Sentencoj 7
Londona Biblio (Esperanto, 1910)Translation
Londona Biblio (Esperanto, 1910)
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
1Mia filo! konservu miajn vortojn, Kaj gardu ĉe vi miajn moralordonojn.
1Mijn zoon, neem mijn woorden in acht, En neem mijn wenken ter harte;
2Konservu miajn moralordonojn, kaj vivu; Kaj mian instruon, kiel la pupilon de viaj okuloj.
2Onderhoud mijn geboden, opdat ge moogt leven, Let op mijn wenken als op de appel van uw oog.
3Ligu ilin al viaj fingroj; Skribu ilin sur la tabelo de via koro.
3Leg ze als een band om uw vingers, Schrijf ze op de tafel van uw hart
4Diru al la saĝo: Vi estas mia fratino; Kaj la prudenton nomu mia parencino;
4Zeg tot de wijsheid: “gij zijt mijn zuster”, Noem het verstand: “een bekende”;
5Por ke vi estu gardata kontraŭ fremda edzino, Kontraŭ fremdulino, kies paroloj estas glataj.
5Opdat ze u behoeden voor een vreemde vrouw, Voor een onbekende met haar gladde taal.
6Ĉar mi rigardis tra fenestro de mia domo, Tra mia krado;
6Want kijkend door het venster van mijn woning Door de tralies heen,
7Kaj mi vidis inter la naivuloj, Mi rimarkis inter la nematuruloj junulon senprudentan,
7Lette ik op het onervaren volk, En zag onder de jongemannen een onverstandigen knaap.
8Kiu pasis sur la placo preter ŝia angulo, Kaj iris la vojon al ŝia domo,
8Hij ging langs de straat, dicht bij haar hoek, En sloeg de richting in naar haar huis,
9En krepusko, en vespero de tago, Kiam fariĝis nokto kaj mallumo.
9In de schemering, toen de avond viel En het nachtelijk duister.
10Kaj jen renkonte al li iras virino En ornamo de publikulino, ruzema je la koro.
10Daar komt de vrouw op hem af, Opzichtig gekleed met duidelijke bedoelingen.
11Bruema kaj vagema; Ŝiaj piedoj ne loĝas en ŝia domo.
11Wat ziet ze er losbandig en lichtzinnig uit, In huis kunnen haar voeten het niet houden;
12Jen ŝi estas sur la strato, jen sur la placoj, Kaj apud ĉiu angulo ŝi embuskas.
12Ze loopt de straat, de pleinen op, En bij elke hoek staat ze op wacht!
13Kaj ŝi kaptis lin, kaj kisis lin Kun senhonta vizaĝo, kaj diris al li:
13Ze grijpt hem vast, geeft hem een kus, En zegt tot hem met een onbeschaamd gezicht:
14Mi devis alporti dankan oferdonon; Hodiaŭ mi plenumis mian solenan promeson.
14Dankoffers had ik te brengen, Vandaag heb ik mijn geloften betaald;
15Tial mi eliris al vi renkonte, Por serĉi vian vizaĝon, kaj mi vin trovis.
15Daarom ging ik naar buiten, u tegemoet, Om u te zoeken, en ik hèb u gevonden.
16Mi bele kovris mian liton Per multkoloraj teksaĵoj el Egiptujo.
16Dekens heb ik op bed gelegd, Bonte dekens van egyptisch lijnwaad;
17Mi parfumis mian kuŝejon Per mirho, aloo, kaj cinamo.
17Ik heb mijn bed met myrrhe besprenkeld, Met aloë en kaneel.
18Venu, ni ĝuu sufiĉe volupton ĝis la mateno, Ni plezuriĝu per la amo.
18Kom, laat ons dronken worden van minne, En tot de morgen zwelgen in liefde.
19Ĉar mia edzo ne estas hejme, Li iris en malproksiman vojon;
19Mijn man is niet thuis, Hij is op een verre reis;
20La sakon kun mono li prenis kun si; Li revenos hejmen je la plenluno.
20Een buidel geld heeft hij bij zich gestoken, Dus komt hij met volle maan pas terug.
21Ŝi forlogis lin per sia multeparolado, Per sia glata buŝo ŝi lin entiris.
21Door haar radde taal verleidde ze hem, Met haar gladde tong troonde ze hem mee.
22Li tuj iras post ŝi, Kiel bovo iras al la buĉo Kaj kiel katenita malsaĝulo al la puno;
22Daar loopt de sukkel met haar mee, Als een stier, die naar de slachtbank gaat; Als een hert, dat huppelt naar het net,
23Ĝis sago fendas al li la hepaton; Kiel birdo rapidas al la kaptilo, Kaj ne scias, ke ĝi pereigas sian vivon.
23Totdat een pijl hem het hart doorboort; Als een vogel, die scheert naar de strik, En niet vermoedt, dat het om zijn leven gaat.
24Kaj nun, infanoj, aŭskultu min, Atentu la vortojn de mia buŝo.
24Welnu dan, kinderen, luistert naar mij, Schenkt uw aandacht aan mijn woorden.
25Via koro ne flankiĝu al ŝia vojo, Ne eraru sur ŝia irejo;
25Laat u niet op haar wegen verleiden, Dwaalt niet op haar paden rond.
26Ĉar multajn ŝi vundis kaj faligis, Kaj multegaj estas ŝiaj mortigitoj.
26Want talrijke slachtoffers heeft ze gemaakt, Velen heeft ze om hals gebracht;
27Ŝia domo estas vojoj al Ŝeol, Kiuj kondukas malsupren al la ĉambroj de la morto.
27Een weg naar de onderwereld is haar huis, Vandaar daalt men af naar het dodenrijk.
Tip: use the ← and → keys to turn chapters.