Еремії 46
Kulish and Puluj Bible (1905)Translation
Kulish and Puluj Bible (1905)
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
1Слово Господнє, що дійшло до пророка Еремії про народи поганські:
1Het woord van Jahweh tegen de volken, dat tot den profeet Jeremias werd gericht.
2Про Египет, а то про військо Фараона Нехао, царя Египецького, що стояло на Евфрат-ріцї в Кархамисї, яке побив Навуходонозор, царь Вавилонський, у четвертому роцї Йоакимовому, царя Юдейського:
2Over Egypte. Over het leger van den Farao Neko, den koning van Egypte, dat aan de Eufraat bij Karkemisj stond, en dat Nabukodonosor, de koning van Babel, in het vierde jaar van Jojakim, den zoon van Josias en koning van Juda, heeft verslagen.
3О, готуйте щити й списи, й виступайте до бою;
3Klaar met schild en rondas; op, tot de strijd,
4Сїдлайте конї та всїдайте, ви їздецї; ставайте в ряди в своїх шоломах; гостріте списи, вдягайтесь в панцері!
4De paarden gespannen, de rossen bestegen; In het gelid, de helmen op, De lansen gewet, de pantsers aan!
5Та що се я бачу? вони в трівозї, подаються взад? їх невміраки побиті, втїкають необзир, — ізʼусюди страх, говорить Господь.
5Wat: ze beven, ze wijken; Hun helden worden verslagen, Ze vluchten, zonder om te zien? Verschrikking alom, is de godsspraak van Jahweh!
6Та не втече бистроногий, невмірака не врятуєсь; на півночі, коло Евфрат-ріки вони спіткнуться й поляжуть.
6Zelfs de vlugge kan niet ontsnappen, De held zich niet redden; In het noorden, aan de oever van de Eufraat, Wankelen ze, en storten ze neer!
7Хто се піднімаєсь, мов ріка прибуває, мов потоки бурхають водами своїми?
7Wie golft daar aan als de Nijl, Als stromen met bruisende wateren?
8Се Египет піднімається, мов ріка, мов би води потока розбуялись. Підіймусь, мовляє, покрию країну, погублю міста й їх осадників.
8Egypte golft aan als de Nijl, Als stromen met klotsende golven! Het roept: Omhoog wil ik stijgen, Om de aarde te overstromen; Ik wil steden vernielen, Met de bewoners er in.
9Сїдайте ж на конї; летїть, колесницї; виступайте, силачі, — ви, Етіопії, Ливії, узброєні щитами, Лидийцї з натягнутими луками в руках!
9Paarden vooruit; wagens raast door, De helden naar voren: Ethiopiërs en Poetiërs, het schild in de hand, Lydiërs, de bogen gespannen en gericht!
10Та (знайте, що) сей день є днем пімсти Господа сил небесних, щоб помститись над противниками його; жерти ме їх меч і засититься й упється вашою кровю; се будуть жертовні приноси Господеві, Богу сил, у півночній землї на Евфрат-ріцї.
10Maar dit is de dag van den Heer, Van Jahweh der heirscharen: Een dag van vergelding, Om zich te wreken op zijn bestrijders! Het zwaard verslindt, tot zijn honger gestild is, Het drinkt zich zat aan hun bloed; Want Jahweh richt een offer aan In het land van het noorden, aan de Eufraat.
11Ійди в Галаад, возьми балзаму, дїво-дочко Египецька! Та шкода тобі добірати лїків, — нїчим не загоіш своєї рани!
11Trek op naar Gilad, om balsem te halen, Jonkvrouw, dochter van Egypte! Vergeefs verspilt gij medicijnen; Geen genezing voor u.
12Почули народи про сором твій, і плач твій сповнив країну; бо (втїкаючи) один силач твій ударить на другого хороброго, та й оба разом поляжуть.
12De volken horen uw schande, De aarde is vol van uw klagen; Want de ene held is over den ander gestruikeld, En beiden zijn ze gevallen!
13Слово, що сказав Господь пророкові Еремії про напад Навуходонозорів, царя Вавилонського, щоб звоювати Египет:
13Het woord, dat Jahweh tot den profeet Jeremias sprak over de veldtocht van Nabukodonosor, den koning van Babel, om het land van Egypte te teisteren!
14Оповістїть в Египтї й дайте знати Магдолї та сповістїть у Нофі й у Тафнисї; скажіте: Становись лавами й готуйся, бо вже меч пожерає все навкруги!
14Verkondigt het in Egypte, meldt het in Migdol, Bericht het in Nof en Tachpanches; Roept: Stel u te weer, en houd u gereed, Want het zwaard verslindt om u heen!
15Чого се твій потужний лежить повалений? — Не встояв, бо Господь повалив його.
15Wat: uw sterke gevallen, hij houdt geen stand? Neen, Jahweh heeft hem neergestoten.
16Се він натовпив тих, що падали, — падали один на одного, та говорили: Вставаймо, вертаймось до нашого люду, в рідну нашу країну перед пагубним мечем!
16Ook zijn huurtroepen struikelen en vallen, De een op den ander. Ze roepen: Voort, terug naar ons volk, Naar ons geboorteland voor het moordende zwaard!
17Фараонові, цареві Египецькому, приложять прізвище „трівога‟, він пропустив реченець.
17Noemt Farao, den koning van Egypte: “Lawaai, dat zijn tijd liet voorbijgaan!”
18Так певно, як живу я, говорить Царь, — на ймя йому Господь сил небесних, — як се правда, що Тавор належить між гори, а Кармель стоїть над морем, так певно й він прийде.
18Zo waar Ik leef, is de godsspraak des Konings, Jahweh der heirscharen is zijn Naam: Als een Tabor onder de bergen, Als een Karmel aan zee rukt er een aan.
19Готуй собі всяку потріб на дорогу, осаднице-дочко Египецька: бо Ноф стане пусткою, пійде з димом, обезлюдїє.
19Maak uw pak voor de ballingschap klaar, Bevolking, dochter van Egypte; Want Nof zal een wildernis worden, Vernield en ontvolkt.
20Египет — гарна телиця, та погибель надходить із півночі, надходить на неї.
20Egypte is een prachtige koe: Maar een horzel uit het noorden valt op haar aan;
21А найняте військо його, — ті вгодовані ним бики, подаються взад, утїкають, не можуть устоятись, бо прийшов на їх день погибний, час їх навідання.
21Ook op haar troepen in haar land Als op vetgemeste kalveren. Waarachtig, allen lopen ze weg, Ze vluchten heen, en houden geen stand; Want hun onheilsdag is gekomen, De tijd van hun straf!
22Доходить голос його, неначе гадюче сичаннє, наступають з військовою потугою, нападають із сокирами, мов дроворуби;
22Hoort, als een sissende slang Schuiven ze voort langs het strand; Met bijlen gewapend, Trekken ze als houthakkers op haar af.
23Вирубають лїс його, говорить Господь, бо їх і не переглянеш; більше їх, як сарани, нїхто не перелїчить.
23Ze vellen haar woud, is de godsspraak van Jahweh, Hoe ondoordringbaar het is; Want ze zijn talrijker nog dan een sprinkhanen-zwerm, Ze zijn niet te tellen.
24Осоромлена дочка Египецька, оддана півночньому народові на поталу.
24De dochter van Egypte wordt te schande gemaakt, Overgeleverd aan het volk uit het noorden:
25Се говорить Господь сил небесних, Бог Ізрайлїв: навідаю карою Аммона в Но, Фараона й Египет з його богами й князями, — Фараона з тими, що на його вповають,
25Jahweh der heirscharen, Israëls God heeft het gezegd! Ik ga Mij wreken op Amon in No, Op Farao en op Egypte, Op zijn goden en vorsten, Op allen, die op hem vertrouwen!
26Та й подам їх на поталу тим, що важять на їх душі, на поталу Навуходонозорові, цареві Вавилонському й у руки рабам його; аж опісля буде Египет оселений, як за давних днїв, говорить Господь.
26Ik lever ze uit aan wie hun leven belagen, Aan Nabukodonosor, den koning van Babel, en zijn vazallen. Eerst later wordt het weer vredig bewoond Als in vroegere dagen: is de godsspraak van Jahweh!
27Ти ж не журись, слуго мій Якове, й не лякайся, Ізраїлю, я бо вирятую тебе з далекої землї, й потомків твоїх із землї, де вони невольникували, й вернеться Яков та й жити ме спокійно й мирно й нїхто не буде страхати його.
27Jakob, mijn dienaar, wees niet bang, Israël, gij behoeft niet te vrezen; Want Ik ga u verlossen uit verre gewesten, Uw kroost uit het land hunner ballingschap. Jakob keert terug, en vindt weer zijn rust, Onbekommerd, door niemand verschrikt.
28Не журися, рабе мій Якове, говорить Господь, я бо з тобою. Я вигублю всї народи, що проміж них порозганяв тебе, тебе ж не вигублю; я тілько скараю тебе справедливим судом, та безкарним тебе не зоставлю.
28Jakob, mijn dienaar, wees niet bang; want Ik ben met u, spreekt Jahweh! Ja, Ik ga alle volken vernielen, Waaronder Ik u heb verstrooid. Maar u zal Ik nimmer vernielen; Ik tuchtig u enkel, zoals ge verdient; Neen, Ik laat u niet ongestraft!
Tip: use the ← and → keys to turn chapters.