יִרְמְיָהוּ

New Testament

מתיוסנט מארקהבְּשׂוֹרָה הַקְּדוֹשָׁה עַל־פִּי לוּקָסג'וןמַעֲשֵׂי הַשְּׁלִיחִיםאִגֶּרֶת פּוֹלוֹס הַשָּׁלִיחַ אֶל־הָרוֹמִיִּיםאִגֶּרֶת פּוֹלוֹס הָרִאשׁוֹנָה אֶל־הַקּוֹרִנְתִּיִּיםאִגֶּרֶת פּוֹלוֹס הָשֵּׁנִית אֶל־הַקּוֹרִנְתִּיִיםאִגֶּרֶת פּוֹלוֹס הַשָּׁלִיחַ אֶל־הַגָּלָטִיִּיםאִגֶּרֶת פּוֹלוֹס הַשָּׁלִיחַ אֶל־הָאֶפְסִיִּיםאִגֶּרֶת פּוֹלוֹס הַשָּׁלִיחַ אֶל־הַפִּילִפִּיִּיםאִגֶּרֶת פּוֹלוֹס הַשָּׁלִיחַ אֶל־הַקּוֹלַסִּים1 סלוניס2 סלוניס1 טימותי2 טימותיאִגֶּרֶת פּוֹלוֹס אֶל־טִיטוֹסאִגֶּרֶת פּוֹלוֹס אֶל־פִּילֵימוֹןאִגֶּרֶת אֶל־הָעִבְרִיםאִגֶּרֶת יַעֲקֹבהָאִגֶּרֶת הָרִאשׁוֹנָה לְפֶטְרוֹס הַשָּׁלִיחַהָאִגֶּרֶת הַשֵּׁנִית לְפֶטְרוֹס הַשָּׁלִיחַהָאִגֶּרֶת הָרִאשׁוֹנָה לְיוֹחָנָן הַשָּׁלִיחַהָאִגֶּרֶת הַשֵּׁנִית לְיוֹחָנָן הַשָּׁלִיחַהָאִגֶּרֶת הַשְּׁלִישִׁית לְיוֹחָנָן הַשָּׁלִיחַאִגֶּרֶת יְהוּדָהחזוֹן יוֹחָנָן
Chapter 46
Modern Hebrew Bible
vs Petrus Canisius Bi…
Aa
Text size
Line width
Verse numbers

יִרְמְיָהוּ 46

Modern Hebrew Bible
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
1אשר היה דבר יהוה אל ירמיהו הנביא על הגוים׃
1Het woord van Jahweh tegen de volken, dat tot den profeet Jeremias werd gericht.
2למצרים על חיל פרעה נכו מלך מצרים אשר היה על נהר פרת בכרכמש אשר הכה נבוכדראצר מלך בבל בשנת הרביעית ליהויקים בן יאשיהו מלך יהודה׃
2Over Egypte. Over het leger van den Farao Neko, den koning van Egypte, dat aan de Eufraat bij Karkemisj stond, en dat Nabukodonosor, de koning van Babel, in het vierde jaar van Jojakim, den zoon van Josias en koning van Juda, heeft verslagen.
3ערכו מגן וצנה וגשו למלחמה׃
3Klaar met schild en rondas; op, tot de strijd,
4אסרו הסוסים ועלו הפרשים והתיצבו בכובעים מרקו הרמחים לבשו הסרינת׃
4De paarden gespannen, de rossen bestegen; In het gelid, de helmen op, De lansen gewet, de pantsers aan!
5מדוע ראיתי המה חתים נסגים אחור וגבוריהם יכתו ומנוס נסו ולא הפנו מגור מסביב נאם יהוה׃
5Wat: ze beven, ze wijken; Hun helden worden verslagen, Ze vluchten, zonder om te zien? Verschrikking alom, is de godsspraak van Jahweh!
6אל ינוס הקל ואל ימלט הגבור צפונה על יד נהר פרת כשלו ונפלו׃
6Zelfs de vlugge kan niet ontsnappen, De held zich niet redden; In het noorden, aan de oever van de Eufraat, Wankelen ze, en storten ze neer!
7מי זה כיאר יעלה כנהרות יתגעשו מימיו׃
7Wie golft daar aan als de Nijl, Als stromen met bruisende wateren?
8מצרים כיאר יעלה וכנהרות יתגעשו מים ויאמר אעלה אכסה ארץ אבידה עיר וישבי בה׃
8Egypte golft aan als de Nijl, Als stromen met klotsende golven! Het roept: Omhoog wil ik stijgen, Om de aarde te overstromen; Ik wil steden vernielen, Met de bewoners er in.
9עלו הסוסים והתהללו הרכב ויצאו הגבורים כוש ופוט תפשי מגן ולודים תפשי דרכי קשת׃
9Paarden vooruit; wagens raast door, De helden naar voren: Ethiopiërs en Poetiërs, het schild in de hand, Lydiërs, de bogen gespannen en gericht!
10והיום ההוא לאדני יהוה צבאות יום נקמה להנקם מצריו ואכלה חרב ושבעה ורותה מדמם כי זבח לאדני יהוה צבאות בארץ צפון אל נהר פרת׃
10Maar dit is de dag van den Heer, Van Jahweh der heirscharen: Een dag van vergelding, Om zich te wreken op zijn bestrijders! Het zwaard verslindt, tot zijn honger gestild is, Het drinkt zich zat aan hun bloed; Want Jahweh richt een offer aan In het land van het noorden, aan de Eufraat.
11עלי גלעד וקחי צרי בתולת בת מצרים לשוא הרביתי רפאות תעלה אין לך׃
11Trek op naar Gilad, om balsem te halen, Jonkvrouw, dochter van Egypte! Vergeefs verspilt gij medicijnen; Geen genezing voor u.
12שמעו גוים קלונך וצוחתך מלאה הארץ כי גבור בגבור כשלו יחדיו נפלו שניהם׃
12De volken horen uw schande, De aarde is vol van uw klagen; Want de ene held is over den ander gestruikeld, En beiden zijn ze gevallen!
13הדבר אשר דבר יהוה אל ירמיהו הנביא לבוא נבוכדראצר מלך בבל להכות את ארץ מצרים׃
13Het woord, dat Jahweh tot den profeet Jeremias sprak over de veldtocht van Nabukodonosor, den koning van Babel, om het land van Egypte te teisteren!
14הגידו במצרים והשמיעו במגדול והשמיעו בנף ובתחפנחס אמרו התיצב והכן לך כי אכלה חרב סביביך׃
14Verkondigt het in Egypte, meldt het in Migdol, Bericht het in Nof en Tachpanches; Roept: Stel u te weer, en houd u gereed, Want het zwaard verslindt om u heen!
15מדוע נסחף אביריך לא עמד כי יהוה הדפו׃
15Wat: uw sterke gevallen, hij houdt geen stand? Neen, Jahweh heeft hem neergestoten.
16הרבה כושל גם נפל איש אל רעהו ויאמרו קומה ונשבה אל עמנו ואל ארץ מולדתנו מפני חרב היונה׃
16Ook zijn huurtroepen struikelen en vallen, De een op den ander. Ze roepen: Voort, terug naar ons volk, Naar ons geboorteland voor het moordende zwaard!
17קראו שם פרעה מלך מצרים שאון העביר המועד׃
17Noemt Farao, den koning van Egypte: “Lawaai, dat zijn tijd liet voorbijgaan!”
18חי אני נאם המלך יהוה צבאות שמו כי כתבור בהרים וככרמל בים יבוא׃
18Zo waar Ik leef, is de godsspraak des Konings, Jahweh der heirscharen is zijn Naam: Als een Tabor onder de bergen, Als een Karmel aan zee rukt er een aan.
19כלי גולה עשי לך יושבת בת מצרים כי נף לשמה תהיה ונצתה מאין יושב׃
19Maak uw pak voor de ballingschap klaar, Bevolking, dochter van Egypte; Want Nof zal een wildernis worden, Vernield en ontvolkt.
20עגלה יפה פיה מצרים קרץ מצפון בא בא׃
20Egypte is een prachtige koe: Maar een horzel uit het noorden valt op haar aan;
21גם שכריה בקרבה כעגלי מרבק כי גם המה הפנו נסו יחדיו לא עמדו כי יום אידם בא עליהם עת פקדתם׃
21Ook op haar troepen in haar land Als op vetgemeste kalveren. Waarachtig, allen lopen ze weg, Ze vluchten heen, en houden geen stand; Want hun onheilsdag is gekomen, De tijd van hun straf!
22קולה כנחש ילך כי בחיל ילכו ובקרדמות באו לה כחטבי עצים׃
22Hoort, als een sissende slang Schuiven ze voort langs het strand; Met bijlen gewapend, Trekken ze als houthakkers op haar af.
23כרתו יערה נאם יהוה כי לא יחקר כי רבו מארבה ואין להם מספר׃
23Ze vellen haar woud, is de godsspraak van Jahweh, Hoe ondoordringbaar het is; Want ze zijn talrijker nog dan een sprinkhanen-zwerm, Ze zijn niet te tellen.
24הבישה בת מצרים נתנה ביד עם צפון׃
24De dochter van Egypte wordt te schande gemaakt, Overgeleverd aan het volk uit het noorden:
25אמר יהוה צבאות אלהי ישראל הנני פוקד אל אמון מנא ועל פרעה ועל מצרים ועל אלהיה ועל מלכיה ועל פרעה ועל הבטחים בו׃
25Jahweh der heirscharen, Israëls God heeft het gezegd! Ik ga Mij wreken op Amon in No, Op Farao en op Egypte, Op zijn goden en vorsten, Op allen, die op hem vertrouwen!
26ונתתים ביד מבקשי נפשם וביד נבוכדראצר מלך בבל וביד עבדיו ואחרי כן תשכן כימי קדם נאם יהוה׃
26Ik lever ze uit aan wie hun leven belagen, Aan Nabukodonosor, den koning van Babel, en zijn vazallen. Eerst later wordt het weer vredig bewoond Als in vroegere dagen: is de godsspraak van Jahweh!
27ואתה אל תירא עבדי יעקב ואל תחת ישראל כי הנני מושעך מרחוק ואת זרעך מארץ שבים ושב יעקוב ושקט ושאנן ואין מחריד׃
27Jakob, mijn dienaar, wees niet bang, Israël, gij behoeft niet te vrezen; Want Ik ga u verlossen uit verre gewesten, Uw kroost uit het land hunner ballingschap. Jakob keert terug, en vindt weer zijn rust, Onbekommerd, door niemand verschrikt.
28אתה אל תירא עבדי יעקב נאם יהוה כי אתך אני כי אעשה כלה בכל הגוים אשר הדחתיך שמה ואתך לא אעשה כלה ויסרתיך למשפט ונקה לא אנקך׃
28Jakob, mijn dienaar, wees niet bang; want Ik ben met u, spreekt Jahweh! Ja, Ik ga alle volken vernielen, Waaronder Ik u heb verstrooid. Maar u zal Ik nimmer vernielen; Ik tuchtig u enkel, zoals ge verdient; Neen, Ik laat u niet ongestraft!

Tip: use the ← and → keys to turn chapters.