エレミヤ 31
Freedom Bible (フリーダム・バイブル)Translation
Freedom Bible (フリーダム・バイブル)
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
1「その時」と、主は言われる。「わたしはイスラエルのすべての氏族の神となり、彼らはわたしの民となる。」
1In die tijd, is de godsspraak van Jahweh, Zal Ik voor Israëls stammen een God zijn, En zij zullen mijn volk zijn, spreekt Jahweh.
2主はこう言われる。「剣を免れた民は荒野で恵みを得た。わたしがイスラエルに安息を与えるために進んだ時のことである。」
2In de steppe vindt het volk weer genade, Dat door het zwaard bleef gespaard: Israël, op weg naar zijn rust.
3主は昔、私に現れて言われた。 「まことに、わたしは永遠の愛をもってあなたを愛した。 それゆえ、慈しみをもってあなたを引き寄せた。
3Reeds uit de verte treedt Jahweh het tegen: Met een eeuwige liefde heb Ik u lief; Daarom neem Ik genadig u aan, en bouw u weer op.
4イスラエルのおとめよ、わたしは再びあなたを建てる。 あなたは建て直される。 あなたは再びタンバリンで身を飾り、 喜び楽しむ者たちの踊りに加わって出て行く。
4Jonkvrouw van Israël, gij wordt herbouwd; Weer zult gij u tooien met pauken, Opgaan in vrolijke reien!
5あなたは再びサマリアの山々にぶどう畑を植える。 植える者たちは植え、 その実を味わう。
5Weer zult ge wijngaarden planten op Samaria’s bergen, En die ze planten, zullen er de vruchten van oogsten.
6エフライムの丘々で見張り人たちが、 『立て。シオンへ上り、私たちの神、主のもとへ行こう』と叫ぶ日が来る。」
6Ja, de dag zal komen, dat de wachters Op Efraïms bergen roepen: Komt, laat ons opgaan naar Sion, Naar Jahweh, onzen God!
7主はこう言われる。 「ヤコブのために喜び歌い、 諸国民のかしらのために叫べ。 告げ知らせ、賛美し、こう言え。 『主よ、あなたの民、 イスラエルの残りの者を救ってください。』
7Want zo spreekt Jahweh: Jubelt van vreugd over Jakob, Juicht over den heerser der volken; Verkondigt het blijde, en roept het uit Jahweh heeft zijn volk verlost, Al wat van Israël bleef gespaard!
8見よ、わたしは彼らを北の国から連れて来て、 地の果てから集める。 その中には目の見えない者、足の不自由な者、 妊婦も産みの苦しみにある女も、ともにいる。 彼らは大きな集団となって帰って来る。
8Zie, Ik leid ze terug Uit het land van het noorden, En breng ze bijeen van de grenzen der aarde: Met blinden en lammen in hun kring, Met zwangere en barende vrouwen: In machtige drommen keren ze terug!
9彼らは泣きながら来る。 嘆願しながら来る彼らを、わたしは導く。 水の流れのほとりを歩ませ、 つまずくことのない平らな道を進ませる。 わたしはイスラエルの父であり、 エフライムはわたしの長子だからだ。
9Wenend schrijden ze voort, Maar troostend zal Ik ze leiden, En ze naar de waterbeken brengen Langs effen wegen, waarop ze niet struikelen; Want Ik zal Israël een vader, Efraïm zal mijn eerstgeborene zijn.
10諸国民よ、主の言葉を聞き、 遠くの島々に告げ知らせよ。こう言え。 『イスラエルを散らした方が彼を集め、 牧者がその群れを守るように、彼を守られる。』
10Volkeren, hoort het woord van Jahweh, Verkondigt het op verre kusten: Die Israël verstrooide, verzamelt het weer, En hoedt ze, als een herder zijn kudde!
11主はヤコブを買い戻し、 彼より強い者の手から贖い出されたからだ。
11Waarachtig, Jahweh heeft Jakob verlost, Hem uit de greep van zijn overwinnaar bevrijd.
12彼らは来て、シオンの高みに上って歌い、 主の良いものへと流れるように集まる。 穀物、新しいぶどう酒、油、 羊と牛の若いものを求めて。 彼らは潤された園のようになり、 もはや二度と悲しむことはない。
12Juichend bereiken ze de toppen van Sion, Stralend van vreugde om de goedheid van Jahweh. Om het koren, de most en de olie, Om de schapen en runderen. Hun ziel is als een bevloeide tuin, Ze zullen nooit meer versmachten.
13その時、おとめは踊って喜び、 若者も老人もともに喜ぶ。 わたしは彼らの嘆きを喜びに変え、 彼らを慰め、悲しみから解放して喜ばせる。
13Dan zullen de meisjes dansen van vreugde, Jongemannen in de kring van grijsaards; Dan zal Ik hun rouw in vreugde veranderen, Ze troosten en verblijden, omdat hun kommer voorbij is;
14わたしは祭司たちを豊かなもので満ち足らせ、 わたしの民はわたしの良いもので満ち足りる」と、主は言われる。
14De priesters zal Ik vette offers in overvloed geven, Mijn volk zal zwelgen van mijn goedheid, spreekt Jahweh!
15主はこう言われる。 「ラマで声が聞こえる。 嘆きと悲痛な泣き声が。 ラケルが自分の子らのために泣いている。 子らがもういないので、 慰めを受けようとしない。」
15Zo spreekt Jahweh: Een jammerklacht wordt in Rama gehoord, Een bitter geween: Rachel schreit om haar zonen, Ze wil zich niet laten troosten, Want haar kinderen zijn niet meer.
16主はこう言われる。 「泣く声を抑え、 目から涙を流すな。 あなたの労苦には報いがあるからだ」と、主は言われる。 「彼らは敵の地から帰って来る。
16Zo spreekt Jahweh: Houd op met schreien, En droog uw tranen, Want er is troost voor uw tobben, spreekt Jahweh: Ze keren terug uit het land van den vijand;
17あなたの将来には希望がある」と、主は言われる。 「あなたの子らは自分たちの地に帰って来る。
17Er is hoop voor de toekomst, spreekt Jahweh, De kinderen keren terug naar hun grond.
18わたしは確かに、エフライムがこう嘆くのを聞いた。 『あなたは私を懲らしめ、 私は飼い慣らされていない子牛のように懲らしめを受けた。 私を立ち返らせてください。そうすれば、私は立ち返る。 あなたこそ、私の神、主だからだ。
18Ik heb toch gehoord, Hoe Efraïm klaagt: Gij hebt mij streng getuchtigd Als een ongetemd rund. Ach, breng mij tot inkeer, ik wil mij bekeren, Gij zijt toch Jahweh, mijn God!
19私は立ち返った後、 悔い改めた。 教えを受けた後、 私はももを打った。 若いころのそしりを負っていたので、 私は恥じ、まことにうろたえた。』
19Ja, na mijn afval, Kreeg ik berouw; En toen ik het inzag, Sloeg ik mij de heupen. Nu bloos ik van schaamte, Want ik boet de schanddaden van mijn jeugd.
20エフライムはわたしの大切な息子なのか。 わたしの愛する子なのか。 わたしは彼を責めて語るたびに、 なおも切に彼を思い起こす。 それゆえ、わたしの心は彼を切に慕う。 わたしは必ず彼をあわれむ」と、主は言われる。
20Is Efraïm dan mijn lievelingszoon, Mijn troetelkind, Dat zo gauw Ik hem dreig, Ik hem aanstonds gedenk? Is daarom mijn hart over hem zo ontroerd, En moet Ik Mij zijner ontfermen, spreekt Jahweh?
21「道しるべを立てよ。 標柱を置け。 あなたが通って来た大路、 その道に心を向けよ。 イスラエルのおとめよ、帰れ。 あなたのこれらの町々に帰れ。
21Richt u mijlpalen op, Zet u wegwijzers neer; Let op het pad, Op de weg, die ge gaat. Jonkvrouw van Israël, keer terug, Hier terug naar uw steden!
22背信の娘よ、 いつまであちこちさまよい歩くのか。 主は地に新しいことを創造された。 女が男を取り囲む。」
22Hoe lang zult ge talmen, Ontrouwe dochter! Waarachtig een nieuw geslacht Schept Jahweh op aarde: De vrouw keert terug Tot haar man!
23イスラエルの神、万軍の主はこう言われる。「わたしが彼らを捕囚から帰らせる時、ユダの地とその町々では、再びこう言われる。『義の住まい、聖なる山よ、主があなたを祝福されるように。』
23Zo spreekt Jahweh der heirscharen, Israëls God! Weer zal men zeggen In het land en de steden van Juda, Wanneer Ik hun weer geluk heb geschonken: Jahweh zegene u, Zetel van Gerechtigheid, Heilige Berg!
24ユダとそのすべての町々には、農夫も、群れを連れて歩く者も、ともに住む。
24Dan zal Juda daar wonen met al zijn steden, Met landbouwers en herders der kudde;
25わたしは疲れた者を満ち足らせ、悲しむすべての者を満たしたからだ。」
25Die uitgeput zijn zal Ik verkwikken, Al de versmachtenden laven:
26この時、私は目を覚まして見た。私の眠りは心地よかった。
26Dan waak Ik op, en blik om Mij heen, Mijn slaap is voorbij!
27「見よ、その日々が来る」と、主は言われる。「その時、わたしはイスラエルの家とユダの家に、人の種と動物の種を蒔く。
27Zie, de dagen komen, Is de godsspraak van Jahweh: Dat Ik het huis van Israël En het huis van Juda bestrooi Met het zaad van mensen En het zaad van vee.
28わたしが彼らを引き抜き、打ち壊し、覆し、滅ぼし、苦しめるために見守ったように、今度は彼らを建て、植えるために見守る」と、主は言われる。
28En zoals Ik op hen heb gelet, Om uit te roeien en te verdelgen, Te verwoesten, te vernielen en onheil te brengen: Zo zal Ik ook op hen letten, Om op te bouwen en te planten, Is de godsspraak van Jahweh!
29「その日々には、もはやこう言われない。 『父祖たちが酸いぶどうを食べ、 子どもたちの歯が浮いた。』
29In die dagen zegt men niet meer: De vaders eten onrijpe druiven, De tanden der kinderen worden er stroef van!
30かえって、一人一人が自分の咎のために死ぬ。酸いぶどうを食べる者は皆、自分の歯が浮く。」
30Neen, iedereen sterft om zijn eigen misdaad de dood: Die onrijpe druiven eet, Krijgt zelf stroeve tanden.
31「見よ、その日々が来る」と、主は言われる。「その時、わたしはイスラエルの家とユダの家と新しい契約を結ぶ。
31Zie, de dagen komen, Is de godsspraak van Jahweh, Dat Ik een verbond zal sluiten Met Israëls huis En het huis van Juda: Een nieuw verbond!
32それは、わたしが彼らの父祖の手を取ってエジプトの地から連れ出した日に結んだ契約のようなものではない。わたしは彼らの夫であったにもかかわらず、彼らはわたしの契約を破った」と、主は言われる。
32Niet als het verbond, dat Ik met hun vaderen sloot, Toen Ik ze bij de hand heb gevat, Om ze uit Egypte te leiden: Mijn verbond, dat ze hebben verbroken, Zodat Ik een afschuw van hen kreeg, Is de godsspraak van Jahweh!
33「しかし、その日々の後、わたしがイスラエルの家と結ぶ契約はこれである」と、主は言われる。 「わたしはわたしの律法を彼らの内に置き、 彼らの心にそれを書き記す。 わたしは彼らの神となり、 彼らはわたしの民となる。
33Maar dit is het verbond, dat Ik sluit Met Israëls huis na deze dagen, spreekt Jahweh: Ik zal mijn wet in hun boezem leggen, Ik zal ze schrijven op hun hart; En Ik zal hun God, Zij zullen mijn volk zijn!
34もはや、だれも隣人に、 だれも兄弟に、『主を知れ』と教えることはない。 小さい者から大きい者まで、 皆がわたしを知るからだ」と、主は言われる。 「わたしは彼らの咎を赦し、 彼らの罪を二度と思い出さない。」
34Dan behoeven ze elkander niet meer te leren, De een tot den ander niet te zeggen: Leert Jahweh kennen. Neen, dan zullen zij allen Mij kennen, Kleinen en groten, spreekt Jahweh; Want dan zal Ik ze hun misdaad vergeven, Hun zonde niet langer gedenken.
35昼の光として太陽を与え、 夜の光として月と星の定めを与え、 海をかき立て、その波をとどろかせる主、 その名を万軍の主という方は、こう言われる。
35Zo spreekt Jahweh, Die de zon heeft geplaatst tot een licht overdag, De maan en de sterren tot een licht in de nacht, Die de zee beroert, Dat haar golven bruisen: Jahweh der heirscharen is zijn Naam!
36「もし、これらの定めがわたしの前から消え去るなら」と、主は言われる。 「イスラエルの子孫も、わたしの前で永遠に一つの国であることはなくなる。」
36Wanneer ooit deze wetten Voor mijn aangezicht wankelen, Is de godsspraak van Jahweh: Dan houdt het zaad van Israël op, Een volk voor mijn aanschijn te zijn Voor altijd en immer!
37主はこう言われる。「もし、上の天を測ることができ、 下の地の基を探り尽くすことができるなら、 わたしも、イスラエルのすべての子孫を、彼らの行ったすべてのことのために捨てる」と、主は言われる。
37Zo spreekt Jahweh: Zo waar als de hemelen daarboven niet worden gemeten, De grondvesten der aarde beneden niet worden gepeild, Evenmin zal Ik heel Israëls geslacht verwerpen Om al wat ze hebben misdaan, Is de godsspraak van Jahweh!
38「見よ、その日々が来る」と、主は言われる。「その時、町はハナンエルの塔から隅の門まで、主のために建てられる。
38Zie, de dagen komen, Is de godsspraak van Jahweh, Dat de stad ter ere van Jahweh zal worden herbouwd, Van de toren Chananel tot de Hoekpoort;
39測り縄はさらにまっすぐガレブの丘まで伸び、そこからゴアの方へ曲がる。
39Dan loopt het meetsnoer verder tot de heuvel van Gareb, En het keert zich naar Goa.
40死体と灰の谷全体、キデロン川までのすべての畑、東にある馬の門の隅までが、主にとって聖なるものとなる。そこはもはや永遠に、引き抜かれることも、打ち壊されることもない。」
40En het hele dal met lijken en as, Alle dodenakkers tot de Kedron-beek, Tot de hoek van de Paardenpoort in het oosten, Zullen aan Jahweh worden gewijd; Ze zullen niet worden verwoest of vernield, In eeuwigheid niet!
Tip: use the ← and → keys to turn chapters.