which the heathen had built in the open street, and also the chapels, they pulled down.
3Daarna reinigden zij de tempel, en bouwden een nieuw brandofferaltaar. Uit stenen sloegen zij vonken, ontstaken het vuur, en droegen weer offers op, na een onderbreking van twee jaar. Ook zorgden zij voor het reukwerk en de lampen, en legden de toonbroden neer.
3And having cleansed the temple they made another altar, and striking stones they took fire out of them, and offered a sacrifice after two years, and set forth incense, and lights, and shewbread.
4Toen dit alles verricht was, wierpen zij zich op de grond, en smeekten den Heer, dat Hij hen niet meer tot zulk een ellende zou laten vervallen, maar hen, zo ze andermaal mochten zondigen, met mildheid zou straffen en hen nooit meer aan de godslasterlijke en barbaarse heidenen zou overleveren.
4When that was done, they fell flat down, and besought the Lord that they might come no more into such troubles; but if they sinned any more against him, that he himself would chasten them with mercy, and that they might not be delivered unto the blasphemous and barbarous nations.
5En het was heel merkwaardig, dat de tempelreiniging op dezelfde dag plaats had, waarop de tempel door de heidenen was onteerd: namelijk op de vijf en twintigste van de maand Kislew.
5Now upon the same day that the strangers profaned the temple, on the very same day it was cleansed again, even the five and twentieth day of the same month, which is Casleu.
6Vol vreugde vierden zij acht dagen feest, zoals op het loofhuttenfeest. En zij dachten er aan, hoe zij dit laatste feest nog kort geleden hadden moeten vieren, toen zij als wilde dieren op de bergen en in spelonken hadden gehuisd.
6And they kept the eight days with gladness, as in the feast of the tabernacles, remembering that not long afore they had held the feast of the tabernacles, when as they wandered in the mountains and dens like beasts.
7Daarom zwaaiden ze thans met klimop, groene takken en palmen, en hieven een danklied aan ter ere van Hem, die hun het geluk van de tempelreiniging had geschonken.
7Therefore they bare branches, and fair boughs, and palms also, and sang psalms unto him that had given them good success in cleansing his place.
8En zij bepaalden door een algemeen bevel en besluit, dat het gehele joodse volk deze dagen jaarlijks zou vieren.
8They ordained also by a common statute and decree, That every year those days should be kept of the whole nation of the Jews.
9Tweede deel. De onafhankelijkheidsoorlog onder Epifanes' opvolgers. Judas' strijd tegen de naburige volken. Dit was dus het einde van Antiochus Epifanes.
9And this was the end of Antiochus, called Epiphanes.
10In het nu volgende gaan we spreken over de gebeurtenissen onder Antiochus Eúpator, den zoon van den goddeloze, waarbij we de oorlogsrampen slechts kort zullen behandelen.
10Now will we declare the acts of Antiochus Eupator, who was the son of this wicked man, gathering briefly the calamities of the wars.
11Toen deze de regering overnam, benoemde hij een zekeren Lúsias, den vroegeren opperbevelhebber van Celesyrië en Fenicië, tot rijkskanselier.
11So when he was come to the crown, he set one Lysias over the affairs of his realm, and appointed him his chief governor of Celosyria and Phenice.
12Na al het onrecht, dat de Joden hadden geleden, werd nu Ptoleméus Mákron de eerste, die zijn best deed, hen rechtvaardig te behandelen en hun aangelegenheden op vreedzame wijze te regelen.
12For Ptolemeus, that was called Macron, choosing rather to do justice unto the Jews for the wrong that had been done unto them, endeavoured to continue peace with them.
13Maar daarom werd hij door de hovelingen bij Eúpator aangeklaagd; bovendien noemde iedereen hem een verrader, omdat hij het eiland Cyprus, waarmee Filómetor hem had belast, in de steek had gelaten en naar Antiochus Epifanes was overgelopen. Niet meer in staat zijn ambt eervol te dragen, maakte hij een eind aan zijn leven, door zich te vergiftigen.
13Whereupon being accused of the king’s friends before Eupator, and called traitor at every word because he had left Cyprus, that Philometor had committed unto him, and departed to Antiochus Epiphanes, and seeing that he was in no honourable place, he was so discouraged, that he poisoned himself and died.
14Intussen was Górgias bevelhebber in die streken geworden. Hij nam huursoldaten in dienst, en hield de oorlog met de Joden voortdurend gaande.
14But when Gorgias was governor of the holds, he hired soldiers, and nourished war continually with the Jews:
15Tegelijkertijd vielen de Idumeërs, die zeer gunstig gelegen vestingen hadden, de Joden lastig. Zij namen de vluchtelingen uit Jerusalem op, en deden alles, om de oorlog voort te zetten.
15And therewithall the Idumeans, having gotten into their hands the most commodious holds, kept the Jews occupied, and receiving those that were banished from Jerusalem, they went about to nourish war.
16Daarom stormden de aanhangers van den Makkabeër, na in een gemeenschappelijk gebed God te hebben gesmeekt, dat Hij hun strijdgenoot zou zijn, op de vestingen der Idumeërs af.
16Then they that were with Maccabeus made supplication, and besought God that he would be their helper; and so they ran with violence upon the strong holds of the Idumeans,
17Moedig vielen zij hen aan, en namen hun stellingen in; alle soldaten, die zich op de muren bevonden, sloegen zij terug en vermoordden allen, die hun in handen vielen; zo brachten zij minstens twintigduizend man om het leven.
17And assaulting them strongly, they won the holds, and kept off all that fought upon the wall, and slew all that fell into their hands, and killed no fewer than twenty thousand.
18Een goede negenduizend man wist echter naar de beide sterke torens te vluchten, die van alles waren voorzien, wat men in geval van belegering nodig had.
18And because certain, who were no less than nine thousand, were fled together into two very strong castles, having all manner of things convenient to sustain the siege,
19De Makkabeër liet daarom Sjimon, Josef en Zachéus met een voldoend aantal soldaten achter, om deze punten te belegeren; zelf trok hij naar plaatsen, waar men hem dringender nodig had.
19Maccabeus left Simon and Joseph, and Zaccheus also, and them that were with him, who were enough to besiege them, and departed himself unto those places which more needed his help.
20Maar de soldaten van Sjimon lieten zich voor geld door de bezetting der torens omkopen; zij kregen zeventigduizend drachmen, en lieten daarvoor een gedeelte van hen ontsnappen.
20Now they that were with Simon, being led with covetousness, were persuaded for money through certain of those that were in the castle, and took seventy thousand drachms, and let some of them escape.
21Zodra de Makkabeër hiervan bericht ontving, riep hij een krijgsraad bijeen, beschuldigde de verraders, dat zij hun broeders voor geld hadden verkocht en hun hadden tegengewerkt, door de vijanden te laten ontsnappen,
21But when it was told Maccabeus what was done, he called the governors of the people together, and accused those men, that they had sold their brethren for money, and set their enemies free to fight against them.
22en liet ze terecht stellen. Daarop bestormde hij onmiddellijk de beide torens,
22So he slew those that were found traitors, and immediately took the two castles.
23en daar hij overal door wapengeluk werd begunstigd, doodde hij in beide vestingen meer dan twintigduizend man.
23And having good success with his weapons in all things he took in hand, he slew in the two holds more than twenty thousand.
24Judas' strijd tegen Antiochus Eupator. a. De overwinning op den syrischen veldheer Timoteus. Timóteus die vroeger door de Joden was verslagen, verzamelde nu een groot leger buitenlandse soldaten met een aanzienlijk aantal ruiters uit Azië, en rukte aan, om Judea met wapengeweld te veroveren.
24Now Timotheus, whom the Jews had overcome before, when he had gathered a great multitude of foreign forces, and horses out of Asia not a few, came as though he would take Jewry by force of arms.
25Bij zijn nadering namen de Makkabeër en zijn mannen in het gebed hun toevlucht tot God. Zij strooiden as op hun hoofd, en omgordden hun lendenen met boetezakken.
25But when he drew near, they that were with Maccabeus turned themselves to pray unto God, and sprinkled earth upon their heads, and girded their loins with sackcloth,
26Zij wierpen zich neer aan de voet van het altaar en smeekten, dat Hij Zich over hen zou ontfermen, en Zich vijand van hun vijanden en tegenstander van hun tegenstanders zou tonen, zoals het in de wet was beloofd.
26And fell down at the foot of the altar, and besought him to be merciful to them, and to be an enemy to their enemies, and an adversary to their adversaries, as the law declareth.
27Toen zij hun gebed hadden beëindigd, grepen zij naar de wapens, trokken ver van de stad weg, en maakten eerst halt, toen zij in de nabijheid van den vijand waren gekomen.
27So after the prayer they took their weapons, and went on further from the city: and when they drew near to their enemies, they kept by themselves.
28Heel vroeg in de morgen viel men van beide zijden aan. Maar de ene partij had naast haar dapperheid in haar Godsvertrouwen de waarborg voor succes en overwinning, de andere werd uitsluitend door haar strijdlust geleid.
28Now the sun being newly risen, they joined both together; the one part having together with their virtue their refuge also unto the Lord for a pledge of their success and victory: the other side making their rage leader of their battle
29Toen dan ook de strijd op 't heetst was gelopen, zagen de vijanden vijf schitterende ruiters uit de hemel komen, gezeten op paarden met gouden teugels. Zij stelden zich aan de spits van de Joden,
29But when the battle waxed strong, there appeared unto the enemies from heaven five comely men upon horses, with bridles of gold, and two of them led the Jews,
30en twee van hen namen den Makkabeër in hun midden, dekten hem met hun wapenrusting en zorgden er voor, dat hij niet gewond werd; maar op de vijanden schoten zij pijlen en bliksemschichten af, zodat deze verblind werden en in grote verwarring geraakten.
30And took Maccabeus betwixt them, and covered him on every side weapons, and kept him safe, but shot arrows and lightnings against the enemies: so that being confounded with blindness, and full of trouble, they were killed.
31Twintigduizend vijfhonderd man voetvolk en zesduizend ruiters werden over de kling gejaagd.
31And there were slain of footmen twenty thousand and five hundred, and six hundred horsemen.
32Timóteus zelf vluchtte naar de sterke vesting Gézer, die onder bevel van Chaireas stond.
32As for Timotheus himself, he fled into a very strong hold, called Gawra, where Chereas was governor.
33Vol moed belegerden de soldaten van den Makkabeër de vesting vier dagen lang,
33But they that were with Maccabeus laid siege against the fortress courageously four days.
34terwijl de bezetting, die op de sterkte van de post vertrouwde, godslasteringen uitbraakte en goddeloze taal.
34And they that were within, trusting to the strength of the place, blasphemed exceedingly, and uttered wicked words.
35Maar bij het aanbreken van de vijfde dag bestormden twintig jongemannen uit het leger van den Makkabeër, gloeiend van toorn om de godslasteringen, onverschrokken de muur, en sloegen met leeuwenmoed iedereen neer, die zich durfde verzetten.
35Nevertheless upon the fifth day early twenty young men of Maccabeus’ company, inflamed with anger because of the blasphemies, assaulted the wall manly, and with a fierce courage killed all that they met withal.
36Nu rukte men ook op andere punten van de omsingelde stad tegen de belegerden op, stak houtstapels aan, joeg het vuur in de torens, en liet de godslasteraars levend verbranden. Weer anderen hakten de poorten open, lieten de rest der soldaten naar binnen, en bezetten de stad.
36Others likewise ascending after them, whiles they were busied with them that were within, burnt the towers, and kindling fires burnt the blasphemers alive; and others broke open the gates, and, having received in the rest of the army, took the city,
37Timóteus, die zich in een put had verstopt, maakten zij met zijn broer Chaireas en Apollofánes van kant. Daarna verheerlijkten zij met lofzangen en dankliederen den Heer, die zo grote dingen voor Israël gewrocht had, en hun de overwinning had geschonken.
37And killed Timotheus, that was hid in a certain pit, and Chereas his brother, with Apollophanes.
no verse 38 in this text
38When this was done, they praised the Lord with psalms and thanksgiving, who had done so great things for Israel, and given them the victory.
Tip: use the ← and → keys to turn chapters.