יִרְמְיָהוּ

New Testament

מתיוסנט מארקהבְּשׂוֹרָה הַקְּדוֹשָׁה עַל־פִּי לוּקָסג'וןמַעֲשֵׂי הַשְּׁלִיחִיםאִגֶּרֶת פּוֹלוֹס הַשָּׁלִיחַ אֶל־הָרוֹמִיִּיםאִגֶּרֶת פּוֹלוֹס הָרִאשׁוֹנָה אֶל־הַקּוֹרִנְתִּיִּיםאִגֶּרֶת פּוֹלוֹס הָשֵּׁנִית אֶל־הַקּוֹרִנְתִּיִיםאִגֶּרֶת פּוֹלוֹס הַשָּׁלִיחַ אֶל־הַגָּלָטִיִּיםאִגֶּרֶת פּוֹלוֹס הַשָּׁלִיחַ אֶל־הָאֶפְסִיִּיםאִגֶּרֶת פּוֹלוֹס הַשָּׁלִיחַ אֶל־הַפִּילִפִּיִּיםאִגֶּרֶת פּוֹלוֹס הַשָּׁלִיחַ אֶל־הַקּוֹלַסִּים1 סלוניס2 סלוניס1 טימותי2 טימותיאִגֶּרֶת פּוֹלוֹס אֶל־טִיטוֹסאִגֶּרֶת פּוֹלוֹס אֶל־פִּילֵימוֹןאִגֶּרֶת אֶל־הָעִבְרִיםאִגֶּרֶת יַעֲקֹבהָאִגֶּרֶת הָרִאשׁוֹנָה לְפֶטְרוֹס הַשָּׁלִיחַהָאִגֶּרֶת הַשֵּׁנִית לְפֶטְרוֹס הַשָּׁלִיחַהָאִגֶּרֶת הָרִאשׁוֹנָה לְיוֹחָנָן הַשָּׁלִיחַהָאִגֶּרֶת הַשֵּׁנִית לְיוֹחָנָן הַשָּׁלִיחַהָאִגֶּרֶת הַשְּׁלִישִׁית לְיוֹחָנָן הַשָּׁלִיחַאִגֶּרֶת יְהוּדָהחזוֹן יוֹחָנָן
Chapter 50
Modern Hebrew Bible
vs Petrus Canisius Bi…
Aa
Text size
Line width
Verse numbers

יִרְמְיָהוּ 50

Modern Hebrew Bible
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
1הדבר אשר דבר יהוה אל בבל אל ארץ כשדים ביד ירמיהו הנביא׃
1Het woord, dat Jahweh door den profeet Jeremias over Babel en over het land der Chaldeën heeft gesproken:
2הגידו בגוים והשמיעו ושאו נס השמיעו אל תכחדו אמרו נלכדה בבל הביש בל חת מרדך הבישו עצביה חתו גלוליה׃
2Meldt en verkondigt het onder de volken; Omhoog de banier! Laat het horen, zonder iets te verbergen, Roept uit: Babel gevallen! Bel staat beschaamd, en Mardoek verschrikt; Hun beelden blozen, hun schandgoden beven!
3כי עלה עליה גוי מצפון הוא ישית את ארצה לשמה ולא יהיה יושב בה מאדם ועד בהמה נדו הלכו׃
3Want een volk uit het noorden trekt tegen hem op; Het zal van zijn land een wildernis maken, Waar niemand woont, Waaruit mens en beest zijn gevlucht en verdwenen.
4בימים ההמה ובעת ההיא נאם יהוה יבאו בני ישראל המה ובני יהודה יחדו הלוך ובכו ילכו ואת יהוה אלהיהם יבקשו׃
4In die dagen en in die tijd, Is de godsspraak van Jahweh: Zullen de kinderen van Israël komen, Tezamen met de kinderen van Juda; Al wenend zullen ze gaan, Om Jahweh te zoeken, hun God;
5ציון ישאלו דרך הנה פניהם באו ונלוו אל יהוה ברית עולם לא תשכח׃
5Ze zullen de weg naar Sion vragen, Want dàt is hun doel: “Komt, laten we ons aan Jahweh hechten, Door een eeuwig, onvergetelijk verbond!”
6צאן אבדות היה עמי רעיהם התעום הרים שובבים מהר אל גבעה הלכו שכחו רבצם׃
6Een verdoolde kudde was mijn volk, Hun herders hebben ze op een dwaalspoor gebracht, En lieten ze zwerven op de bergen; Van berg tot heuvel trokken ze rond, En vergaten hun kooi.
7כל מוצאיהם אכלום וצריהם אמרו לא נאשם תחת אשר חטאו ליהוה נוה צדק ומקוה אבותיהם יהוה׃
7Al die ze vonden, slokten ze op, Hun vijanden zeiden: “Wij hebben geen schuld!” Want ze hadden gezondigd Tegen Jahweh, de weideplaats der gerechtigheid, Tegen Jahweh, de hoop hunner vaderen.
8נדו מתוך בבל ומארץ כשדים יצאו והיו כעתודים לפני צאן׃
8Vlucht Babel uit, trekt weg uit het land der Chaldeën, Als bokken aan het hoofd van de kudde!
9כי הנה אנכי מעיר ומעלה על בבל קהל גוים גדלים מארץ צפון וערכו לה משם תלכד חציו כגבור משכיל לא ישוב ריקם׃
9Want zie, Ik ga tegen Babel verwekken Een drom van machtige volken uit het land van het noorden. Die stellen zich daar in slagorde op, en nemen het in; Hun pijlen als van beproefde helden Keren nimmer ledig terug.
10והיתה כשדים לשלל כל שלליה ישבעו נאם יהוה׃
10Chaldea zal worden uitgeplunderd; Die het beroven, krijgen genoeg, Is de godsspraak van Jahweh!
11כי תשמחי כי תעלזי שסי נחלתי כי תפושי כעגלה דשה ותצהלי כאברים׃
11Ja, verheugt u maar, en jubelt van vreugde, Gij plunderaars van mijn erve; Huppelt als kalveren in de weide, En hinnikt als hengsten:
12בושה אמכם מאד חפרה יולדתכם הנה אחרית גוים מדבר ציה וערבה׃
12Uw moeder ligt in de diepste schande, Die u baarde, is beschaamd; Ze wordt de minste onder de volken, Een wildernis, een dorre steppe;
13מקצף יהוה לא תשב והיתה שממה כלה כל עבר על בבל ישם וישרק על כל מכותיה׃
13Door Jahweh’s toorn blijft ze onbewoond, Heel en al een woestijn!
14ערכו על בבל סביב כל דרכי קשת ידו אליה אל תחמלו אל חץ כי ליהוה חטאה׃
14Op, rondom in het gelid tegen Babel, Allen, die de boog kunt spannen; Beschiet het, spaart de pijlen niet, Want het heeft tegen Jahweh gezondigd.
15הריעו עליה סביב נתנה ידה נפלו אשויתיה נהרסו חומותיה כי נקמת יהוה היא הנקמו בה כאשר עשתה עשו לה׃
15Heft in ‘t rond de juichkreet over hem aan: Het geeft zich al over; Zijn torens vallen, Zijn muren storten ineen! Die Babel voorbijtrekt, zal zich verbazen, En blazen over al zijn rampen. Ja, dat is de wraak van Jahweh! Wreekt u er op; Zoals het zelf heeft gedaan, Moet ge het vergelden.
16כרתו זורע מבבל ותפש מגל בעת קציר מפני חרב היונה איש אל עמו יפנו ואיש לארצו ינסו׃
16Roeit uit Babel den zaaier uit, En wie de sikkel zwaait In de tijd van de oogst! Voor het moordende zwaard Keert iedereen terug naar zijn volk, Vluchten allen weg naar hun eigen land.
17שה פזורה ישראל אריות הדיחו הראשון אכלו מלך אשור וזה האחרון עצמו נבוכדראצר מלך בבל׃
17Israël is een opgejaagd schaap, Door leeuwen vervolgd; Eerst heeft de koning van Assjoer het verslonden, Daarna heeft Nabukodonosor, De koning van Babel, zijn beenderen gebroken.
18לכן כה אמר יהוה צבאות אלהי ישראל הנני פקד אל מלך בבל ואל ארצו כאשר פקדתי אל מלך אשור׃
18Daarom spreekt Jahweh der heirscharen, Israëls God: Zie, Ik zal Mij wreken Op den koning van Babel en op zijn land, Zoals Ik wraak heb genomen op den koning van Assjoer!
19ושבבתי את ישראל אל נוהו ורעה הכרמל והבשן ובהר אפרים והגלעד תשבע נפשו׃
19Dan leid Ik Israël terug naar zijn dreven, Het zal weer weiden op Karmel en Basjan; Op Efraïms bergen, En in Gilad verzadiging vinden.
20בימים ההם ובעת ההיא נאם יהוה יבקש את עון ישראל ואיננו ואת חטאת יהודה ולא תמצאינה כי אסלח לאשר אשאיר׃
20In die dagen en in die tijd, Is de godsspraak van Jahweh, Zal men de schuld van Israël zoeken, maar ze is er niet meer, En de zonde van Juda, maar men vindt ze niet langer: Want dan zal Ik vergiffenis schenken Aan hen, die Ik spaarde!
21על הארץ מרתים עלה עליה ואל יושבי פקוד חרב והחרם אחריהם נאם יהוה ועשה ככל אשר צויתיך׃
21Kom uit tegen het land “Dubbel-Verzet”, En tegen de bewoners van “Straf”: Zwaard, sla dood en verniel ze; Doe wat Ik u zeg, is de godsspraak van Jahweh!
22קול מלחמה בארץ ושבר גדול׃
22Krijgsrumoer in het land en grote verwoesting!
23איך נגדע וישבר פטיש כל הארץ איך היתה לשמה בבל בגוים׃
23Hoe ligt ge gebroken, in stukken, Hamer der gehele aarde? Hoe is Babel een gruwel geworden onder de volken?
24יקשתי לך וגם נלכדת בבל ואת לא ידעת נמצאת וגם נתפשת כי ביהוה התגרית׃
24Ik legde u strikken, gij liet u vangen, Babel, eer gij het wist; Gij zijt verrast en gegrepen, Want gij hebt Jahweh getart.
25פתח יהוה את אוצרו ויוצא את כלי זעמו כי מלאכה היא לאדני יהוה צבאות בארץ כשדים׃
25Jahweh heeft zijn tuighuis geopend, De wapens van zijn gramschap te voorschijn gehaald; Want Jahweh, de Heer, heeft een werk te verrichten In het land der Chaldeën!
26באו לה מקץ פתחו מאבסיה סלוה כמו ערמים והחרימוה אל תהי לה שארית׃
26Trekt er op af, tot den laatsten man, Doet open zijn schuren; Gooit het op hopen als schoven, Verniel het, laat er niets meer van over.
27חרבו כל פריה ירדו לטבח הוי עליהם כי בא יומם עת פקדתם׃
27Doodt al zijn stieren, Naar de slachtbank er mee; Wee hun, want hun dag is gekomen, De tijd van hun straf!
28קול נסים ופלטים מארץ בבל להגיד בציון את נקמת יהוה אלהינו נקמת היכלו׃
28Hoort; de vluchtelingen, uit het land van Babel ontsnapt, Verkonden in Sion De wraak van Jahweh, onzen God, De wraak voor zijn tempel!
29השמיעו אל בבל רבים כל דרכי קשת חנו עליה סביב אל יהי פליטה שלמו לה כפעלה ככל אשר עשתה עשו לה כי אל יהוה זדה אל קדוש ישראל׃
29Roept tegen Babel de boogschutters op, Allen, die de boog kunnen spannen; Sluit het van alle kant in, Zodat niemand ontsnapt, Vergeldt het zoals het verdient, Doet er mee, als het zelf heeft gedaan; Want het is onbeschaamd tegen Jahweh geweest, Tegen Israëls Heilige!
30לכן יפלו בחוריה ברחבתיה וכל אנשי מלחמתה ידמו ביום ההוא נאם יהוה׃
30Daarom vallen zijn jonge mannen Met al zijn strijders op straat; Ze komen om op die dag, Is de godsspraak van Jahweh!
31הנני אליך זדון נאם אדני יהוה צבאות כי בא יומך עת פקדתיך׃
31Onbeschaamde; zie, Ik kom op u af, Spreekt de Heer, Jahweh der heirscharen; Want uw dag is gekomen. De tijd van uw straf!
32וכשל זדון ונפל ואין לו מקים והצתי אש בעריו ואכלה כל סביבתיו׃
32De Onbeschaamde wankelt en valt, Niemand richt zijn muren weer op; Ik ontsteek een vuur in zijn steden. Dat heel zijn omgeving verteert.
33כה אמר יהוה צבאות עשוקים בני ישראל ובני יהודה יחדו וכל שביהם החזיקו בם מאנו שלחם׃
33Zo spreekt Jahweh der heirscharen: De kinderen van Israël Worden met die van Juda mishandeld; Die ze in ballingschap voerden, houden ze vast, En weigeren, ze te laten vertrekken.
34גאלם חזק יהוה צבאות שמו ריב יריב את ריבם למען הרגיע את הארץ והרגיז לישבי בבל׃
34Maar de Bevrijder is machtig: Jahweh der heirscharen is zijn Naam! Hij neemt het met kracht voor hen op, Om rust te brengen aan de aarde, Maar onrust aan de bewoners van Babel.
35חרב על כשדים נאם יהוה ואל ישבי בבל ואל שריה ואל חכמיה׃
35Het zwaard tegen de Chaldeën, Is de godsspraak van Jahweh: Tegen de bewoners van Babel, Tegen zijn vorsten en wijzen!
36חרב אל הבדים ונאלו חרב אל גבוריה וחתו׃
36Het zwaard tegen de zwetsers: zij worden verdwaasd; Het zwaard tegen zijn helden: zij rillen;
37חרב אל סוסיו ואל רכבו ואל כל הערב אשר בתוכה והיו לנשים חרב אל אוצרתיה ובזזו׃
37Het zwaard tegen zijn paarden en wagens, Tegen alle vreemden binnen zijn muren: zij worden als vrouwen! Het zwaard tegen zijn schatten: zij worden geplunderd;
38חרב אל מימיה ויבשו כי ארץ פסלים היא ובאימים יתהללו׃
38Het zwaard tegen zijn wateren: zij drogen op; Want het is een land van afgodsbeelden, Door monsters zijn ze verdwaasd.
39לכן ישבו ציים את איים וישבו בה בנות יענה ולא תשב עוד לנצח ולא תשכון עד דור ודור׃
39Daarom zullen daar wolven en jakhalzen liggen, En struisen er schuilen; Nooit meer zal het worden bewoond, Verlaten van geslacht tot geslacht.
40כמהפכת אלהים את סדם ואת עמרה ואת שכניה נאם יהוה לא ישב שם איש ולא יגור בה בן אדם׃
40Zoals God Sodoma en Gomorra verwoestte, Met hun zustersteden. spreekt Jahweh: Zo zal er niemand wonen, Geen mensenkind er vertoeven.
41הנה עם בא מצפון וגוי גדול ומלכים רבים יערו מירכתי ארץ׃
41Zie, daar komt een volk uit het noorden, een grote natie, Machtige koningen rukken aan van de grenzen der aarde,
42קשת וכידן יחזיקו אכזרי המה ולא ירחמו קולם כים יהמה ועל סוסים ירכבו ערוך כאיש למלחמה עליך בת בבל׃
42Met boog en lansen gewapend, Wreed en zonder erbarmen. Hun kreten loeien als de zee, Op rossen jagen ze voort, Toegerust als oorlogsmannen Tegen u, dochter van Babel!
43שמע מלך בבל את שמעם ורפו ידיו צרה החזיקתהו חיל כיולדה׃
43De koning van Babel hoort wat van hen wordt verteld, Zijn handen hangen er slap van; Angst grijpt hem aan, Weeën als van een barende vrouw.
44הנה כאריה יעלה מגאון הירדן אל נוה איתן כי ארגעה ארוצם מעליה ומי בחור אליה אפקד כי מי כמוני ומי יועדני ומי זה רעה אשר יעמד לפני׃
44Zoals een leeuw uit het kreupelhout van de Jordaan Naar de altijd groene weide schiet, Zo jaag Ik ze plotseling daaruit weg, En stel er over aan, wien Ik wil. Want wie is Mij gelijk, Wie durft Mij rekenschap vragen; En wie is de herder, Die Mij kan weerstaan?
45לכן שמעו עצת יהוה אשר יעץ אל בבל ומחשבותיו אשר חשב אל ארץ כשדים אם לא יסחבום צעירי הצאן אם לא ישים עליהם נוה׃
45Hoort dus het besluit van Jahweh, Dat Hij over Babel nam, De plannen, die Hij beraamde Over het land der Chaldeën. Waarachtig, als kleine schaapjes sleurt men ze weg, Ja, hun weide zal van hen schrikken;
46מקול נתפשה בבל נרעשה הארץ וזעקה בגוים נשמע׃
46De aarde beeft van het gedreun van hun val, Hun jammeren klinkt onder de volken!

Tip: use the ← and → keys to turn chapters.