エレミヤ
Chapter 16
Freedom Bible (フリーダム・バイブル)
vs Petrus Canisius Bi…
Aa
Text size
Line width
Verse numbers
Freedom Bible (フリーダム・バイブル)
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
1主の言葉が私に臨んで言われた。
1Het woord van Jahweh werd tot mij gericht:
2「あなたはこの場所で妻をめとってはならない。息子や娘を持ってもならない。」
2Ge moogt u geen vrouw nemen, Geen zonen en dochters hebben in deze plaats;
3この場所で生まれる息子や娘、彼らを産む母親、この地で彼らをもうける父親について、主はこう言われる。
3Want zo spreekt Jahweh over de zonen en dochters, Die in deze plaats geboren worden, Over de moeders, die ze baren, Over de vaders, die ze in dit land verwekken:
4「彼らは悲惨な死を遂げる。嘆かれることも、葬られることもない。地の表の糞のようになる。剣と飢饉によって滅ぼし尽くされ、その死体は空の鳥と地の動物の餌となる。」
4Een smartelijke dood zullen ze sterven, Niet worden betreurd, niet worden begraven; Ze blijven liggen als mest op de akker, Door zwaard en honger komen ze om. Hun lijken worden tot aas geworpen Voor de vogels uit de lucht en de beesten der aarde.
5主はこう言われる。「喪の家に入ってはならない。嘆きに行ってはならず、彼らのために悲しんではならない。わたしはこの民から、わたしの平和を取り去ったからだ」と、主は言われる。「慈しみとあわれみも取り去った。
5Zo spreekt Jahweh: Ge moogt geen sterfhuis binnengaan, Geen rouw bedrijven, Ze niet gaan beklagen. Want Ik heb dit volk mijn vrede onttrokken, Mijn genade en ontferming, spreekt Jahweh:
6この地では、大きい者も小さい者も死ぬ。彼らは葬られず、だれも彼らのために嘆かない。彼らのために身を傷つける者も、頭をそる者もいない。
6Groot en klein zal sterven in dit land! Men zal ze begraven noch betreuren, Zich niet voor hen kerven, zich de haren niet scheren;
7死者を悼む者のためにパンを裂いて慰める者はいない。父や母を失った者に、慰めの杯を飲ませる者もいない。」
7Men zal geen rouw-brood met hen breken, Om ze over de doden te troosten; Men zal ze geen troostbeker reiken Voor hun vader en moeder.
8「あなたは祝宴の家に入り、彼らとともに座って食べたり飲んだりしてはならない。」
8Ge moogt naar geen feestgelag gaan, Niet met hen aanzitten, om te eten of te drinken!
9イスラエルの神、万軍の主はこう言われる。「見よ、わたしはあなたの目の前で、あなたの生きている間に、この場所から喜びの声と楽しみの声、花婿の声と花嫁の声を絶えさせる。
9Zo spreekt Jahweh der heirscharen, Israëls God: Want Ik zal in deze plaats doen verstommen, Voor uw ogen en in uw dagen, De kreten van blijdschap en vreugde, De jubel van bruidegom en bruid!
10あなたがこの民にこれらすべての言葉を告げると、彼らはあなたに、『なぜ、主はこの大きな災いをすべて私たちに告げられたのか』『私たちの咎は何か』『私たちの神、主に対して犯した罪は何か』と尋ねるだろう。
10Wanneer ge dit volk dit alles verkondigt, dan zullen ze u vragen: Waarom dreigt Jahweh ons toch met al deze geweldige rampen; waarin bestaat onze schuld, onze zonde, die wij tegen Jahweh, onzen God, zouden hebben bedreven?
11その時、あなたは彼らにこう言え。『あなたがたの父祖がわたしを捨てたからだ』と、主は言われる。『彼らはほかの神々に従って歩み、それらに仕え、それらを拝み、わたしを捨て、わたしの律法を守らなかった。
11Dan moet ge hun zeggen: Omdat uw vaderen Mij hebben verlaten, spreekt Jahweh; Achter vreemde goden gelopen, ze hebben gediend en aanbeden, Mij hebben verzaakt, niet mijn wet onderhouden;
12あなたがたは父祖たちよりもさらに悪いことを行った。見よ、あなたがたはそれぞれ、自分の悪い心のかたくなさに従って歩み、わたしに聞き従わない。
12En omdat gij het nog erger hebt gemaakt dan uw vaderen, Alleen uw afgestompt, boos gemoed zijt gevolgd, Maar niet naar Mij hebt geluisterd!
13それゆえ、わたしはあなたがたをこの地から、あなたがたも父祖たちも知らなかった地へ投げ出す。そこであなたがたは昼も夜も、ほかの神々に仕える。わたしはあなたがたに恵みを示さない。』」
13Daarom slinger Ik u weg uit dit land, Naar een land, dat ge niet hebt gekend, Noch gij, noch uw vaders! Daar kunt ge vreemde goden gaan dienen. Overdag en des nachts: Want dan ontferm Ik Mij uwer niet meer.
14「それゆえ、見よ、『イスラエルの子らをエジプトの地から連れ上った主は生きておられる』とは、もはや言われなくなる日々が来る」と、主は言われる。
14-
15かえって、『イスラエルの子らを北の地から、また主が彼らを追いやったすべての国々から連れ上った主は生きておられる』と言われる。わたしは彼らを、父祖たちに与えた彼らの地へ再び連れ帰る。
15-
16「見よ、わたしは多くの漁師を呼び寄せる」と、主は言われる。「彼らは民を釣り上げる。その後、わたしは多くの狩人を呼び寄せる。彼らはあらゆる山、あらゆる丘、岩の裂け目から民を狩り出す。
16Zie, Ik ga talrijke vissers ontbieden, Is de godsspraak van Jahweh: Die zullen ze vangen. Dan laat Ik talloze jagers op hen los, Die jagen ze op van iedere berg, Van iedere heuvel en rotskloof.
17わたしの目は彼らのすべての道に注がれている。それらはわたしの顔から隠されず、彼らの咎もわたしの目から隠されない。
17Want mijn ogen zijn al op hun wegen gericht, Ze blijven voor Mij niet verborgen, Hun schuld kan zich niet aan mijn ogen onttrekken.
18まず、わたしは彼らの咎と罪に二倍の報いを返す。彼らが忌まわしいものの死骸でわたしの地を汚し、忌むべきものでわたしの相続地を満たしたからだ。」
18Ik zal ze hun vroegere en latere schuld en zonde vergelden, Omdat ze mijn land hebben ontwijd met het aas van hun monsters En mijn erfdeel met hun gruwelen hebben vervuld!
19主よ、私の力、私のとりで、 苦難の日の私の逃れ場よ、 諸国民は地の果てからあなたのもとに来て、 こう言う。 「私たちの父祖が受け継いだものは、偽り、 空しいもの、何の益もないものだけでした。
19Jahweh, mijn sterkte en mijn burcht, Mijn toevlucht in tijden van nood; Tot u komen de volkeren zelfs Van de grenzen der aarde. Ze zeggen: Onze vaderen hebben enkel leugens bezeten, En ijdele waan, die niemand kan helpen.
20人は自分のために神々を造るでしょうか。 それらは神ではない。」
20Of kan de mens zich goden maken; Die zijn toch geen god!
21「それゆえ、見よ、わたしは彼らに知らせる。 今度こそ、わたしの手と力を彼らに知らせる。 彼らは、わたしの名が主であることを知る。」
21Daarom zal Ik u laten merken, Ditmaal doen voelen Mijn hand en mijn kracht; En weten zullen ze, dat Jahweh mijn Naam is!

Tip: use the ← and → keys to turn chapters.