יִרְמְיָהוּ 40
Modern Hebrew BibleTranslation
Modern Hebrew Bible
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
1הדבר אשר היה אל ירמיהו מאת יהוה אחר שלח אתו נבוזראדן רב טבחים מן הרמה בקחתו אתו והוא אסור באזקים בתוך כל גלות ירושלם ויהודה המגלים בבלה׃
1Het woord, dat door Jahweh tot Jeremias werd gericht, nadat Neboe-Zaradan, het hoofd van de lijfwacht, hem uit Rama had laten vertrekken, waar hij hem in boeien had aangetroffen te midden der ballingen van Jerusalem en Juda, die naar Babel werden gebracht.
2ויקח רב טבחים לירמיהו ויאמר אליו יהוה אלהיך דבר את הרעה הזאת אל המקום הזה׃
2Het hoofd van de lijfwacht liet Jeremias voor zich ontbieden, en zeide tot hem: Jahweh, uw God, had deze plaats met dit onheil bedreigd.
3ויבא ויעש יהוה כאשר דבר כי חטאתם ליהוה ולא שמעתם בקולו והיה לכם דבר הזה׃
3Nu heeft Jahweh het ook voltrokken, en gedaan wat Hij gezegd heeft. Want gij hebt tegen Jahweh gezondigd, en naar Hem niet geluisterd; daarom heeft dit lot u getroffen.
4ועתה הנה פתחתיך היום מן האזקים אשר על ידך אם טוב בעיניך לבוא אתי בבל בא ואשים את עיני עליך ואם רע בעיניך לבוא אתי בבל חדל ראה כל הארץ לפניך אל טוב ואל הישר בעיניך ללכת שמה לך׃
4Maar u bevrijd ik thans van de boeien aan uw handen. Zo ge met mij naar Babel wilt gaan, kunt ge meegaan; dan zal ik u onder mijn hoede nemen. Zo ge niet met bij naar Babel wilt gaan, kunt ge blijven; zie, het hele land ligt voor u open: ge kunt gaan, waarheen ge zelf maar wilt.
5ועודנו לא ישוב ושבה אל גדליה בן אחיקם בן שפן אשר הפקיד מלך בבל בערי יהודה ושב אתו בתוך העם או אל כל הישר בעיניך ללכת לך ויתן לו רב טבחים ארחה ומשאת וישלחהו׃
5En toen hij in zijn besluit volhardde, vervolgde hij: Keer dan terug naar Gedalja, den zoon van Achikam, zoon van Sjafan, dien de koning van Babel over de steden van Juda heeft aangesteld; blijf bij hem te midden van het volk, of ga heen, waar ge wilt. Daarop gaf het hoofd van de lijfwacht hem levensmiddelen en geschenken, en liet hem vertrekken.
6ויבא ירמיהו אל גדליה בן אחיקם המצפתה וישב אתו בתוך העם הנשארים בארץ׃
6Zo kwam Jeremias bij Gedalja, den zoon van Achikam, die zich te Mispa bevond, en bleef bij hem te midden van het volk, dat in het land werd achtergelaten.
7וישמעו כל שרי החילים אשר בשדה המה ואנשיהם כי הפקיד מלך בבל את גדליהו בן אחיקם בארץ וכי הפקיד אתו אנשים ונשים וטף ומדלת הארץ מאשר לא הגלו בבלה׃
7Toen de legeroversten, die met hun mannen nog rondzwierven, hoorden, dat de koning van Babel Gedalja, den zoon van Achikam, tot landvoogd had aangesteld, en hem de mannen, vrouwen en kinderen van de arme bevolking, die niet naar Babel waren verbannen, had toevertrouwd,
8ויבאו אל גדליה המצפתה וישמעאל בן נתניהו ויוחנן ויונתן בני קרח ושריה בן תנחמת ובני עופי הנטפתי ויזניהו בן המעכתי המה ואנשיהם׃
8begaven zij zich naar Gedalja te Mispa; het waren: Jisjmaël de zoon van Netanjáhoe, Jochanan en Jonatan de zonen van Karéach, Seraja de zoon van Tanchóemet, de zonen van Efai uit Netofa, en Jezanjáhoe de zoon van den Maäkatiet, met hun mannen.
9וישבע להם גדליהו בן אחיקם בן שפן ולאנשיהם לאמר אל תיראו מעבוד הכשדים שבו בארץ ועבדו את מלך בבל וייטב לכם׃
9Gedaljáhoe, de zoon van Achikam, zoon van Sjafan, verzekerde hun en hun mannen onder ede: Ge behoeft niet bang te zijn voor de Chaldeeuwse beambten; zet u neer in het land, en onderwerpt u aan den koning van Babel; dan zal het u goed gaan.
10ואני הנני ישב במצפה לעמד לפני הכשדים אשר יבאו אלינו ואתם אספו יין וקיץ ושמן ושמו בכליכם ושבו בעריכם אשר תפשתם׃
10Ik zelf blijf in Mispa, om ter beschikking te staan van de Chaldeën, die tot ons zullen komen. Gaat gij uw wijn, ooft en olie maar oogsten, en in uw vaten opleggen; blijft in uw steden, waar ge u hebt gevestigd.
11וגם כל היהודים אשר במואב ובבני עמון ובאדום ואשר בכל הארצות שמעו כי נתן מלך בבל שארית ליהודה וכי הפקיד עליהם את גדליהו בן אחיקם בן שפן׃
11Toen ook de andere Judeërs, die in Moab, onder de Ammonieten, in Edom of elders vertoefden, hoorden, dat de koning van Babel een gedeelte van Juda had gespaard, en Gedaljáhoe, den zoon van Achikam, zoon van Sjafan, daarover had aangesteld,
12וישבו כל היהודים מכל המקמות אשר נדחו שם ויבאו ארץ יהודה אל גדליהו המצפתה ויאספו יין וקיץ הרבה מאד׃
12keerden allen uit de plaatsen terug, waarheen ze waren verstrooid, en trokken op naar het land van Juda naar Gedaljáhoe te Mispa. En ze hadden een rijke oogst in wijn en vruchten.
13ויוחנן בן קרח וכל שרי החילים אשר בשדה באו אל גדליהו המצפתה׃
13Een tijd later kwamen Jochanan, de zoon van Karéach, en alle legeroversten die rondgezworven hadden, naar Gedaljáhoe te Mispa.
14ויאמרו אליו הידע תדע כי בעליס מלך בני עמון שלח את ישמעאל בן נתניה להכתך נפש ולא האמין להם גדליהו בן אחיקם׃
14Ze zeiden hem: Weet ge wel, dat Baälis, de koning der Ammonieten, Jisjmaël, den zoon van Netanja, heeft gestuurd, om u om het leven te brengen? Maar Gedaljáhoe, de zoon van Achikam, geloofde hen niet.
15ויוחנן בן קרח אמר אל גדליהו בסתר במצפה לאמר אלכה נא ואכה את ישמעאל בן נתניה ואיש לא ידע למה יככה נפש ונפצו כל יהודה הנקבצים אליך ואבדה שארית יהודה׃
15Toch deed Jochanan, de zoon van Karéach, Gedaljáhoe te Mispa heimelijk dit voorstel: Als ge wilt, zal ik Jisjmaël, den zoon van Netanja, gaan doden, zonder dat iemand er iets van bemerkt; waarom u door hem laten vermoorden, en alle Judeërs, die zich om u hebben verzameld, weer laten verstrooien, en wat er van Juda gespaard is gebleven ten ondergang doemen?
16ויאמר גדליהו בן אחיקם אל יוחנן בן קרח אל תעש את הדבר הזה כי שקר אתה דבר אל ישמעאל׃
16Maar Gedaljáhoe, de zoon van Achikam, gaf Jochanan, den zoon van Karéach, ten antwoord: Dat moogt ge niet doen; want het is niet waar, wat ge van Jisjmaël zegt.
Tip: use the ← and → keys to turn chapters.