エレミヤ
Chapter 50
Freedom Bible (フリーダム・バイブル)
vs Petrus Canisius Bi…
Aa
Text size
Line width
Verse numbers
Freedom Bible (フリーダム・バイブル)
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
1バビロンとカルデア人の地について、主が預言者エレミヤを通して語られた言葉。
1Het woord, dat Jahweh door den profeet Jeremias over Babel en over het land der Chaldeën heeft gesproken:
2「諸国民の間で告げ知らせよ。 旗印を掲げよ。 告げ知らせ、隠してはならない。 こう言え。『バビロンは占領された。 ベルは辱められ、 メロダクはおびえた。 その像は辱められ、 偶像はおびえた。』
2Meldt en verkondigt het onder de volken; Omhoog de banier! Laat het horen, zonder iets te verbergen, Roept uit: Babel gevallen! Bel staat beschaamd, en Mardoek verschrikt; Hun beelden blozen, hun schandgoden beven!
3北から一つの国が彼女に攻め上り、 その地を荒れ果てさせるからだ。 そこにはだれも住まなくなる。 人も動物も逃げ去り、 いなくなった。」
3Want een volk uit het noorden trekt tegen hem op; Het zal van zijn land een wildernis maken, Waar niemand woont, Waaruit mens en beest zijn gevlucht en verdwenen.
4「その日々、その時」と、主は言われる。 「イスラエルの子らが来る。 彼らとユダの子らがともに来る。 彼らは泣きながら道を進み、 自分たちの神、主を求める。
4In die dagen en in die tijd, Is de godsspraak van Jahweh: Zullen de kinderen van Israël komen, Tezamen met de kinderen van Juda; Al wenend zullen ze gaan, Om Jahweh te zoeken, hun God;
5彼らは顔をシオンに向け、 そこへの道を尋ねる。 『来て、忘れられることのない永遠の契約によって、 主に結びつこう』と言う。
5Ze zullen de weg naar Sion vragen, Want dàt is hun doel: “Komt, laten we ons aan Jahweh hechten, Door een eeuwig, onvergetelijk verbond!”
6わたしの民は迷った羊であった。 牧者たちが彼らを迷わせた。 彼らを山々でさまよわせた。 彼らは山から丘へと歩き、 自分たちの憩いの場所を忘れた。
6Een verdoolde kudde was mijn volk, Hun herders hebben ze op een dwaalspoor gebracht, En lieten ze zwerven op de bergen; Van berg tot heuvel trokken ze rond, En vergaten hun kooi.
7彼らを見つけた者は皆、彼らを食い尽くした。 敵たちは言った。『私たちに罪はない。 彼らが義の住まいである主、 父祖たちの望みである主に、 罪を犯したからだ。』」
7Al die ze vonden, slokten ze op, Hun vijanden zeiden: “Wij hebben geen schuld!” Want ze hadden gezondigd Tegen Jahweh, de weideplaats der gerechtigheid, Tegen Jahweh, de hoop hunner vaderen.
8「バビロンの中から逃げよ。 カルデア人の地から出よ。 群れの先頭に立つ雄やぎのようになれ。
8Vlucht Babel uit, trekt weg uit het land der Chaldeën, Als bokken aan het hoofd van de kudde!
9見よ、わたしは北の地から、 大いなる国々の集団を奮い立たせ、 バビロンに攻め上らせる。 彼らは彼女に向かって陣を整え、 彼女はそこから占領される。 彼らの矢は熟練した勇士の矢のようで、 一本もむなしく戻らない。
9Want zie, Ik ga tegen Babel verwekken Een drom van machtige volken uit het land van het noorden. Die stellen zich daar in slagorde op, en nemen het in; Hun pijlen als van beproefde helden Keren nimmer ledig terug.
10カルデアは略奪物となり、 彼女を略奪する者は皆、満ち足りる」と、主は言われる。
10Chaldea zal worden uitgeplunderd; Die het beroven, krijgen genoeg, Is de godsspraak van Jahweh!
11「わたしの相続地を略奪する者たちよ、 あなたがたは喜び、楽しんでいる。 穀物を踏む雌の子牛のように跳びはね、 雄馬のようにいなないている。
11Ja, verheugt u maar, en jubelt van vreugde, Gij plunderaars van mijn erve; Huppelt als kalveren in de weide, En hinnikt als hengsten:
12あなたがたの母は大いに辱められ、 あなたがたを産んだ者はうろたえる。 見よ、彼女は諸国民の中で最も小さいもの、 荒野、乾いた地、砂漠となる。
12Uw moeder ligt in de diepste schande, Die u baarde, is beschaamd; Ze wordt de minste onder de volken, Een wildernis, een dorre steppe;
13主の怒りのために、そこには人が住まず、 全く荒れ果てる。 バビロンのそばを通る者は皆、驚き、 そのすべての災いを見てあざける。
13Door Jahweh’s toorn blijft ze onbewoond, Heel en al een woestijn!
14弓を引く者たちよ、皆、 バビロンを四方から取り囲んで陣を整えよ。 彼女を射よ。 矢を惜しんではならない。 彼女が主に罪を犯したからだ。
14Op, rondom in het gelid tegen Babel, Allen, die de boog kunt spannen; Beschiet het, spaart de pijlen niet, Want het heeft tegen Jahweh gezondigd.
15四方から彼女に向かって叫べ。 彼女は降伏した。 その砦は倒れ、 城壁は打ち壊された。 これは主の復讐である。 彼女に復讐せよ。 彼女が行ったとおり、彼女にも行え。
15Heft in ‘t rond de juichkreet over hem aan: Het geeft zich al over; Zijn torens vallen, Zijn muren storten ineen! Die Babel voorbijtrekt, zal zich verbazen, En blazen over al zijn rampen. Ja, dat is de wraak van Jahweh! Wreekt u er op; Zoals het zelf heeft gedaan, Moet ge het vergelden.
16バビロンから種を蒔く者と、 収穫の時に鎌を取る者を断て。 虐げる剣を恐れて、 彼らはそれぞれ自分の民のもとへ帰り、 自分の国へ逃げる。」
16Roeit uit Babel den zaaier uit, En wie de sikkel zwaait In de tijd van de oogst! Voor het moordende zwaard Keert iedereen terug naar zijn volk, Vluchten allen weg naar hun eigen land.
17「イスラエルは追われた羊である。 獅子たちが彼を追いやった。 初めにアッシリアの王が彼を食い尽くし、 今度はバビロンの王ネブカドネザルが、 その骨を砕いた。」
17Israël is een opgejaagd schaap, Door leeuwen vervolgd; Eerst heeft de koning van Assjoer het verslonden, Daarna heeft Nabukodonosor, De koning van Babel, zijn beenderen gebroken.
18それゆえ、イスラエルの神、万軍の主はこう言われる。 「見よ、わたしはアッシリアの王を罰したように、 バビロンの王とその地を罰する。
18Daarom spreekt Jahweh der heirscharen, Israëls God: Zie, Ik zal Mij wreken Op den koning van Babel en op zijn land, Zoals Ik wraak heb genomen op den koning van Assjoer!
19わたしはイスラエルを再びその牧場に連れ戻す。 彼はカルメルとバシャンで草を食べ、 エフライムの丘々とギレアデで満ち足りる。
19Dan leid Ik Israël terug naar zijn dreven, Het zal weer weiden op Karmel en Basjan; Op Efraïms bergen, En in Gilad verzadiging vinden.
20その日々、その時」と、主は言われる。 「イスラエルの咎を捜しても、見つからず、 ユダの罪を捜しても、 見つからない。 わたしが残しておく者たちを、 赦すからだ。
20In die dagen en in die tijd, Is de godsspraak van Jahweh, Zal men de schuld van Israël zoeken, maar ze is er niet meer, En de zonde van Juda, maar men vindt ze niet langer: Want dan zal Ik vergiffenis schenken Aan hen, die Ik spaarde!
21マラタイムの地に攻め上れ。 そこに攻め上り、ペコドの住民を攻めよ。 彼らを追って殺し、 完全に滅ぼせ」と、主は言われる。 「わたしがあなたに命じたすべてのことを行え。
21Kom uit tegen het land “Dubbel-Verzet”, En tegen de bewoners van “Straf”: Zwaard, sla dood en verniel ze; Doe wat Ik u zeg, is de godsspraak van Jahweh!
22この地には戦いの音、 大いなる破壊の音がする。
22Krijgsrumoer in het land en grote verwoesting!
23全地を打つ金槌が、 なんと折られ、砕かれたことか。 バビロンは諸国民の間で、 なんと荒れ果てたことか。
23Hoe ligt ge gebroken, in stukken, Hamer der gehele aarde? Hoe is Babel een gruwel geworden onder de volken?
24バビロンよ、わたしはあなたに罠を仕掛けた。 あなたは気づかないうちに捕らえられた。 あなたは見つけ出され、 捕らえられた。 主と争ったからだ。
24Ik legde u strikken, gij liet u vangen, Babel, eer gij het wist; Gij zijt verrast en gegrepen, Want gij hebt Jahweh getart.
25主 は武器庫を開き、 憤りの武器を取り出された。 万軍の主なる神には、 カルデア人の地でなすべき業があるからだ。
25Jahweh heeft zijn tuighuis geopend, De wapens van zijn gramschap te voorschijn gehaald; Want Jahweh, de Heer, heeft een werk te verrichten In het land der Chaldeën!
26地の果てから彼女に攻めかかれ。 その倉を開け。 彼女を穀物の山のように積み上げ、 完全に滅ぼせ。 何一つ残してはならない。
26Trekt er op af, tot den laatsten man, Doet open zijn schuren; Gooit het op hopen als schoven, Verniel het, laat er niets meer van over.
27その雄牛をすべて殺せ。 屠られるために下らせよ。 彼らに災いがある。 彼らの日、罰せられる時が来たからだ。
27Doodt al zijn stieren, Naar de slachtbank er mee; Wee hun, want hun dag is gekomen, De tijd van hun straf!
28バビロンの地から逃れ、脱出した者たちの声を聞け。 彼らはシオンで、私たちの神、主の復讐を、 その神殿のための復讐を告げ知らせる。」
28Hoort; de vluchtelingen, uit het land van Babel ontsnapt, Verkonden in Sion De wraak van Jahweh, onzen God, De wraak voor zijn tempel!
29「バビロンに向かって射手たちを呼び集めよ。 弓を引く者たちを皆、集めよ。 彼女を四方から取り囲んで陣を張り、 だれも逃してはならない。 その行いに従って彼女に報い、 彼女が行ったすべてのことに従って行え。 彼女は主に向かって、 イスラエルの聖なる方に向かって高ぶったからだ。
29Roept tegen Babel de boogschutters op, Allen, die de boog kunnen spannen; Sluit het van alle kant in, Zodat niemand ontsnapt, Vergeldt het zoals het verdient, Doet er mee, als het zelf heeft gedaan; Want het is onbeschaamd tegen Jahweh geweest, Tegen Israëls Heilige!
30それゆえ、その若者たちは広場で倒れ、 すべての兵士たちはその日に沈黙させられる」と、主は言われる。
30Daarom vallen zijn jonge mannen Met al zijn strijders op straat; Ze komen om op die dag, Is de godsspraak van Jahweh!
31「見よ、高ぶる者よ、わたしはあなたに敵対する」と、 万軍の主なる神は言われる。 「あなたの日、 わたしがあなたを罰する時が来たからだ。
31Onbeschaamde; zie, Ik kom op u af, Spreekt de Heer, Jahweh der heirscharen; Want uw dag is gekomen. De tijd van uw straf!
32高ぶる者はつまずいて倒れ、 彼を起こす者はいない。 わたしはその町々に火をつけ、 その周囲にいる者を皆、焼き尽くす。」
32De Onbeschaamde wankelt en valt, Niemand richt zijn muren weer op; Ik ontsteek een vuur in zijn steden. Dat heel zijn omgeving verteert.
33万軍の主はこう言われる。 「イスラエルの子らとユダの子らは、 ともに虐げられている。 彼らを捕らえた者たちは皆、彼らを固くつかみ、 解放しようとしない。
33Zo spreekt Jahweh der heirscharen: De kinderen van Israël Worden met die van Juda mishandeld; Die ze in ballingschap voerden, houden ze vast, En weigeren, ze te laten vertrekken.
34彼らを贖う方は強い。 その名は万軍の主。 主は彼らの訴えを徹底して弁護し、 地に安らぎを与え、 バビロンの住民を不安に陥れる。
34Maar de Bevrijder is machtig: Jahweh der heirscharen is zijn Naam! Hij neemt het met kracht voor hen op, Om rust te brengen aan de aarde, Maar onrust aan de bewoners van Babel.
35剣がカルデア人に臨む」と、主は言われる。 「バビロンの住民、その高官たち、 知恵ある者たちに臨む。
35Het zwaard tegen de Chaldeën, Is de godsspraak van Jahweh: Tegen de bewoners van Babel, Tegen zijn vorsten en wijzen!
36剣が大言を吐く者たちに臨み、 彼らは愚かになる。 剣が勇士たちに臨み、 彼らはおびえる。
36Het zwaard tegen de zwetsers: zij worden verdwaasd; Het zwaard tegen zijn helden: zij rillen;
37剣が馬と戦車、 その中にいるすべての入り混じった民に臨み、 彼らは女のようになる。 剣がその宝に臨み、 それは略奪される。
37Het zwaard tegen zijn paarden en wagens, Tegen alle vreemden binnen zijn muren: zij worden als vrouwen! Het zwaard tegen zijn schatten: zij worden geplunderd;
38干ばつがその水に臨み、 水は干上がる。 そこは刻んだ像の地であり、 人々は偶像に夢中になっているからだ。
38Het zwaard tegen zijn wateren: zij drogen op; Want het is een land van afgodsbeelden, Door monsters zijn ze verdwaasd.
39それゆえ、荒野の獣が狼とともにそこに住み、 ダチョウがそこに住む。 そこには永遠に人が住まず、 代々にわたって住む者はいない。
39Daarom zullen daar wolven en jakhalzen liggen, En struisen er schuilen; Nooit meer zal het worden bewoond, Verlaten van geslacht tot geslacht.
40神がソドムとゴモラと、その周囲の町々を覆された時のように」と、主は言われる。 「そこにはだれも住まず、 人の子が寄留することもない。
40Zoals God Sodoma en Gomorra verwoestte, Met hun zustersteden. spreekt Jahweh: Zo zal er niemand wonen, Geen mensenkind er vertoeven.
41見よ、北から一つの民が来る。 大いなる国と多くの王たちが、 地の果てから奮い立つ。
41Zie, daar komt een volk uit het noorden, een grote natie, Machtige koningen rukken aan van de grenzen der aarde,
42彼らは弓と槍を取る。 残酷で、あわれみがない。 その声は海のようにとどろく。 娘なるバビロンよ、 彼らは馬に乗り、 戦士のように隊列を整え、 あなたに向かって来る。
42Met boog en lansen gewapend, Wreed en zonder erbarmen. Hun kreten loeien als de zee, Op rossen jagen ze voort, Toegerust als oorlogsmannen Tegen u, dochter van Babel!
43バビロンの王は彼らの知らせを聞き、 その手から力が抜けた。 苦悩が彼を捕らえ、 産みの苦しみにある女のような痛みが襲った。
43De koning van Babel hoort wat van hen wordt verteld, Zijn handen hangen er slap van; Angst grijpt hem aan, Weeën als van een barende vrouw.
44見よ、敵はヨルダンの密林から、 堅固な住まいに向かって上って来る獅子のようだ。 わたしは突然、彼らをそこから逃げ去らせ、 選ばれた者をその上に立てる。 だれがわたしのようであろうか。 だれがわたしに時を定められるだろうか。 どの牧者がわたしの前に立てるだろうか。」
44Zoals een leeuw uit het kreupelhout van de Jordaan Naar de altijd groene weide schiet, Zo jaag Ik ze plotseling daaruit weg, En stel er over aan, wien Ik wil. Want wie is Mij gelijk, Wie durft Mij rekenschap vragen; En wie is de herder, Die Mij kan weerstaan?
45それゆえ、主がバビロンに対して立てられた計画と、 カルデア人の地に対して定められた御心を聞け。 群れの小さなものたちさえ、 必ず引きずられて行く。 そのため、その住まいは必ず荒れ果てる。
45Hoort dus het besluit van Jahweh, Dat Hij over Babel nam, De plannen, die Hij beraamde Over het land der Chaldeën. Waarachtig, als kleine schaapjes sleurt men ze weg, Ja, hun weide zal van hen schrikken;
46バビロンが占領される音で、地は震える。 その叫び声は諸国民の間に聞こえる。
46De aarde beeft van het gedreun van hun val, Hun jammeren klinkt onder de volken!

Tip: use the ← and → keys to turn chapters.